- blad nr 16
- 16-9-2000
- auteur R. Sikkes
- Redactioneel
Belangrijkste prioriteit: investeren in achterblijvers
Het CPB publiceerde samen met het SCP begin september een soort toekomstverkenning naar de belangrijkste vragen waarmee de overheid de komende jaren te maken krijgt. In het rapport Trends, dilemma¹s en beleid - essays over ontwikkelingen op de langere termijn maakt Pomp duidelijk dat de overheid het beste kan investeren in maatregelen die het meeste maatschappelijk nut opleveren. Het voorkomen van achterstanden heeft een hoog maatschappelijk rendement. In het essay Diversiteit in de mondiale kenniseconomie constateert Pomp dat het nog onvoldoende lukt om achterblijvers in de kenniseconomie bij de ontwikkelingen te betrekken. Het aantal drop-outs blijft namelijk hoog, het onderwijsklimaat op achterstandsscholen verslechtert en juist deze scholen kampen met de grootste personeelsproblemen. Voor het goed functioneren van de kenniseconomie is het van belang dat meer mensen ten minste een mbo-opleiding hebben, maar liever nog een studie in het hoger onderwijs. Als deze opscholing niet slaagt, is het gevaar groot dat vooral allochtonen blijvend moeite zullen hebben met het vinden van werk en dreigt maatschappelijke uitsluiting.
De oplossing van dat probleem zit volgens Pomp in een goed funderend onderwijs. Achterstanden dienen op zo jong mogelijke leeftijd bestreden te worden. Maar daarvoor dient wel de aanpak van de achterstanden te veranderen. Nu wordt er eigenlijk weinig gericht geld in achterstandsscholen gepompt, zonder dat naar resultaten wordt gekeken. Volgens het CPB hebben projecten in Israël veel succes doordat daar met gerichte financiële prikkels voor scholen en deelnemers wordt gewerkt. De opvang van tienduizenden immigranten en taalcursussen Hebreeuws zijn er verbazingwekkend goed verlopen, omdat goed presterende scholen extra geld krijgen. Ook ontvangen deelnemers een bonus als ze een bepaald diploma halen.
Collegegeld omhoog
Los daarvan zouden leraren op achterstandsscholen sowieso beter betaald moeten worden, vindt Pomp. De tijd is voorbij dat voldoende docenten daar louter uit idealisme gaan werken. Het werk is er bovendien zwaar. ŒDe arbeidsvoorwaarden dienen de grotere werkdruk en zwaardere eisen te weerspiegelen.¹ Maar dat alles kost natuurlijk een enorme hoop geld. Pomp vindt het onwaarschijnlijk dat voor het intensiveren van het achterstandsbeleid opeens extra geld beschikbaar komt. Daarom zou de overheid prioriteiten moeten stellen. Omdat het hoger onderwijs vooral voor de deelnemers aantrekkelijk is, zouden de studenten zonder al te veel problemen een groter deel van hun studie zelf kunnen betalen. Pomp ziet daarvoor verschillende mechanismen. Zo zou het collegegeld fors omhoog kunnen, of zouden er meer particuliere hogescholen en universiteiten op de markt kunnen komen. Ten slotte kan zonder al te veel problemen het dure beurzenstelsel afgeschaft worden. In plaats daarvan kunnen studenten hun studiekosten lenen. In Australië blijkt zo¹n leenstelsel - met een gunstige afbetalingsregeling - de toegankelijkheid van het hoger onderwijs niet te hebben aangetast. ŒStudentenaantallen, ook uit de sociaal zwakkere milieus lopen daar niet terug¹, stelt Pomp. Deze ervaringen en het feit dat subsidies voor het hoger onderwijs grotendeels terechtkomen bij kinderen uit middelbare en hogere inkomens, zetten een vraagteken bij de noodzaak tot subsidiëring van het hoger onderwijs.²