• blad nr 2
  • 26-1-2013
  • auteur A. van Voorthuijsen 
  • Redactioneel

Elk samenwerkingsverband krijgt een eigen MR  

Meepraten over passend onderwijs


Om passend onderwijs te realiseren, ontstaan overal in het land nieuwe samenwerkingsverbanden van scholen. Bij de oprichting van zo’n grote organisatie komt heel wat kijken. Alleen al het regelen van de medezeggenschap is een proces op zich. “Dat wordt een ingewikkelde operatie.”

Vanaf 1 augustus 2014 zijn scholen verplicht een passende plek te bieden aan leerlingen die extra ondersteuning nodig hebben. Die plek hoeft niet op de school zelf te zijn, maar mag ook op een school in de buurt. Om passend onderwijs te realiseren gaan scholen daarom samenwerken in regionale samenwerkingsverbanden die onlangs door de overheid zijn vastgelegd; circa 75 in het primair onderwijs en 75 in het voortgezet onderwijs. De rugzakfinanciering bestaat straks niet meer: alle middelen gaan naar het samenwerkingsverband dat het geld verdeelt. Elk samenwerkingsverband moet dan ook afspraken maken over hoe je in de regio extra ondersteuning voor een leerling kunt aanvragen en hoe dat georganiseerd en betaald wordt. Deze afspraken worden vastgelegd in een ondersteuningsplan. Om leraren en ouders zeggenschap over het ondersteuningsplan te geven, krijgen de samenwerkingsverbanden een eigen medezeggenschapsraad, de zogeheten ondersteuningsplanraad.

Transparant
Meepraten is belangrijk, vindt leerkracht Jos Nelissen van de Michaelschool in Boxtel. Deze school voor (voortgezet) speciaal onderwijs behoort straks tot een nieuw samenwerkingsverband van 125 scholen in de regio Den Bosch. Nelissen is gmr-voorzitter van Saltho Onderwijs, het bestuur waar de Michaelschool onder valt. Welke rol vervul je als school voor speciaal onderwijs binnen zo’n samenwerkingsverband? Dat is volgens Nelissen de belangrijkste vraag: “Daar wil je als gmr bij betrokken zijn.”
Een stuurgroep van negen bestuurders bereidt het nieuwe samenwerkingsverband voor. Tot nog toe houdt de stuurgroep de betrokken medezeggenschapsraden goed op de hoogte, vindt Nelissen. “We krijgen alles ter kennisgeving doorgestuurd, prettig transparant.”
Op de agenda staat nu de ontwikkeling van een ondersteuningsplanraad (opr) die de medezeggenschap rond het samenwerkingsverband op zich neemt. Nelissen: “Dat wordt een ingewikkelde operatie. Alle 125 scholen moeten het erover eens worden wie daarin gaat zitten en hoe goede communicatie en terugkoppeling met de achterban gegarandeerd kan worden.”
Een klankbordgroep en de stuurgroep zijn in overleg over alles wat bij zo’n oprichtingsfase hoort. Hoe bepaal je wie er in de opr komt? Moet er een verdeelsleutel komen per schoolbestuur? Per aantal leerlingen? Wat spreek je over de stemverhoudingen af? Heeft een groot bestuur meer zeggenschap? Wat is een werkbare omvang voor een opr? Rechtstreekse vertegenwoordiging voor elke mr zal niet gebeuren en dat hoeft ook niet, vindt Jos Nelissen. “In zo’n raad moeten mensen zitten die organisatieoverstijgend kunnen denken, die vanuit het samenwerkingsverband als geheel kijken. Misschien is een bepaald kind beter af op een andere school dan de jouwe. Wij moeten als speciaal onderwijs niet alleen vanuit ons eigen belang kijken. En anderen moeten dat ook niet doen.”

Geen verkiezingsstrijd
Hij verwacht geen hevige verkiezingsstrijd. “Die opr vergadert natuurlijk op een behoorlijk abstract niveau. Maar daar moet instemming komen over het ondersteuningsplan, het niveau waar het geld binnenkomt.” Is hij niet bang dat het speciaal onderwijs, met relatief weinig leerlingen immers, ondergesneeuwd raakt in de ondersteuningsplanraden? Dat hun stem niet wordt gehoord of nauwelijks telt? Nelissen: “Ik ga ervan uit dat we als speciaal onderwijs gewaardeerd worden om onze expertise en onze positie moet natuurlijk gegarandeerd zijn. Elk samenwerkingsverband moet straks zelf beslissen waar de extra middelen naartoe gaan. Het ene verband zal meer naar het reguliere basisonderwijs door willen sluizen, het andere misschien meer naar het speciaal onderwijs.”
Maar minder geld gaat toch ten koste van de formatie? Jos Nelissen rekent op het gezond verstand, blijkt uit zijn woorden. “Je moet er samen uitkomen. Als je zoveel mogelijk kinderen binnen het reguliere onderwijs wilt plaatsen, doe je een extra beroep op je leerkrachten. Als je in een klas van 32 kinderen ook nog eens vier of vijf rugzakjes hebt... dat betekent wel wat voor je team.”

Concentratiestoornis
Over de verwachte stap van ‘de lichte gevallen’ uit het speciaal onderwijs naar de reguliere scholen moet je niet te makkelijk denken, waarschuwt Nelissen. “De klassen worden toch al steeds groter en dan krijgt een leerkracht straks ook nog moeilijkere kinderen bij. Zelfs kinderen die ‘alleen maar’ een concentratiestoornis hebben; dat vraagt al veel van de leerkracht. Wij zetten dan een wekker: 1 minuut moeten ze aan een som werken, en daarna mogen ze weer even wat anders. Dat gaat niet in een grote klas.”
Natuurlijk moet elke school zoeken naar passende oplossingen en hij verwacht daar veel creativiteit. “Misschien komen er speciale klassen binnen het reguliere onderwijs. En er kan natuurlijk veel gebeuren met de inzet van onderwijsassistenten en ambulante begeleiders.”
“Zo’n verschuiving betekent automatisch dat de overblijvende problematiek binnen het speciaal onderwijs ook zwaarder wordt”, vervolgt Nelissen. “Daar zie ik wel een probleem.” Hij gaat uit van ‘realistische keuzes’ bij het maken van het ondersteuningsplan. “Het gaat erom dat elk kind straks op de juiste plek komt. Het reguliere basisonderwijs stuurde kinderen misschien weleens te makkelijk met het busje mee. Nu moeten ze het toch beter afwegen: is het niet beter voor een kind om in de eigen buurt te blijven, wat kunnen extra onderwijsassistenten en ambulante begeleiders betekenen?”

Allround of specialiseren?
Een belangrijke informatiebron voor het samenwerkingsverband is het schoolondersteuningsprofiel dat elke school straks verplicht is op te stellen. In dit profiel geeft een school de mogelijkheden, grenzen en ambities aan in het bieden van aanvullende ondersteuning. De rol van de mr is essentieel. Nelissen: “Wat is je expertise op schoolniveau? Wat kan en wil je als team bieden aan extra ondersteuning? Als mr moet je serieus met je directeur om tafel: moet je als school allround willen zijn of je specialiseren? Wat mag je van een leerkracht verwachten in een klas met 25 leerlingen en een aantal rugzakjes? Je moet het straks met z’n allen gaan doen, en daar horen goede afspraken bij, bijvoorbeeld over de noodzaak van scholing en over taakbeleid.”
Er is nog wel even tijd, maar er is ook nog veel onduidelijk, zeker wat betreft de medezeggenschap. “Het draait er bij de ondersteuningsplanraad om dat je het vertrouwen hebt van je hele achterban, maar dat kunnen wel dertig medezeggenschapsraden zijn. Hoe communiceer je daar als raad mee en welke middelen krijgt je daarvoor? Dat wordt puzzelen.”

[Kader 1:]
Steunpunt op komst
In een steunpunt medezeggenschap passend onderwijs gaan alle onderwijsbonden, ouderverenigingen en de PO- en VO-raad samenwerken. Er komen handreikingen, modellen, checklists en voorlichtingsbijeenkomsten. Het eerste advies: begin met een voorlopige ondersteuningsplanraad (vopr) die met het bestuur van het samenwerkingsverband afspraken maakt over het nieuwe medezeggenschapsreglement. Dat regelt de definitieve samenstelling van de raad en de verkiezingen. Het steunpunt komt nog met handreikingen over de faciliteiten voor de opr en het contact met de achterban.
Zie voor meer informatie: www.passendonderwijs.nl

[Kader 2:]
‘Leerkracht praat nergens mee. Zorgelijk.’
Harmien Ypma werkt in het speciaal basisonderwijs, op sbo Universum in Amsterdam en zit zowel in de mr als in de gmr van stichting Openbaar Onderwijs Amsterdam-noord. “We worden op de hoogte gehouden van de voortgang bij ons samenwerkingsverband, we krijgen als gmr de stukken, maar ik heb er toch een beetje een dubbel gevoel over. De werkvloer wordt er niet echt bij betrokken, het speelt zich allemaal erg op bestuursniveau af. Ik zie nergens dat er een leerkracht mee praat, dat vind ik zorgelijk. Straks wordt er van alles beslist, en hoor je het als leerkracht als laatste.”
“Ik vind het belangrijk dat we dicht bij het vuur zitten. Er is wel afgesproken dat er iemand uit het speciaal onderwijs in de opr komt, het idee is nu dat die uit vijf leerkrachten en vijf ouders bestaat, uit verschillende besturen. Ik zou zelf wel in de opr willen, maar dat is afhankelijk van hoe het gefaciliteerd wordt. Je zit er straks namens meerdere scholen en die moet je informeren, daar moet je dan wel de tijd voor krijgen, je wilt het toch goed doen.”
“Passend onderwijs biedt ons kansen: als sbo-school kunnen we onze kennis meer naar buiten brengen, zodat andere scholen bij ons terechtkunnen en we onze kennis meer delen dan we nu doen. Daarnaast verwacht ik dat we straks met zwaardere problematiek te maken krijgen, dat we meer cluster 3 en 4-kinderen op onze school krijgen. De plekken op het sbo zijn goedkoper dan op het speciaal onderwijs. Dan moeten we straks met minder middelen moeilijker leerlingen begeleiden, en onze groepen zijn met vijftien toch een stuk groter dan gemiddeld acht in het speciaal onderwijs.”
“Je merkt dat er door de veranderingen goede inhoudelijke gesprekken ontstaan op school: hoe ziet ons ondersteuningsprofiel eruit? Welke kinderen kunnen we goed opvangen, welke expertise hebben we in huis en hoe kunnen de kinderen hiervan profiteren, wat betekent de ‘s’ van sbo? Dat vind ik positief.”


Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.