- blad nr 2
- 26-1-2013
- auteur J. Muijres
- Kleine column
Kleiner is fijner?
Ogenschijnlijk wordt de AOb op zijn wenken bediend: we hebben immers altijd bepleit dat er herkenbaar beroepsonderwijs moet worden aangeboden dat iedereen aanspreekt – student, werkgever en onderwijspersoneel – en kleinere instellingen met een concreet opleidingsaanbod zijn een stap in de goede richting. Maar we moeten wel waakzaam zijn: de instellingen die met deze aanpassingen schermen, doen dat op zijn minst voor een deel omdat ze flink moeten bezuinigen en daarvoor een model zoeken dat zo min mogelijk weerstand oproept. Verwacht van mij dus niet dat ik automatisch instemmend mijn duim omhoog steek als ik dit soort verhalen hoor.
Gevoelsmatig staat het natuurlijk dichter bij het ideaalplaatje van hoe je onderwijs organiseert. Automatisch denken we bij een ontvlechting van een instelling aan meer menselijke maat, meer contact tussen docenten en studenten, minder bureaucratie en betere interactie met andere belanghebbenden.
Ik wil echter eerst weten welke visie erachter zit, overtuigd worden van de nieuwe koers. In het mbo, op de hogeschool en bij het volwassenenonderwijs begint en eindigt alles in de klas, de werkgroep of de collegezaal: het gaat om goed onderwijs dat wordt verzorgd door docenten die hun vak verstaan. Die contacten onderhouden met de beroepsgroep waarvoor ze opleiden. Een instelling die haar mensen koestert – een fatsoenlijk salaris biedt, een dienstverband aangaat dat perspectief biedt, ruimte geeft voor het eigen inzicht van de docent, tijd vrij maakt voor bij- en nascholing en er voor zorgt dat bijvoorbeeld een docent commerciële economie af en toe op een bank mag rondneuzen, dat is een learning community.
En dan maakt het wellicht ook niet uit of een instelling 500, 5.000 of 15.000 studenten telt. Want managers van kleinschalige instellingen die klassen ‘units’ noemen en afgestudeerden ‘het nettoresultaat’ – ik chargeer – lopen uiteindelijk tegen dezelfde muur op als de voorgangers in hun mega-instellingen.