• blad nr 4
  • 23-2-2013
  • auteur J. Dronkers 
  • Opinie

 

Onderwijs is geen bedrijf

De oplossing voor recente schandalen bij grote onderwijsinstellingen als InHolland of Amarantis is niet de invoering van kleine, overzichtelijke scholen, maar een ander bestuursmodel. Onderwijs is namelijk geen privaat bedrijf, schrijft hoogleraar Jaap Dronkers in onderstaand opiniestuk.

Tekst Jaap Dronkers

Het foute bestuursmodel in het onderwijs is de oorzaak van de recente schandalen (hogeschool InHolland, roc Amarantis) en faillissementen (roc Zadkine) in het onderwijs, niet de omvang van de onderwijsorganisatie. De fout is dat het onderwijs in de jaren ’90 het bestuursmodel heeft gekregen van een privaat bedrijf, dat verhandelbare aandelen heeft, dat zelf verantwoordelijk is voor winst en verlies, dat concurrenten heeft die bij een faillissement de vraag kunnen overnemen, en dat voortdurend in de gaten wordt gehouden door banken, grootaandeelhouders, analytici, en financiële verslaggevers. Waarom is dat bestuursmodel van private bedrijven niet goed voor het onderwijs en hoe zou het er wel moeten uitzien?
Het onderwijs is geen privaat bedrijf dat producten maakt voor een markt met open concurrentie, volledige informatie en vrije toe- en uittreders van kopers en producenten. Onderwijs is een institutie, die essentieel is voor het overleven van de menselijke soort, namelijk vanwege de overdracht van kennis en vaardigheden van de ene op de volgende generatie. Het grote belang van deze overdracht voor dat overleven onderscheidt de menselijke soort van andere zoogdieren. Daarom komt onderwijs als een geregelde overdracht van relevante kennis en vaardigheden in alle menselijke samenlevingen voor, zelfs in de meest primitieve, want zonder onderwijs zouden zij ten dode zijn opgeschreven. Onderwijs is daarom te belangrijk om alleen over te laten aan het vrije spel van de maatschappelijke krachten. Dit belang van onderwijs voor het overleven van de menselijke soort moet daarom in het bestuursmodel tot uiting komen.

Toekomst
Dat betekent dat de kennis en vaardigheden die in het onderwijs worden overgedragen, niet door de consument (leerling, ouder) moeten worden bepaald, maar door de politieke gemeenschap (bijvoorbeeld Nederland). Die politieke keuze beïnvloedt immers de toekomst van die politieke gemeenschap. Het bestuur van het onderwijs moet dat maatschappelijke en politieke belang van het onderwijs weerspiegelen. Onderwijs is daarom geen zaak van risicodragende ondernemers, maar van de gehele politieke gemeenschap die voor haar overleven afhankelijk is van goed onderwijs. Dat is dus anders dan bij bedrijven. De relatie met de politieke gemeenschap moet daarom in het bestuursmodel van het onderwijs tot uiting komen.
Een mislukte overdracht van kennis, vaardigheden, waarden en normen kan niet overgedaan worden, omdat wij de tijd niet kunnen omkeren. Onvoldoende gesocialiseerde leerlingen kunnen niet ‘teruggestuurd worden naar de fabriek’ en vervangen worden door een beter exemplaar, ‘zonder verdere verzendkosten’. Ook kan het verlies van een jaar (de leerlingen hebben niets geleerd) niet gecompenseerd worden door de winst van een ander jaar (leerlingen hebben veel geleerd). Hierin verschilt het functioneren van het onderwijs opnieuw van dat van het bedrijfsleven. Disfunctioneren van het onderwijs heeft verstrekkende gevolgen die niet zomaar kunnen worden teruggedraaid of gecompenseerd. Dit stelt dus veel hogere eisen aan de kwaliteit van het onderwijs dan aan bedrijven, en dus ook aan het bestuursmodel.

Moederschoot
Een goede overdracht van kennis en vaardigheden, maar ook van waarden en normen, start niet pas op de eerste schooldag. In feite start die overdracht al in de moederschoot doordat de kwaliteit van voeding mede de ontwikkeling van de foetus beïnvloedt. En de eerste paar jaren thuis zijn zeer belangrijk voor die overdracht van met name waarden en normen. Op het moment dat de ouders hun kind naar school brengen, dragen zij een deel van hun verantwoordelijkheid voor die overdracht over aan het onderwijs. Een groot deel van de politieke strijd in het onderwijs (bijvoorbeeld de vrijheid van onderwijs en de vrije schoolkeus) gaat dan ook om het vinden van een wankel evenwicht tussen de verantwoordelijkheden van de ouders en de politieke gemeenschap. De relatie met de socialisatie door ouders moet daarom in het bestuursmodel van het onderwijs tot uiting komen.
Een directe relatie tussen leraar en leerling, maar ook zijn kennis van de inhoud van de leerstof en zijn vrijheid in het lesgeven zijn belangrijke voorwaarden voor die succesvolle socialisatie. Dat betekent ook dat de gebruikelijke voorwaarden van industriële productie in het onderwijs (zoals standaardisatie, opsplitsing in deeltaken, vervanging van mensen door machines) niet automatisch geldig zijn, maar dat de kwaliteit en de betrokkenheid van leraren de belangrijkste productievoorwaarden zijn. Deze kwaliteit en de betrokkenheid van leraren moeten daarom ook in het bestuursmodel van het onderwijs tot uiting komen.
Dit betekent dat niet alleen de megalomane fusies teruggedraaid moeten worden, maar vooral dat het bestuursmodel dat geleid heeft tot deze fusies op de schop moet. Om de betrokkenheid van ouders en leerkrachten te versterken, moet het bestuur door hen gevormd worden, aangevuld door maatschappijvertegenwoordigers (voorgedragen door gemeente, religieuze groepering, werkgevers, et cetera). Uiteraard is het mogelijk dat meerdere scholen een gezamenlijk bestuur instellen en zo grotere eenheden vormen, mits zij zo geen monopolie in een regio vormen en mits er een tripartiet onderbestuur voor elke school bestaat. Een dergelijk bestuursmodel doet recht aan de maatschappelijke taak van het onderwijs, het belang van ouders bij de socialisatie van hun kind en het gewicht van de leraar voor het succes daarvan. Uiteraard voorkomt geen enkel bestuursmodel fouten en blunders, maar het huidige past zo slecht bij het onderwijs dat het wel mis moet lopen.

Jaap Dronkers
Hoogleraar onderwijssociologie Universiteit Maastricht

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.