- blad nr 21
- 1-12-2001
- auteur . Lachesis
- Column
Karakter
Er zijn zaken waar je als leerkracht geen greep op hebt. Het karakter van een groep is zo'n zaak. De groep eerstejaars die ik vorig jaar had, was bijvoorbeeld bereid om veel van mij aan te nemen maar nooit zonder slag of stoot. "Is dat zo?", kaatsten zij telkenmale terug als ik iets beweerde. "Maar hoe zit het dan met ... en met ...?" Hele levendige gesprekken kwamen daar uit voort. Soms zaten we met ons allen op het puntje van de stoel. Deze groep levert die slag of stoot niet. Als ik iets beweer dan is dat kennelijk zo. Ze knikken aandachtig of stellen een vraag te verduidelijking. Zelf raak ik nogal eens van mijn apropos van deze vriendelijke instemming. Het gevaar is groot dat ik maar wat aan het orakelen sla. Deze groep wil graag van mij horen hoe een mens in de regel lesgeeft en voor ik het weet, werp ik mij op als Grote Roergangster.
Soms kom ik een groep tegen waar het niet mee klikt. Een soort onverenigbaarheid van karakters. Het overkwam mij op de basisschool twee keer. Beide keren ging het om een groep zes. De eerste keer heerste er in de betreffende groep een ongrijpbare, harde en chaotische sfeer. Elke schooldag bestond uit een aaneenschakeling van akkefietjes, treiterijtjes en gedoe. Ik probeerde door het bieden van een duidelijke en strakke structuur de leerlingen door de leerstof te loodsen. Dat lukte heel behoorlijk maar ik ging zelf een beetje dood. De tweede keer handelde het om een groep waar precies het omgekeerde plaatsvond. Het was er levenloos en saai. Er was weinig of niets dat tot hun verbeelding sprak. Geschiedenis, aardrijkskunde, gymnastiek, vakken die in iedere groep zes tot veel enthousiasme leiden, het interesseerde hen amper.
Regelmatig had ik het gevoel dat ik alleen mijzelf maar wat stond bezig te houden als ik enthousiast over de Romeinen of de deltawerken verhaalde. Op het laatst hield ik de instructie zo kort en zakelijk mogelijk en zette hen daarna aan het werk. Werken wilden ze namelijk wel. Het was een klas waar bijna onnatuurlijk stil en onnatuurlijk hard gewerkt werd. Ik had een makkelijk jaar, maar genoot geen moment. Natuurlijk zaten er in beide klassen kinderen die geen kenmerken van deze groepssfeer hadden. Zij leidden een net zo treurig leven als ik. Alle inspanningen van hun kant en alle inspanningen van mijn kant hadden geen noemenswaardige invloed op de rest van de klas. Wij vormden een enclave. De anderen gingen rustig door met hun eigen dingen. Er was in beide groepen iets waar ik niet bij kon. Vorig schooljaar had ik een groep waar iedere collega tot dan toe stapelgek van geworden was. Al snel bleek dat ze groot gelijk hadden. Nimmer trof ik zo'n gezelschap impulsieve, chaotische, lawaaierige kinderen. De meeste leerlingen waren niet in staat zich ook maar een moment te concentreren. Telkens zagen zij iets dat collectief hun aandacht wegtrok van de les. Hun resultaten waren dan ook vaak bedroevend. Elke vraag leidde tot een woud van vingers en een keur aan foute, malle, verwarde antwoorden. Als mijn collega en ik gewild hadden, hadden we een stapel handelingsprogramma's kunnen schrijven tot aan het plafond. Maar wat heb ik een lol gehad met dat stel. Wat was het plezierig om verhalen aan ze te vertellen, toneel met ze te spelen, liedjes met ze te zingen, landkaarten met ze te bestuderen, werkstukken met ze te maken, decors met ze te schilderen. Ze hadden dan misschien weinig kaas gegeten van rekenen en taal, maar van hoe je leven moet wisten alles.