• blad nr 17
  • 3-11-2012
  • auteur S. Ridder 
  • Redactioneel

 

De onderzoekende leraar

Op de academische opleidingsschool wordt de docent 2.0 opgeleid: een vakbekwame leraar die wil blijven leren en een onderzoekende houding heeft. “Een docent neemt honderden beslissingen op een dag, terwijl een onderzoekende houding juist vergt dat je een stap terug doet, de tijd neemt om het probleem te ontrafelen. Hier is veel winst te behalen.”

Jeroen Imants is hoofddocent en onderzoeker bij de lerarenopleiding van de Radboud Universiteit Nijmegen. Hij werkt samen met het Brabantse schoolbestuur Ons Middelbaar Onderwijs (Omo). Een aantal scholen van dit bestuur is academische opleidingsschool (aos). Op deze scholen staat naast het opleiden van nieuwe leerkrachten, onderzoek centraal. Waarom doe je wat je doet? Is dit wel de beste manier voor dit kind in deze situatie? Hoewel het niet een hoofddoel is van het aos-programma, doen docenten in veel gevallen zelf ook onderzoek, alleen of in samenwerking met studenten.
Imants ziet drie grote pluspunten van een aos. “Ten eerste leren aankomende en zittende docenten van elkaar. Daarnaast kan de schoolontwikkeling een enorme boost krijgen. Zo is bijvoorbeeld op enkele scholen het onderzoek gericht op samenwerkend leren; hoe verleid je leerlingen om van elkaar te leren? Door het onderzoek kunnen deze scholen hun lessen steeds beter inrichten”. Het derde punt dat Imants opnoemt is de verkleining van de kloof tussen wetenschappelijk onderzoek en onderwijspraktijk. “Het is natuurlijk pretentieus om te zeggen dat je dit gat kunt dichten. Dat hoeft ook niet, maar de kloof wordt echt kleiner. Afgelopen jaar zijn bijvoorbeeld de resultaten van promotieonderzoek naar het leren van grammatica van een vreemde taal getest in de schoolpraktijk. Deze wetenschappelijke kennis is vertaald naar lessen van de taaldocent, de lessen zijn uitgevoerd en vervolgens is het geheel weer getest. Zo’n promotieonderzoek krijgt meer geldigheid, en nog belangrijker: het werkt, het onderwijs wordt beter.” De hoofddocent vertelt het niet zonder trots en noemt desgevraagd een vierde pluspunt. “Ook onze eigen lerarenopleiding wordt beter door het partnership met de scholen. Wij kunnen ons programma beter maken, omdat we ook dichter bij de onderwijspraktijk staan.”

Verdieping
Zowel de uitvoerder van de aos-subsidieregeling, Maatwerk uitvoering onderwijs (Muo), als lerarenopleider Imants wijzen dezelfde zwakke plek aan. Het verbinden van de onderzoeksagenda van de school aan de onderzoeksvoorstellen van de studenten. Wat als een student onderzoek wil doen dat niet direct bij de onderzoeksagenda van de school past? Marieke Jansen, adviseur bij Muo, stelt dat er natuurlijk een evenwicht moet zijn tussen de behoefte van de school en de wens van de student. “Maar we moeten in gedachten houden dat dit programma voor de student is opgesteld, zodat hij in staat is goed onderzoek te leren doen en zich te ontwikkelen tot een goede leraar.” Imants spreekt Jansen niet tegen, maar benadrukt ook het belang van een inhoudelijk samenhangende lijn in de onderzoeken. “Dit verbetert de samenwerking tussen verschillende onderzoekers en het stimuleert ook de verdieping van het onderzoek”, zegt de hoofddocent. “We willen samen een auto bouwen, niet allemaal losse wielen uitvinden.”
In Twente proberen ze die match tussen onderzoeksagenda en student een duwtje in de rug te geven. Ineke ter Haar, bovenschools coördinator bij Openbaar primair onderwijs Almelo, ging naar een voorlichtingsmiddag voor derdejaars pabostudenten van de Hogeschool Edith Stein. “Ik heb, samen met coördinatoren van de twee andere academische opleidingsscholen in Twente, een presentatie gehouden over wat een aos is en hoe wij studenten begeleiden in hun onderzoek. Daarbij heb ik ook de onderzoeksagenda’s van onze scholen uitgedeeld, zodat studenten weten in welke richting deze scholen zich willen ontwikkelen. Zo is een school bezig met leesvaardigheid. Een heel onderzoeksprotocol waarbij onder andere de context en de behoefte goed in beeld zijn gebracht en vakliteratuur is bestudeerd, heeft ertoe geleid dat ze de huidige leesmethode differentiëren en aanpassen. Vroeger zou er eerder een nieuwe methode zijn aangeschaft, terwijl een andere methode net zo goed mindere punten heeft.”
Ter Haar vertelt dat een andere school, de Stapvoorde in Almelo, zich richt op de onderzoekende leerling. De Stapvoorde laat kinderen veel experimenteren, bijvoorbeeld met het maken van haargel. Docent en aos-initiator van de Stapvoorde, Jos Olthof, vindt dit fantastisch: “Kinderen zijn van nature onderzoekend. Gebruik dit en pers zo’n kind niet in een mal of methode. Ik loop al tegen het einde van mijn loopbaan, maar ik ben door dit traject gegrepen. Iedereen kan leren door zijn nieuwsgierigheid en onderzoekende geest te gebruiken; zowel leerlingen, als studenten, als docenten. Volgend jaar willen we een stap verder gaan door de school zo in te richten dat we het onderzoekend leren optimaal faciliteren. We hopen dat een student dat samen met ons wil uitvinden”.

Kennisoverdracht
Een ander aspect dat nog aandacht behoeft in het aos-programma is de overdraagbaarheid van de kennis die wordt opgedaan bij de onderzoeken. Een goed samengestelde onderzoeksagenda zorgt ervoor dat de onderzoeken geen opeenstapeling van losse rapporten worden die, met een beetje pech, in een spreekwoordelijke la terechtkomen. Maar hoe krijg je de kennis in de rest van je schoolteam? Of naar een andere opleidingsschool? Dat blijkt al lastig, laat staan dat nieuwe kennis zich kan nestelen in de rest van de onderwijswereld. Imro Simmelink, manager bij Muo, en zijn collega Jansen opperen dat een databank, expertisecentrum of landelijke ondersteuning een bijdrage zou kunnen leveren. “Tegelijkertijd zien we dat veel kennis niet algemeen geldend is. Bijna alle onderzoeken zijn praktijkgericht en spelen in een bepaalde context van school en leerlingenbestand. Kennisoverdracht is natuurlijk verplicht binnen het programma, maar staat niet bovenaan het prioriteitenlijstje. Het is belangrijker dat de nieuwe lichting docenten nieuwsgierig wordt gemaakt, onderzoekend ingesteld raakt en reflectief kan werken. Kortom, dat zij goede docenten worden.”
Hoewel moeilijk, staat kennisoverdracht toch wel degelijk op de agenda van de verschillende samenwerkingsverbanden. Imants rept over publicaties in een intern magazine van Omo. “Nee, geen wetenschappelijke rapportages, want daar worden heel strenge eisen aan gesteld, maar wel een degelijk verhaal over goed uitgevoerd onderzoek dat collega’s in beweging zet.”
Ter Haar van het Twentse bestuur zegt geïnspireerd te worden door de samenwerking met de andere scholen in Twente en ook door de landelijke contactdagen. “En als je enthousiast wordt, krijg je steeds meer ideeën.”

Lokkertje
Het subsidietraject voor de academische opleidingsschool loopt nu zes jaar en zal in ieder geval nog tot 2016 duren. Simmelink: “Dit is een programma dat moet groeien, het vergt ook een cultuuromslag.” Imants legt uit. “Een docent neemt honderden beslissingen op een dag, terwijl een onderzoekende houding juist vergt dat je een stap terug doet, de tijd neemt om het probleem te ontrafelen. In de dagelijkse onderwijspraktijk is dat niet de gewoonte. Toch is hier veel winst te behalen. Als er een ding is dat veel leraren hierbij in de weg zit, is dat ze zo graag een antwoord willen geven. Dat zit in het bloed van elke leraar. De omslag van het geven van een antwoord naar het stellen van een vraag, is het eerste en belangrijkste leermoment.”
Een belangrijke voorwaarde voor het slagen van een aos is steun vanuit het management. Ter Haar: “Het management moet uren vrij maken.”
Imants is benieuwd naar de werkelijke kosten van een opleidingsschool. Zijn vraag is ingegeven door bezorgdheid. “Wat als straks de subsidie ophoudt? Kunnen scholen het dan zelf financieren?” Simmelink en Jansen van Muo hebben niet de illusie dat 70 duizend euro op jaarbasis voldoende is om een aos goed te laten functioneren. Simmelink: “Die subsidie is ook geen lokkertje om scholen te verleiden een academische kop te creëren. De motivatie om een aos te zijn, moet uit de school komen en niet omdat er toevallig een subsidie beschikbaar is.”
Ter Haar is stellig. “Natuurlijk kunnen we met die subsidies veel extra’s doen. Wij bieden bijvoorbeeld scholing aan en roosteren per school een initiator vrij voor één dag per week. Maar een onderzoekende houding kost geen geld, en verder is het een kwestie van prioriteiten stellen. Bij ons zitten onderzoeksuren van leerkrachten in de normjaartaak omdat we ervan overtuigd zijn dat het ons veel extra’s oplevert. Een van onze directeuren heeft het bijvoorbeeld over de sterk verbeterde teamvergaderingen, omdat er weer vragen worden gesteld, omdat er meer nieuwsgierigheid is. Het bestaande docententeam is aangestoken door een programma dat voor studenten is ingesteld. Prachtig toch?”

Extra dimensie
En de studenten? Tom van der Riet deed zijn lio bij basisschool Roets in Almelo en werkt hier nu ook. “Ik heb eerst op een ‘gewone’ school gewerkt, en ik merk dat de basishouding hier anders is. Er is meer openheid en ruimte voor vragen. Dat werkt wel heel fijn. Daarnaast is het heel stimulerend dat jouw onderzoek gebruikt wordt om het onderwijs echt verder te ontwikkelen.” Simmelink: “Dit geldt voor studenten, maar net zo goed voor docenten die onderzoek zijn gaan doen. Je ziet hun motivatie toenemen. Het geeft voor beiden een extra dimensie aan hun docentschap, een vergroting van hun professionele ruimte.”

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.