- blad nr 17
- 3-11-2012
- auteur R. Wisman
- Redactioneel
Piercings en tatoeages of toch een stropdas?
Kleren maken de man, maar maken ze ook de docent? Het is een vraag die leeft onder (beginnend) docenten, vertelt Robert Tatsis, onderwijsontwikkelaar aan het Junior College Utrecht en docent biologie. In 2010 deed hij er onderzoek naar samen met drie medestudenten aan de eerstegraads lerarenopleiding. Ervaring voor de klas leerde hen al een aantal zaken: “Als je rare schoenen aan hebt, zijn sommige leerlingen gedurende de hele les afgeleid. Een T-shirt met opdruk - een stripfiguur of tekst - lokt altijd reacties uit. ‘Leuk shirt, meneer!’ Of ze roepen gewoon wat erop staat.”
Wat je draagt, is dus van belang. Maar is de ordehandhaving er ook mee te vergemakkelijken? Om daarachter te komen, legden ze 193 leerlingen uit vier onder- en vier bovenbouwklassen foto’s voor van neutraal kijken leraren (van top tot knie). De ene helft kleedden zij formeel, dus in (mantel)pak, overhemd, stropdas, pantalon, rok, blouse en colbert. De rest informeel: spijkerbroek, trui, T-shirt met opdruk. De leerlingen moesten bij iedere docentfoto invullen of deze a) gezag heeft in de klas; b) iemand is waarop je kunt vertrouwen; c) het begrijpt als je iets niet snapt; en d) wil dat het stil is in de les. Wat bleek? “Leerlingen uit de onderbouw verwachten dat een formeel geklede docent meer gezag heeft dan een collega die zich informeel kleedt”, aldus Tatsis. Zowel de onderbouw- als de bovenbouwleerlingen denken dat een docent met formele kleding meer waarde hecht aan stilte in de klas.
In de onderbouw (de eerste en de tweede klas) ligt dit er zelfs nog dikker bovenop, aldus Tatsis. “Er is dus een positieve invloed van formele kleding op de perceptie die leerlingen hebben van het gezag.”
En hoe zit het met de toegankelijkheid?
Ander onderzoek toont aan dat leerlingen informeel geklede docenten vaker als ‘flexibel’ en ‘vriendelijk’ beschouwen. De leerlingen die meewerkten aan het Utrechtse onderzoek vinden slordig en keurig geklede docenten even benaderbaar. “Alleen meisjes uit de eerste en tweede klas verwachten dat een formeel geklede docent minder begrip heeft als de leerling iets niet begrijpt.”
Tatsis houdt in de praktijk rekening met zijn eigen bevindingen. Als biologieleraar gaat hij meestal casual gekleed (‘niet in een colbertje’), maar soms draagt hij een ‘uitdagend’ shirt met bijvoorbeeld een gorilla erop of de tekst ‘Sssst’. Die draagt hij echter niet tijdens een eerste les omdat het opmerkingen kan uitlokken. “Als ik leerlingen in een klas nog niet ken, wil ik niet dat de aandacht naar mijn kleding gaat.”
Sneakers
Voor een glorieuze onderwijscarričre is de kwaliteit en vorm van het textiel dat je aantrekt overigens niet doorslaggevend, denkt Tatsis. Gezichtsuitdrukking, stemgebruik, houding, vakmanschap en de mate waarin je consequent bent, bepalen uiteindelijk of je gezag hebt of niet. Dat denkt ook René Kneyber, wiskundedocent in het vmbo, en auteur van boeken als Orde houden in het vmbo en Gezagsdragers. “Zou je partner ineens meer gezag hebben als hij voortaan in driedelig grijs door het huis stiefelt”, grapt hij.
Een formele outfit werkt alleen voor een eerste indruk. “Hoe langer mensen met elkaar te maken hebben, hoe minder invloed kleding heeft op het gezag dat je hebt. Professioneel vertrouwen win je niet met een pak.”
Hoe moet je je kleden? “Dress one step up”, aldus Kneyber. “Ofwel: kleed je iets netter dan de doelgroep. Niet te netjes, maar ook niet minder netjes. Je bent dan enigszins op elkaar aangepast, maar houdt voldoende professionele afstand.” Gerdi Verbeet, de voormalig voorzitter van de Tweede Kamer, vindt hij daar een goed voorbeeld van. Voor zichzelf ziet hij nog verbeterpunten. “Mijn schoenen zijn nog niet one step up. Meestal draag ik sneakers. Als ik na een lezing soms op school kom met nette schoenen, valt het de leerlingen meteen op. ‘U heeft uw mooie schoenen aan!’”
Zowel Tatsis als Kneyber vinden dat het geen zin heeft om je netter te kleden dan je werkelijk bent. “Als een pak niet jouw ding is, trek het dan niet aan. Daar prikken leerlingen doorheen”, aldus Tatsis.
Kneyber: “Je moet toch jezelf zijn. Leerlingen leren je kennen. Onzekerheid kan je met kleding niet compenseren. Dan val je vanzelf een keer door de mand.”
{kader}
‘Waar zou hij nog meer piercings hebben?’
Als docent ben je onderdeel van de visie van de school. Sluit deze visie voldoende aan bij jouw identiteit?
“Als je persoonlijke identiteit afwijkt van de schoolidentiteit kan dat een probleem zijn”, zegt Herald Hofmeijer, docent pedagogiek en onderwijskunde aan de Marnix Academie.
Een docent die opvalt, wijkt meestal af van de heersende norm die bestaat op basis van ongeschreven regels. “Vraag je af wat het effect kan zijn van bepaalde uiterlijke kenmerken en wees voorbereid op eventuele gevolgen”, adviseert Hofmeijer.
“Als ik iemand tegenover me heb vol piercings, leidt dat af, waardoor de inhoud ondergeschikt kan raken. Zie ik een piercing in zijn tong?”
Ook een kort rokje of een diep decolleté kan afleiden voor de klas. Hofmeijer gaat meestal het gesprek aan met studenten. “Ben je van plan zo ook voor de klas te gaan staan? Het oordeel dat ouders of kinderen over je hebben, kan je taak als leerkracht bemoeilijken.”
{portret 1}
Crocodile Dundee
Wie: Paul Boering (56)
Functie: docent ‘groen’ bij het Orion College (speciaal onderwijs) in Amsterdam
Kledingstijl: casual
“Aan mijn kleding zie je hoe ik ben: een beetje lollig. Crocodile Dundee noemen ze mij. Ik kleed me casual: spijkerbroek, Harley Davidson T-shirt, een brede, bruine leren hoed. Die kuif in mijn haar heb ik al dertig jaar. Bovenop groeit inmiddels wat minder haar, maar gelukkig heb ik nog genoeg aan de zijkant.
Die hoed kocht ik toen ik de eerste keer met mijn motor, een Harley uit 1946 met zijspan, door Australië toerde. In de rand zaten toen nog allemaal kleine krokodillentandjes.
In die hitte was zo’n hoofddeksel niet handig, maar in de Nederlandse kou is het heerlijk. Als het regent, merk ik daar niets van. Van die Harley-shirts heb ik ruim tweehonderd. Als ik er tegenaan loop, neem ik er een mee.
Ik ben niet zo bezig met mijn uiterlijk. Ik trek aan wat ik makkelijk vind. Die hoed zet ik op als ik de deur uit ga. Als ik hem per ongeluk laat liggen op school rijd ik ervoor terug. Tussen mijn collega’s val ik op, hoewel zij ook niet met stropdassen lopen.
Van de leiding heb ik nooit commentaar gehad op hoe ik eruitzie. De kinderen vinden mijn kleding leuk. ‘Heb je weer een nieuw T-shirt, meester?’ Dat zien ze meteen.
In mijn jonge jaren droeg ik soms een bandplooibroek met glimmende biezen. ‘Meester, gaat u trouwen’, vroegen ze dan.
Ook droeg ik van die zwarte puntschoenen uit de jaren vijftig. Op een gegeven moment was dat niet praktisch meer. Als docent groen ben ik veel buiten met de leerlingen. In de modder van de groentetuin, tussen de plantsoenen of om buizen aan te leggen voor de afwatering. De puntschoenen werden er lelijk van of gingen gewoon stuk. De laatste jaren loop ik op Ecco schoenen van een overleden vriend. Lichtbeige en van stevig leer. Lekker degelijk. En ik kan ermee voetballen op het schoolplein zonder uit te glijden.”
{portret 2}
Miss Tattoo
Wie: Mariken Heijwegen (37)
Werk: docent mode, drama en kunstzinnige vorming op het Penta Collega in Rotterdam
Kledingstijl: bohemian funky
“Ik draag dingen die anderen niet bij elkaar zouden dragen. Rood met roze, een jurk over een broek, een blokjes- bij een stipjesmotief, gympies onder een net pak. De leerlingen vinden het leuk. ‘U bent altijd zo hip’, zeggen ze.
Op mijn armen en buik heb ik tatoeages. Ik vind mijn huid mooier met een tekening erop. Iedere afbeelding heeft een betekenis. De lotusbloemen op mijn rechterarm kwamen er na de geboorte van mijn dochter Lotus. De vlammen op mijn buik symboliseren de overwinning van een ziekte in mijn buik. Met het anker op mijn linkeronderarm verankerde ik mijn - op 42-jarige leeftijd overleden - vader op zijn 50ste verjaardag in mijn hart.
Ik zie eruit zoals ik ben: kleurrijk en expressief. Mijn uiterlijk is een creatieve uitlaatklep waar ik mee speel. Een collega noemde me Miss Tattoo. ‘Miss Tattoo heeft een naam’, zei ik. ‘En als je me niet bij die naam noemt, luister ik niet.’
Het is jammer als mensen me niet serieus nemen, omdat ze een vooroordeel hebben. Als docenten zoiets doen, geven ze een verkeerd signaal af naar leerlingen.
Tijdens mijn sollicitatie klikte het zo goed dat de directeur me meteen de school en het lokaal liet zien. Hij vroeg niet naar mijn uiterlijk, maar of ik maandag kon beginnen.
Mijn collega’s doen liever normaal dan gek. Bij mij is dat omgekeerd. Dat valt op. Als ik een paar dagen niet op school ben, zeggen ze dat het kleurloos was zonder mij.
Leerlingen vragen me regelmatig naar de betekenis van de tatoeages. De meiden willen weten waar ik mijn kleding koop. Hoewel ik er minder streng uitzie, hanteer ik de klassenregels net zo consequent als collega’s. Daarnaast level ik meer met leerlingen omdat ik toegankelijk ben. ‘U bent de tofste’, zeggen ze.”
{portret 3}
Rare jongen
Wie: Ramon Ophuizen (24)
Werk: praktijkinstructeur bij de opleidingen mediavormgever en –developer, Grafisch Lyceum Utrecht
Kledingstijl: cybergothic
“Leerlingen en nieuwe collega’s kijken eerst de kat uit de boom. Wie is hij? Wat doet hij? Soms vragen ze: ‘Doet het zeer, zo’n ring door je lip?’ Ik sta open voor alle vragen, maar merk dat veel mensen schromen om er een te stellen.
Ik vind het moeilijk mezelf in een hokje te plaatsen. Mensen noemen mij gothic, en ik plak daar het woordje cyber voor: cybergothic. Ik draag zwarte kleding met neonaccenten, zoals een gele ‘space invader’ aan de voorkant of groene biezen aan de zijkant.
Mijn oren hangen aardig vol, en ik heb twee ringen door mijn lip. Mijn haar draag ik in een staart en ik scheer de zijkanten weg. Als ik mijn pony dan ook nog neongroen verf, ben ik een aparte vertoning. Ik loop op Newrocks schoenen; een soort laarzen in de vorm van een gymschoen met een klein plateau. Dezelfde schoenen die de Spice Girls vroeger aanhadden.
In mijn kast hangt alleen maar dit soort kleding. Het kost me dus weinig tijd om er zo uit te zien. Scheren doe ik twee keer per week. Met een kleurtje in mijn haar moet ik het één keer per week bijverven. ‘Je haar is groener dan gras’, roepen collega’s wel eens. Gewoon een goedmoedig grapje.
In vijf jaar tijd volgde ik zelf drie opleidingen op het Grafisch Lyceum. Mijn leidinggevende wist precies wie ze voor zich had toen ze vroeg of ik deze baan wilde. Tijdens mijn sollicitatie is met geen woord over mijn uiterlijk gerept. In dit werk gaat het om de inhoud. Ik besteed veel aandacht aan mijn werk, en ben soms nog in de avonduren bezig.
Ik zou mijn uiterlijk niet aanpassen voor een werkgever. Als een nieuwe baan begint met een probleem dat ik niet zie, wil ik die baan liever niet.
Waarschijnlijk zal ik nooit een doorsnee persoon worden. Als ik kinderen krijg, ga ik me wel normaler kleden. Ik zou niet willen dat ze gepest worden, omdat hun papa zo nodig de rare jongen wil uithangen.”