• blad nr 20
  • 15-12-2012
  • auteur Y. van de Meent 
  • Redactioneel

Vijf misvattingen over sekse en schoolprestaties 

De waarheid over jongens

Jongens zijn het slachtoffer van de vervrouwelijking van het onderwijs, van hun traag rijpende brein of van het studiehuis. Deze populaire opvattingen over sekse en schoolprestaties kunnen de prullenmand in. Ze zijn gebaseerd op achterhaalde theorieën over de werking van het puberbrein, mythes over het gedrag van vrouwelijke leerkrachten en verkeerde interpretaties van cijfers. “Jongensdrama? Dit is de successtory van de meisjes.”

Het jongensprobleem kwam begin deze eeuw overwaaien uit de VS waar al langer een verhitte discussie woedde over de vermeende kwalijke gevolgen van de feminisering van het onderwijs. Door het afnemen van het aantal mannen voor de klas zou het jongens aan rolmodellen ontbreken. Met negatieve gevolgen voor hun leergedrag en schoolprestaties.
Die opvatting schoot snel wortel in Nederland. Uit een enquête die het Onderwijsblad in 2004 uitvoerde, bleek dat meer dan de helft van de leerkrachten in het basisonderwijs de feminisering een gevaar vond voor de onderwijskwaliteit. Toen het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) drie jaar later cijfers publiceerde waaruit duidelijk werd dat meisjes hun onderwijsachterstand hadden omgezet in een voorsprong, werd het jongensprobleem al snel een jongensdrama.
Sinds halverwege de jaren negentig zijn meisjes in de meerderheid op het havo, vwo en in het hoger onderwijs, toonden de CBS-cijfers. En toen was Leiden in last. Want achter die passeerbeweging van meisjes moeten onderpresterende jongens schuilgaan. Meiden zijn tenslotte niet ineens een stuk slimmer geworden dan jongens.
De verklaringen voor het jongensdrama dat zich aan het voltrekken was, buitelden al snel over elkaar heen. Jongens zijn niet alleen het slachtoffer van de vervrouwelijking van het onderwijspersoneel, maar volgens neuropsychologen ook van hun tragere hersenontwikkeling, waardoor ze slechter kunnen plannen dan meiden. Ook het studiehuis werd meteen tot een van de boosdoeners gebombardeerd. Door de nadruk op vaardigheden als zelfstandig informatie verzamelen, samenwerken en communiceren zouden meisjes er in het voordeel zijn.
Empirisch bewijs voor deze populaire opvattingen was er niet. Uit onderzoek dat de laatste twee jaar is gepubliceerd wordt langzamerhand duidelijk dat het bewijs ook niet te leveren is. Het jongensdrama blijkt te berusten op verkeerde interpretatie van cijfers, iets te simpele theorieën over het puberbrein, mythes over het gedrag van vrouwelijke leerkrachten en het opblazen van kleine verschillen tussen de seksen. Het Onderwijsblad rekent af met vijf hardnekkige misvattingen over sekseverschillen en schoolsucces.

{als streamer o.i.d}
@C1:1. De schoolprestaties van jongens hollen achteruit
In het basisonderwijs gaan de prestaties van jongens en meisjes gelijk op, blijkt uit onderzoek dat het Nijmeegse ITS in 2010 uitvoerde. Meisjes presteren beter bij taal en lezen en jongens bij rekenen en wiskunde, maar op de Cito-eindtoets houden de scores elkaar in evenwicht. Jongens en meisjes stromen ook in gelijke verhoudingen door naar vmbo-, havo- en vwo-brugklassen. De sekseverschillen ontstaan dus in het voortgezet onderwijs. Daar zouden de prestaties van jongens een duikvlucht nemen.
Die veronderstelling klopt niet, stelt Karin Bügel. “Het gaat in het voortgezet onderwijs niet steeds slechter met jongens.” Samen met twee Cito-collega’s analyseerde ze vorig jaar de eindexamenresultaten tot en met 2010. De publicatie laat zien dat de prestaties van jongens niet in een neerwaartse spiraal zitten.
De eindexamencijfers van jongens zijn al jaren constant en verschillen nauwelijks van de scores van meisjes. Jongens halen hogere cijfers bij economie, Engels en exacte vakken, meisjes scoren hoger bij Nederlands, Latijn en Grieks. Maar het gemiddelde eindexamencijfer van jongens en meisjes verschilt nauwelijks. Het ene jaar scoren jongens wat beter, het andere jaar de meiden. Ook zijn er nauwelijks verschillen tussen percentages geslaagde jongens en meisjes.
De schoolloopbanen van jongens steken wel ongunstig af. Jongens blijven vaker zitten, stromen vaker af naar een lager onderwijsniveau en vallen vaker uit. “Maar het gaat om kleine verschillen die er bovendien altijd zijn geweest”, stelt Bügel. “Het was vroeger alleen niet zo zichtbaar omdat meisjes toen nog ondervertegenwoordigd waren in de hogere onderwijstypes.”
De deelname van meisjes aan havo en vwo is spectaculair gestegen. In 1970 was nog maar 30 procent van de eindexamenkandidaten vrouw, in 1998 waren er voor het eerst meer meisjes. In 2010 waren de meiden met 55 procent flink oververtegenwoordigd in de vwo-eindexamenklassen. Maar daaruit mag je niet afleiden dat het met de schoolloopbanen van jongens ineens veel slechter gaat. “De deelname van jongens aan het vwo stijgt ook, alleen niet zo hard als de deelname van meisjes”, legt Bügel uit. “We hebben dus niet te maken met een jongensdrama, dit is gewoon de successtory van meisjes.”
De relatief ongunstige schoolloopbaan van jongens vindt Bügel een non-probleem. “Jongens halen wel minder vaak een diploma in het hoger onderwijs, maar ze verdienen nog altijd significant meer en mannen bezetten nog steeds bijna alle topposities.” Het uitvergroten van de kleine verschillen leidt volgens Bügel tot enorme stereotypering van jongensgedrag. “Alsof die allemaal van competitie en sport houden. Daarom stel ik voor dat we ons gaan bezighouden met groepen leerlingen die echt onderpresteren. Dyslectici bijvoorbeeld.”

@C1:2. Hersenen van jongens rijpen langzamer
Pubers kunnen niet plannen en zijn impulsief omdat hun brein nog niet af is. De prefrontale cortex, het hersendeel achter het voorhoofd dat een rol speelt bij planning en impulscontrole, is nog volop in ontwikkeling. Bij jongens verloopt de rijping bovendien trager, de jongenshersenen lopen twee jaar achter op het meisjesbrein. Daarmee lijkt de wat moeizamere schoolloopbaan van jongens voor een deel verklaard: hun brein is later rijp.
Dat is iets te simpel, stelt de Leidse hoogleraar neuropsychologie Eveline Crone in een publicatie die in september in het wetenschappelijk tijdschrift Nature verscheen. Jongeren kunnen hun prefrontale cortex best gebruiken, als ze maar gemotiveerd zijn, blijkt uit de 150 onderzoeken die Crone samen met een Amerikaanse collega op een rij heeft gezet.
“Hoewel de prefrontale cortex bij pubers nog in ontwikkeling is, kunnen ze hem net zo goed gebruiken als volwassenen”, zegt Jiska Peper, senior-onderzoeker bij het Brain and Development Lab van Eveline Crone. Als er maar een beloning in het vooruitzicht wordt gesteld. “Dat zien we althans in de hersenscanners als we ze een spelletje laten doen waarmee je geld kunt verdienen.”
Jongens zijn extra gevoelig voor beloning, weet Peper die onderzoek doet naar de invloed van geslachtshormonen op de hersenen. Testosteron, het geslachtshormoon dat jongens in veel grotere hoeveelheden in hun bloed hebben dan meisjes, heeft invloed op het striatum, het emotionele systeem diep in de hersenen dat pleziergevoel veroorzaakt. Dat overgevoelige beloningscentrum kan de rationele afwegingen die in de prefrontale cortex gemaakt moeten worden verstoren, waardoor jongens onverantwoorde risico’s nemen. Maar dat hoeft niet, stelt Peper. “Jongens kunnen zich ook helemaal in iets vastbijten, creatief zijn en kansen grijpen. Dat is helemaal afhankelijk van de opvoeding en de omstandigheden. Bij de ene jongen leidt een hoge testosteronspiegel tot schooluitval, de andere stijgt juist tot grote hoogte.”
Het goede nieuws voor het onderwijs is dat de prefrontale cortex niet zozeer onrijp is, maar flexibel. Dat betekent dat er bij pubers nog heel wat te leren valt als het om plannen en impulscontrole gaat. Docenten zullen alleen de juiste beloningsprikkels moeten zien te vinden. Vooral bij jongens. “Cijfers zijn voor veel jongens waarschijnlijk niet motiverend genoeg”, vermoedt Peper. “Misschien moet je denken aan beloningen die hun sociale status in de groep vergroten. Want daar zijn jongens door hun overactieve striatum extra gevoelig voor.”

@C1:3. Het studiehuis is een hindernisbaan voor jongens
De onderwijsvernieuwingen van de laatste twintig jaar hebben meisjes bevoordeeld. Werkstukken maken, spreekbeurten houden, in groepjes samenwerken, zelfstandig leren: allemaal vaardigheden die meisjes beter liggen. En die vaardigheden staan centraal in het studiehuis, het didactische model dat zijn intrede deed in 1998, bij de invoering van de vernieuwde tweede fase. Het studiehuis heeft jongens op achterstand gezet.
Los van het feit dat de inhaalslag van meisjes in 1998 al bijna voltooid was, klopt deze stelling niet, stelt Christoph Meng, senior-onderzoeker bij het Researchcentrum voor onderwijs en arbeidsmarkt (ROA) van de Universiteit Maastricht. Het ROA publiceerde vorig jaar een studie naar de effecten van het studiehuis op jongens en meisjes. “Daarbij hebben we gekeken naar vaardigheden als zelfstandig werken, studieplanning en informatie verzamelen en verwerken. Voor de invoering van het studiehuis scoorden meisjes daar al beter op dan jongens, dat klopt. Maar na de invoering schatten zowel jongens als meisjes hun vaardigheden op deze terreinen hoger in, alleen stijgt het niveau bij meisjes sneller.” Meisjes profiteren dus meer van de nieuwe studieomgeving, maar jongens zijn zeker niet het slachtoffer van het studiehuis, concludeert Meng. “De meeste jongens zijn ook vooruitgegaan.”
Het jongensprobleem moet niet groter gemaakt worden dan het is, vindt Meng. “Tussen jongens onderling zijn de verschillen groter dan die tussen jongens en meisjes. Er is een kleine groep leerlingen (jongens én meisjes) die niet uit de voeten kan met het studiehuis. Het lijkt me belangrijker om uit te zoeken wie dat zijn, dan je blind te staren op de kleine sekseverschillen.”

@C1:4. Jongens missen mannen voor de klas
De feminisering van het onderwijs is funest voor de schoolloopbaan van jongens. Vrouwen belonen meisjesgedrag als stilzitten en rustig samenwerken. Jongensgedrag als bewegen en experimenteren straffen de juffen af. Met als gevolg dat jongens gedragsproblemen gaan vertonen. Dat bevordert de leerprestaties natuurlijk niet.
Onderzoek van het ITS uit 2004 liet al zien dat deze populaire opvatting niet met cijfers valt te onderbouwen. Het Nijmeegse onderzoeksinstituut beschikt over een databestand waarin de leerprestaties van 60.000 leerlingen van 600 basisscholen worden bijgehouden. Uitgebreide analyses van die data toonden aan dat het noch voor jongens noch voor meisjes uitmaakt of er een man of vrouw voor de klas staat. Het geslacht van de leerkracht heeft geen enkel effect op prestaties, houding en gedrag van leerlingen.
“Er worden veel theoretische verklaringen aangedragen voor sekseverschillen in leerprestaties, maar het empirische bewijs daarvoor ontbreekt meestal”, verklaart Irma Heemskerk, senior-onderzoeker bij het Kohnstamm Instituut van de Universiteit van Amsterdam. Dit voorjaar verscheen de Kohnstamm-studie naar ‘succesvolle onderwijsaanpakken voor jongens in het vo’. Heemskerk en haar collega’s spitten daarvoor de recente wetenschappelijke literatuur door. “Wat je tegenkomt zijn kleine casestudies, die je niet kunt generaliseren. Dat geldt ook voor de feminisering. Dat jongens baat hebben bij meer mannen voor de klas is niet bewezen.”
Sterker nog, er zijn juist aanwijzingen voor het tegendeel. Heemskerk wijst op een studie van Helma Koomen (UvA) en Jantine Spilt (VU) die onderzoek doen naar de kwaliteit van leraar-leerlingrelaties. Uit een publicatie die deze zomer in Journal of School Psychology verscheen blijkt dat vrouwelijke leraren een betere relatie hebben met hun leerlingen. Zowel met meisjes als jongens hebben zij een hechtere band en minder conflicten. “Bij dit onderzoek zijn alleen leraren ondervraagd en je moet natuurlijk ook weten hoe leerlingen de relatie waarderen”, waarschuwt Heemskerk. “Maar het is wel een sterke aanwijzing dat meer mannen voor de klas geen oplossing is voor jongensproblemen.”

@C1:5. Jongens leren anders
Jongens kunnen niet stilzitten, zij leren door te doen, hebben behoefte aan competitie en zijn supergevoelig voor groepsdruk. Daarom leren ze anders dan meisjes, die consciëntieus en gedisciplineerd zijn. Of het nu komt door biologische verschillen of aangeleerd gedrag, jongens hebben een andere leerstijl. Daarom zou het goed zijn om jongens en meisjes af en toe apart les te geven, opperde Wim Kuiper van de Besturenraad een jaar geleden. Dat idee vond weerklank. Het Kohnstamm Instituut en het APS kregen van het ministerie van Onderwijs de opdracht uit te zoeken in welk leerklimaat jongens het best gedijen.
Experimenten met aparte jongensklassen komen er niet. “Naar seksescheiding in het onderwijs is redelijk wat onderzoek gedaan”, vertelt Irma Heemskerk. “Daaruit blijkt dat het juist niet werkt voor jongens, terwijl meisjes er soms van profiteren. In een jongensklas heb je meer machtsvertoon. Daar wordt de pikorde onder jongens nog belangrijker. Wat het lesgeven ook bemoeilijkt. Meisjes brengen juist meer rust in de klas.”
Het Kohnstamm Instituut bracht in kaart wat wel werkt voor jongens. De onderzoekers selecteerden daarvoor dertien scholen (vwo, havo en vmbo-t) die bovengemiddeld goede resultaten boeken met jongens. Die scholen blijken hun onderwijs niet speciaal ‘jongensvriendelijk’ te hebben ingericht. Daar moet je ook mee oppassen, vindt Heemskerk. Het uitvergroten van kleine sekseverschillen kan leiden tot het versterken van stereotiep jongens- en meisjesgedrag. “Bovendien loop je het risico dat je meisjes weer benadeelt.”
De belangrijkste kenmerken van een succesvolle jongensaanpak zijn, volgens Heemskerk, “keuzemogelijkheden creëren, differentiëren en variëren zodat je maatwerk kunt bieden. Jongens hebben misschien meer behoefte aan uitdaging en meisjes zijn gemiddeld genomen wat afwachtender. Maar er zijn ook meisjes die van competitie houden en jongens die bij de hand genomen willen worden. Je moet beide aanpakken aanbieden. Daarmee haal je leerlingen ook uit hun comfortzone en dan leren ze meer.”
Op de dertien scholen die goede resultaten boeken met jongens, blijken meisjes ook bovengemiddeld goed te presteren. Op sommige scholen doen de meisjes het zelfs beter dan de jongens. Meisjes profiteren dus ook van de ‘jongensaanpak’. Dat klopt, zegt Heemskerk. “Ik denk dat er in Nederland geen scholen zijn te vinden waar jongens het goed doen en meisjes achterblijven. We zijn er door het onderzoek achtergekomen dat goed onderwijs voor jongens gewoon goed onderwijs is.”

Dit bericht delen:

© 2020 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.