- blad nr 21
- 1-12-2001
- auteur . Overige
- Redactioneel
De Zweedse strijd tegen de achterstanden
"Wat is DNA?", vraagt lerares Bitte Fried van de Rinkebyschool in Stockholm aan haar leerlingen, die tussen de twaalf en veertien jaar oud zijn. Ze schrijft de letters groot op het bord. In de klas lijkt geen van de leerlingen op te kijken. Said, een Somalische jongen, legt vermoeid het hoofd op zijn tafel, terwijl Anna, van Zweedse afkomst, verveeld aan haar paardenstaart plukt. Achter in het lokaal steekt Mustafa uit Turkije zijn vinger op. "Als je mijn haar naast die van Anna legt, zie je dat er een verschil is", meldt hij trots. "Onze DNA's zijn verschillend." De lerares lacht; hij kan met het antwoord wegkomen.
Het merendeel van de leerlingen in Frieds klas is van buitenlandse afkomst. Ze komen onder andere uit Afghanistan, Turkije en Somalië. Een aantal van hen zijn langzame leerlingen, die lijden aan concentratiestoornissen en een lage intelligentie, anderen hebben een taalachterstand opgelopen. Neem Said. "Toen hij hier vier jaar geleden arriveerde, kon hij niet eens lopen", vertelt Fried. "Laat staan goed praten."
Veel van Frieds leerlingen komen bovendien uit oorlogsgebieden. Met alle traumatische gevolgen van dien. Zo heeft Achmed gezien hoe zijn vader vermoord werd door Talibanstrijders in Afghanistan. In de klas oogt hij gespannen. "Concentratieproblemen", meent Fried.
Op de Rinkebyschool is negentig procent van de in totaal 450 leerlingen allochtoon. De school is gehuisvest in een wijk waar bijna honderd verschillende nationaliteiten samenleven. Zweden zijn er een uitzondering, de werkloosheid is er hoog en criminaliteit tiert er welig. Voor veel jongeren is een goede opleiding de enige manier om uit de wijk te ontsnappen. Om de jongeren een rooskleuriger toekomst in het vooruitzicht te stellen, heeft de basisschool een beleid ontwikkeld dat de onderwijsachterstanden moet wegwerken. Zo starten de leerlingen er al op driejarige leeftijd met taalonderwijs en krijgt bovendien het merendeel van deze leerlingen voldoende aanvullende ondersteuning in hun eigen moedertaal. Dat heeft voor een groot deel van de scholieren succes gehad. Zij behalen goede resultaten, hebben hun taalachterstand in sommige gevallen zelfs omgezet in een voorsprong en stromen succesvol door naar het voortgezet onderwijs.
Machteloos
Maar volgens Bitte Fried is er op de Rinkebyschool nog steeds een grote groep aanwezig die extra zorg nodig heeft. "Er zijn hier veel kinderen die het risico lopen vroegtijdige schoolverlaters te worden." Volgens de lerares heeft dat vooral te maken met het sociale milieu waarin deze jongeren opgegroeid zijn. "We hebben hier bijvoorbeeld een grote groep Somalische leerlingen die over het algemeen achterblijft. Hun ouders hebben veelal zelf geen onderwijs genoten en zitten vaak zonder werk. Kinderen moeten soms meehelpen om geld binnen te krijgen en het nut van onderwijs wordt vaak niet gezien." "Dat zie je ook bij de Roma-kinderen", vervolgt ze. "Ik heb in deze klas een zigeunerjongen die er vaker niet is dan wel. De reden: zijn ouders houden hem thuis. Als school sta je dan machteloos. Familietradities zijn vaak moeilijk te doorbreken."
Van gelijke kansen in het onderwijs die de overheid beoogt te bieden aan alle leerlingen, ongeacht afkomst en sociale en economische omstandigheden, blijkt in Zweden weinig sprake. Door de verregaande decentralisatie van het onderwijs mist de overheid bovendien het overzicht over de problematiek. In Zweden zorgt de lokale overheid voor onderwijs en kinderopvang. "De gemeente besluit dus in principe of zij extra geld wil besteden aan de zorg voor risicoleerlingen", meent Mikael Landström van het ministerie van Onderwijs. "Op nationaal niveau hebben we zodoende niet een duidelijk beeld hoeveel geld er precies wordt besteed aan het wegnemen van de knelpunten in de achterstandsbestrijding."
Daar komt nog eens bij dat een succesvolle achterstandsbestrijding niet alleen valt of staat met de juiste investeringen, maar dat ook de economische situatie van een land, het sociale verleden van de leerling en integratieproblemen een rol spelen. Dit leidt tot verwarrende berichten in de media, waarin enerzijds de noodklok wordt geluid over de achterstanden van allochtonen, maar waarin anderzijds dat beeld weer wordt ondergraven door te stellen dat het allemaal wel meevalt. Volgens Maij Beijer, werkzaam bij de Skolverket (een nationaal orgaan dat toezicht houdt op de kwaliteit van het Zweedse onderwijs), valt echter voor beide zienswijzen wat te zeggen. "Als je puur kijkt naar de resultaten van de allochtone leerling, dan zijn die over het algemeen minder goed dan van een autochtone. Maar als je in de beoordeling betrekt dat veel immigrantenleerlingen een traumatische jeugd hebben gehad met weinig mogelijkheden, dan kun je concluderen dat ze het zo slecht nog niet doen."
Volgens Mikael Landström van het Zweedse ministerie van Onderwijs is het overduidelijk dat er nog een lange weg is te gaan om alle onderwijsachterstanden bij de allochtonen weg te werken. "Vooral de slechte toegankelijkheid van het onderwijs in de moedertaal van allochtone leerling en het gebrek aan leraren in dat specifieke gebied baren ons zorgen."
Broodnodig
Een goede tweetalige ontwikkeling is volgens de Zweden een belangrijk wapen in de strijd tegen de achterstanden. Onder het mom 'liever een goede tweetalige leerling, dan een slecht sprekende Zweedse' is in de wet vastgelegd dat allochtone leerlingen die niet het Zweeds als moedertaal hebben, recht hebben op aanvullend onderwijs in hun eigen taal. Een grote verantwoordelijkheid daarvoor ligt bij de scholen, die jaarlijks verplicht zijn te inventariseren welke taal kinderen thuis spreken en welke wensen de ouders daarin hebben. Volgens Kristian Söderström, expert in de problematiek rond immigranten in de middelgrote stad Norrköping in het zuiden van Zweden, lijken tweetalige leraren echter de dupe te worden van de mogelijkheid van scholen om eigen accenten te leggen in hun beleid. "Op de Rinkebyschool wordt het nut van deze leraren wel gezien, maar andere scholen hebben de inzet van tweetalige leraren minder hoog op hun agenda staan." Volgens Söderström zijn de tweetalige leraren echter broodnodig om te vermijden dat leerlingen al op vroege leeftijd een achterstand oplopen. "Veel leerlingen kunnen de vakken in het Zweeds niet volgen", meent hij. "De overheid denkt dat op te lossen door de net gearriveerde allochtone scholieren een voorbereidend jaar aan te bieden waarin ze les krijgen in de basisvakken. Daarna worden ze echter in een Zweedse klas gestopt met een Zweedse leraar. Al snel ondervinden de meeste leerlingen problemen met de taal, die zij nog lang niet onder de knie hebben en daardoor missen zij belangrijke informatie in de andere vakken. Bovendien gaat de kwaliteit van de gehele klas achteruit, omdat de docent genoodzaakt is zich te verlagen tot het niveau van deze leerlingen. Aanvullend tweetalig onderwijs op jonge leeftijd kan veel van deze problemen wegnemen."
Die gedachte vindt echter weinig voedingsbodem bij directeuren die vinden dat je een allochtone leerling het beste direct voor de leeuwen kunt gooien door hem alleen onderwijs aan te bieden in de Zweedse taal. Bovendien wordt er nog wel eens getwijfeld aan de kwaliteit van de tweetalige leraren. Onterecht, meent Söderström. "In de jaren tachtig kwam het nog wel eens voor dat deze leraren bijvoorbeeld slecht Zweeds spraken, maar tegenwoordig wordt de kwaliteit van deze leraren nauwlettend in de gaten gehouden." Maar het belangrijkste argument voor de geringe inzet van de tweetalige docenten is volgens Söderström geld. "Scholen verkiezen Zweedse leraren boven tweetalige omdat deze goedkoper zijn."
Om die goedkopere krachten te vinden, moet de overheid echter ook in Zweden grondig op zoek gaan, want leraren zijn schaars en het tekort zwelt ieder jaar verder aan. Als noodoplossing maken scholen veelvuldig gebruik van onbevoegden, maar dat lijkt de kwaliteit van het onderwijs niet altijd ten goede te komen. Inmiddels is door het lerarentekort het aantal leerlingen per leraar de laatste tien jaar gestaag toegenomen: van 10,5 in 1990/1991 naar 13,2 in 1999/2000 en verwacht wordt dat dat aantal de komende jaren alleen maar verder zal stijgen.
Veel extra leraren - Zweedse en tweetalige- zijn nodig voor de ondersteuning van de leerling op jonge leeftijd. In Zweden bestaat het voorbereidend onderwijs, een combinatie van kinderopvang en educatie. In 1999 volgde 64% procent van de kinderen in de leeftijd van een tot vijf jaar deze onderwijsvorm. Sinds 1998 is er ook de mogelijkheid om onderwijs te volgen op zesjarige leeftijd, een jaar voordat de kinderen leerplichtig worden. Dit jaar is vrijwillig en dient als voorbereiding op de basisschool. "Een goed initiatief", meent Söderström, "maar de mogelijkheid voor allochtone leerlingen om hier tweetalig onderwijs te volgen, is niet vastgelegd in de wet. Zodoende worden eventuele achterstanden in mijn opinie door deze mogelijkheid nog niet voldoende weggewerkt."
Trauma
Voor- en naschoolse opvang in de vorm van voorbereidende klassen, dagverblijven en vrijetijdscentra maken sinds jaar en dag een integraal onderdeel uit van het Zweedse achterstandsbeleid. De gedachte daarachter is dat het onderwijs niet ophoudt als de lessen op school eindigen. School en opvang werken nauw samen, zoals blijkt uit de opvang op een basisschool in Borgarmossen, een buitenwijk van Stockholm. In totaal maken er vijftig kinderen gebruik van, waaronder een groot aantal immigrantenkinderen. "Ze komen hier al om zeven uur 's ochtends", vertelt de pedagogische begeleidster Mauela Cobos. "Dat is een uur voordat de lessen beginnen. Het onderwijs wordt gegeven in dezelfde ruimte. Als om half twee dan de gong gaat, wat inhoudt dat de lessen erop zitten en de opvang begint, blijven ze gewoon in dezelfde ruimte zitten."
Veel kinderen op deze basisschool hebben in het verleden een trauma opgelopen. "Ze hebben bijvoorbeeld een oorlog meegemaakt en hebben daardoor extra zorg nodig." Probleem is dat die zorg niet altijd gegeven kan worden omdat ook de kinderopvang met een tekort aan begeleiders te maken heeft. "We zijn hier in totaal met twee fulltime begeleiders en dat is niet genoeg om iedereen dezelfde aandacht te geven", aldus Cobos.
Ook de Rinkebyschool kent een naschoolse opvang. Op nog geen steenworp afstand van de school is een vrijetijdscentrum ingericht dat 24 uur per dag en 365 dagen per jaar geopend is. Zelfs met de Kerst kunnen scholieren er terecht. Op de Rinkebyschool zijn er in principe voldoende begeleiders, vertelt lerares Fried. "Maar hier kampen we met het probleem van toenemende segregatie. Veel kinderen klagen dat ze geen Zweedse kinderen tegenkomen. Op die manier blijven ze gevangen in hun eigen sociale web en dat heeft taalachterstanden tot gevolg. Omdat ze geen Zweeds om zich heen horen, leren ze de taal weliswaar in theorie, maar missen ze de praktische uitwerking ervan."
Zweedse kinderen zijn op Rinkebyschool ruim in de minderheid, ook leerlingen van buiten de wijk hebben de weg naar school nog niet gevonden. Het gebrek aan autochtone leerlingen die niet uit sociaal zwakke milieus komen, is volgens Fried ongunstig. "Het is te hopen dat deze kinderen er op den duur wel komen. Je kunt een kind namelijk nog zo goed opleiden, het nog zo'n goede bagage meegeven, maar als blijkt dat ze daarna in een vreemde wereld stappen, lijkt al het werk voor niets te zijn geweest."