• blad nr 19
  • 1-12-2012
  • auteur M. van Nieuwstadt 
  • Redactioneel

Effect voorschool is twijfelachtig 

Certificerinkjes en cursusjes helpen niet

De voorschool loont, leert internationaal onderzoek. Mits het onderwijs aan nul- tot vierjarigen van heel goede kwaliteit is. En dat is in Nederland vaak niet het geval. Leidsters zijn onvoldoende opgeleid. Volgsystemen deugen niet. Gemeenten nemen het wegwerken van de taalachterstanden niet serieus genoeg.

Het lijkt zo mooi. Kinderen met een taalachterstand die op jonge leeftijd een voorschool bezoeken, hebben daar later veel profijt van. Volgens Nobelprijswinnaar James Heckman behoren investeringen in de vroeg- en voorschoolse educatie (vve) zelfs tot de beste die een overheid kan doen: elke geďnvesteerde euro levert het achtvoudige op aan arbeidsproductiviteit, lagere uitkeringen en besparing op gezondheidszorg.
Onlangs nog bleek uit een Europese vergelijking dat het succes van Franse en Zweedse migrantenkinderen op school verklaarbaar is uit het grote aantal uren dat zij doorbrengen op een voorschool – zeker in vergelijking met Nederland. Cruciaal is wel dat het onderwijs aan nul- tot vierjarigen van heel goede kwaliteit is. Zo niet, dan kan het rendement nul zijn of zelfs negatief. Amerikaans onderzoek heeft aangetoond dat een intensief voorschoolprogramma van slechte kwaliteit voor kinderen met een taalachterstand zelfs schadelijk kan zijn. Ook in Nederland wil het met de voorscholen maar niet lukken. “Er bestaat geen studie waarin is aangetoond dat voorscholen in Nederland rendement opleveren”, zegt hoogleraar Maurice Crul (VU Amsterdam).
Terwijl crčches sluiten door de crisis en bezuinigingen, zit er groei in het aantal voorschoolplaatsen. Amsterdam wil al dit jaar op elke peuterspeelzaal een voorschools educatieprogramma hebben. In kleinere gemeenten was de groei in het aantal voorscholen volgens onderzoeksbureau Sardes in 2011 ‘spectaculair’. Het rijksbudget voor vve, schakelklassen en zomerscholen is dit jaar verhoogd van 261 miljoen naar 331 miljoen euro (356 miljoen vanaf 2013).
Het ministerie van Onderwijs heeft met gemeenten afspraken gemaakt over verbetering van de kwaliteit van de voorscholen, maar de effectiviteit daarvan staat ter discussie. In Amsterdam was in 2012 6.645 euro beschikbaar voor elke peuter met laagopgeleide ouders die op een voorschool geplaatst werd. In totaal ontving de gemeente van het rijk 42,7 miljoen voor de vve. Als er onvoldoende nieuwe voorscholen worden gecreëerd, dan moet een deel van dat geld worden terugbetaald.
In een recent onderzoeksrapport concludeerde de Amsterdamse Rekenkamer dat de geldbedragen hebben geleid tot een onkritische houding jegens nieuwe en bestaande voorscholen in de hoofdstad. Bijna een kwart van de voorscholen die vorig jaar in Amsterdam werd erkend was eerder door de GGD bestempeld tot ‘hoog risico locatie’, bijvoorbeeld omdat er te weinig leidsters op een groep stonden of omdat het pedagogisch beleid niet op orde was.
Tegen 540 overtredingen werd maar 31 keer opgetreden. Een boete is nog nooit opgelegd. De meest voorkomende overtredingen betroffen volgens de Rekenkamer een tekort aan opleiding van het personeel, gebreken in systemen die de vooruitgang van kinderen volgen en onvoldoende inzet op het betrekken van de ouders bij de ontwikkeling van hun kinderen.

:Sceptisch
De situatie in Amsterdam is niet uniek. De Onderwijsinspectie stelde vorig jaar vast dat gemeenten het overzicht missen dat nodig is om te bepalen of de vve werkt. Vrijwel alle scholen nemen Cito-toetsen voor groep 1 en 2 af, maar de resultaten van kinderen die wél of geen vroegschoolse educatie hebben gehad worden niet met elkaar vergeleken.
Volgens vve-specialist Hilde Kalthoff van het Nederlands Jeugdinstituut doen grote gemeenten het nog relatief goed. Juist Amsterdam en Rotterdam hebben de afgelopen tijd vaart gezet achter de scholing van leidsters, het inhalen van taalachterstanden en de certificatie. “Bijna alle medewerkers voldoen aan de taalnorm en de vve-certificaten zijn voor zo goed als iedereen geregeld”, zegt zij. “Dat betekent dat vaste medewerkers een cursus van twintig dagen moeten volgen waarin didactiek, pedagogiek, taalstimulering en het opbrengstgericht werken aan de orde komt. Ook invalskrachten moeten een certificaat hebben.”
Een aantal andere gemeenten neemt de certificering en het wegwerken van de taalachterstanden volgens Kalthoff minder serieus. “In de wet staat dat vve-scholing verplicht is. Hoe die eruit moet zien wordt helaas niet gespecificeerd.”
Gjalt Jellesma van belangenorganisatie Boink is sceptisch over de opleidingseisen. “Certificerinkjes en cursusjes helpen niet. De roc’s moeten de opleiding van mensen die gaan werken in de voorschoolse opvang veel serieuzer gaan aanpakken. Opleidingen zullen dan 20 tot 30 procent van hun studenten verliezen, maar een forse verhoging van het niveau is in de kinderopvang en op de peuterspeelzalen hard nodig.”
Hoogleraar orthopedagogiek Paul Leseman (Universiteit Utrecht) inventariseerde onderzoek naar effectieve voorscholen. Hij benadrukt het belang van samenwerking, rollenspellen en leidsters die gedrag modelleren, maar vreest dat dergelijke voorwaarden in het gedrang raken op de nieuwe voorschoolplaatsen die gemeenten nu in rap tempo creëren. “Slechte implementatie met slecht opgeleide mensen kan een kwalijke uitwerking hebben”, zegt hij. “Straks komen we misschien tot de conclusie dat het allemaal niks heeft uitgehaald, terwijl er wel degelijk kansen liggen als je programma’s op een goede manier uitvoert.”

{kader}
Regeerakkoord
Aan de segregatie in de opvang van heel jonge Nederlandse kinderen moet een einde komen. Dat bepleiten wetenschappers en belangenorganisaties al enkele jaren. Het nieuwe kabinet komt hen enigszins tegemoet. In het regeerakkoord staat dat onderwijs, peuterspeelzaalwerk en kinderopvang beter op elkaar moeten worden afgestemd. Het kabinet wil een einde maken aan de gescheiden financiering van peuterspeelzalen (gemeentelijke subsidies die via het rijk beschikbaar komen) en de kinderopvang (kinderopvangtoeslag voor werkende ouders).
“Dat is een goede zaak”, vindt voorzitter Gjalt Jellesma van belangenvereniging Boink. “Al moet ik nog zien of het wordt waargemaakt.” Taalzwakke peuters bij elkaar zetten, zoals dat nu gebeurt, is volgens Jellesma “de allerslechtste manier” om hen te helpen.
In zijn recente onderzoek naar de opvang van jonge kinderen in verschillende Europese landen kwam hoogleraar Maurice Crul (VU Amsterdam) tot vergelijkbare conclusies: “Nederland is het enige land waar de opvang van jonge allochtone kinderen is gesegregeerd”, zegt hij. “Het systeem van peuterspeelzalen en het systeem van kinderopvang zijn in Nederland allebei failliet. We moeten toe naar een nieuw systeem waarin die twee worden samengevoegd.”

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.