• blad nr 5
  • 9-3-2013
  • auteur R. Wisman 
  • hier & daar

 

Van ‘ça va aller’ naar ‘hup, opletten’

Met man en steeds meer kinderen woonde Christine Simonse ruim twaalf jaar in het Afrikaanse Burkina Faso. Vergeleken met de Franse school die de kinderen bezochten, vindt ze de Nederlandse school soms net een sociaal-maatschappelijke instelling.

Een overweging om naar Nederland terug te keren, was om ‘Nederlander’ te kunnen blijven. “Je woont in Afrika, maar je bent geen Afrikaan”, legt Christine Simonse uit. “Je gaat naar een Franse school, maar je bent niet Frans. Wie ben je dan wel?”
De start op een Nederlandse middelbare school leek Christine en echtgenoot Wim, van huis uit landbouwkundige, een geschikt moment voor remigratie. Joelle (12) gaat sinds september naar een havo/vwo-klas op het Wartburg College en Guido (9) en Jedidja (6) gaan naar de Calvijnschool in Sliedrecht. Elora (3) is nog bij moeder thuis.
Wim is momenteel nog in Burkina Faso om te helpen bij de opstart van een cashewnotenfabriek. Via de stichting Woord en Daad zetten de ouders zich samen in tegen de ontbossing. Verder realiseerden ze er twee middelbare scholen. “In het land gaat slechts 70 procent van de kinderen naar de lagere school, en 25 procent naar de middelbare school”, vertelt Christine.
Tot vorig jaar zomer gingen hun eigen kinderen naar een Franse school in Bobo-Dioulasso, na Ouagadougou de tweede stad in Burkina Faso. Guido, die in groep 6 zit, ervaart een groot verschil. “Er wordt hier veel meer van je verwacht. Meer toetsen, meer werkstukken, meer huiswerk.”
In tegenstelling tot de Franse school controleert de leerkracht hier bovendien of hij zijn huiswerk heeft gemaakt. Moeder Christine beaamt het volmondig: “De kinderen moeten hier harder werken. Er is in de klas geen tijd om even weg te dromen. Dan is het: ‘Hup, Guido, opletten!’”

Memoriseren
“Het onderwijssysteem van de Franse school richt zich op cognitieve vaardigheden, bijvoorbeeld memoriseren”, vervolgt Christine, die zelf groepsleerkracht is. “De kinderen moesten van alles uit hun hoofd leren: definities, maar ook literatuur en poëzie.”
Ook in de kleutergroep was het aanpoten. Jedidja was vanaf haar derde bezig met het verbinden van ‘sok’ aan ‘schoen’ en ‘twee vlinders’ aan het cijfer 2. Ook moest ze haar naam herkennen, uitzoeken en ophangen als teken van aanwezigheid. “Toen ze voor het eerst uit de Nederlandse school thuiskwam, zei ze opgewekt: ‘Ik heb alleen maar gespeeld’. Ze gedraagt zich vrijer nu”, merkt moeder Christine.
Het onderwijs was klassikaal en “prima voor 70 procent van de leerlingen”. “Voor uitblinkers en leerlingen die minder goed meekomen, was nauwelijks aandacht.”
“Voor onze kinderen is Frans niet de moedertaal. Ze spreken het vloeiend, maar Jedidja en Guido waren bij sommige activiteiten soms te verlegen om mee te doen. De leerkrachten lieten ze dan gewoon aan de kant zitten.”
Christine kaartte twee keer bij de meester aan dat ze zorgen had over de ontwikkeling van Guido. Kwam hij wel op alle fronten goed mee? “Het gaat niet zo snel, zeiden ze dan. Maar de school had geen expertise in huis. Als ik meer wilde weten, moest ik met hem naar een psycholoog in Ouagadougou, 350 kilometer verderop.” Nederland is wat dat betreft een verademing. “Na vier weken op de Calvijnschool kwam de meester naar mij toe om precies datgene te bespreken waarover ik mij zorgen maakte.”

Alles is hier
“Het Nederlandse onderwijssysteem kijkt naar de totale ontwikkeling van een kind. Vergeleken met Burkina Faso lijkt het hier soms wel een sociaal-maatschappelijke instelling. Als er iets afwijkt, wordt het bijgespijkerd, geëvalueerd en getoetst”, lacht ze. Op de Franse school was het motto: Ça va aller (het komt wel goed).
Christine is vol lof over de Nederlandse scholen. “Zij vingen de kinderen op met een beetje extra aandacht.” Ze vindt: “Je kunt beter van daar naar hier gaan dan andersom. Nadeel is wel dat die focus op afwijkingen de ontspannenheid van leven weghaalt. In Nederland lijkt het alsof je in elke situatie iets te kiezen hebt. In Afrika is meer acceptatie dat het leven niet helemaal maakbaar is.”
Na twaalf jaar Afrika is de rijkdom op de Nederlandse scholen voor Christine geen vanzelfsprekendheid. “Alles is hier: papier, printers, kopieerapparaten, digitale schoolborden. En: alles is gratis. Dan moet je niet gaan klagen dat de vloerbedekking oud is.”
Wat alle gezinsleden missen, is de Afrikaanse warmte. Burkina Faso heeft acht droge (hete) maanden en vier natte maanden. De schooltijden waren vanwege de hitte van 7.30 tot 11.30 uur, en daarna weer van 15.00 tot 17.00 uur. “Om drie uur was het nog steeds loeiheet. Het was best pittig om dan weer op te starten”, zegt Christine.
De vakanties waren langer in Afrika: twee weken met kerst, voorjaar en herfst, en twee maanden zomervakantie. Dan verbleef het gezin meestal in Nederland bij familie. Thuis sprak het gezin Nederlands. Daarnaast gaf Christine haar kinderen zelf twee uur per week les. De kinderen hebben geen achterstand, hoewel Joelle taal en spelling wel moeilijk vindt.
Waar Christine als moeder erg van geniet is dat ze nu alles weer op de fiets kan doen. “In Afrika was fietsen onveilig, omdat mensen de verkeersregels slecht naleefden. Ik fiets alles bij elkaar nu zo’n tien kilometer per dag. Ook de kinderen zeggen: ‘Wat fietst het lekker zonder hobbels en gaten in de weg’.”

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.