• blad nr 17
  • 3-11-2012
  • auteur G. van der Mee 
  • Redactioneel

7 vragen over roc’s  

Waarom het steeds mis gaat

Het mbo krijgt rake klappen. Nu staat roc Zadkine weer onder financieel toezicht. Waar gaat het toch steeds mis? Stellen politici te hoge eisen? Krijgen directies te weinig tegenspel? Zeven vragen over een onderwijssector waar altijd wat aan de hand is.

Een week voordat Zadkine liet weten grote financiële problemen te hebben, klaagden twee directeuren van de Rotterdamse roc’s Albeda en Zadkine tegen het Algemeen Nederlands Persbureau dat er te veel plannen afgevuurd worden op het mbo. Ineke Mulder en Carla Kathman vinden de eis van de Rotterdamse wethouder Hugo de Jonge om de leerplicht naar 23 jaar op te trekken, niet te realiseren. Helemaal omdat de duur van veel opleidingen wordt ingekort naar drie jaar. De wethouder vindt de roc’s verantwoordelijk voor het tegengaan van voortijdige schooluitval, een probleem waar grote steden al jaren mee worstelen.
Zadkine staat nu onder financieel toezicht van de Onderwijsinspectie, schrapt banen en gaat zich alleen nog met de basisactiviteiten bezighouden. Opnieuw een roc in problemen. Waarom gaat het toch steeds mis?

Welke rol spelen gemeenten bij roc’s?
Gemeenten moesten zestien jaar geleden contracten met roc’s afsluiten over de educatie en de inburgering. Inmiddels is daar weinig meer van over, de educatie brokkelt volgens de inspectie langzaam af. Er werkt minder personeel, het aanbod verschraalt en het aantal studenten loopt terug. Gemeenten vinden educatie te duur. Toen de inburgering op de vrije markt gegooid werd, hadden de roc’s het nakijken, want gemeenten kiezen doorgaans de goedkoopste aanbieder. Roc’s eisen nu van het ministerie een schadevergoeding omdat ze vanwege hun contracten wel ruimtes en expertise hadden voor de inburgering. Zadkine claimt een verlies van 24,5 miljoen aan inkomsten te hebben.
Sinds het aandienen van de crisis werden subsidies voor cultuur, sport en begeleiding van zorgleerlingen ingetrokken. Doordat op niveau-1 iedereen toegelaten moet worden, kregen roc’s vooral in de grote steden steeds meer zorgleerlingen, waar ze de handen vol aan hebben.

Is het mbo speelbal van politici?
Diverse kabinetten zijn al twintig jaar bezig met wijzigingen in het mbo zodra er paniek is op de arbeidsmarkt. Het is de enige onderwijssector waar het bedrijfsleven een grote rol speelt. Vanwege de grote jeugdwerkloosheid, werd er in 1983 voor het eerst een commissie ingesteld waarvan een oud-topman van Shell (commissie-Wagner) voorzitter was. Een paar jaar later boog een andere topman uit het bedrijfsleven (Ferdinand Rauwenhoff van Philips) zich op het verzoek van toenmalig PvdA-minister Jo Ritzen over het mbo. In 1996 werd ten slotte de Wet educatie en beroepsonderwijs (web) ingevoerd. Alle opleidingen, inclusief het leerlingwezen en de volwasseneneducatie, werden samengevoegd. Opleidingen fuseerden verplicht tot regionale opleidingencentra. De invloed van het georganiseerde bedrijfsleven werd wettelijk vastgelegd. Steeds weer wijzigden de eisen aan het mbo. Zo wilde Ritzen echte vakopleidingen. Hij moest bezuinigen, daarom waren omzwervingen in het onderwijs taboe, want te duur. Vanaf 1998 zwaaiden vooral VVD (Loek Hermans) en CDA (Maria van der Hoeven en Marja van Bijsterveldt) de scepter op onderwijs. Het ging met de economie weer wat beter. Vanwege de concurrentiepositie van Nederland waren er meer hoger opgeleiden nodig, daarom moest er nu vooral weer doorgestroomd worden van mbo naar hbo. Marktwerking en een open bestel waren de toverwoorden. De hele beroepsbevolking moest een startkwalificatie, vmbo’ers konden ook zonder diploma doorstromen naar het mbo. Het niveau daalde.

Liet de Tweede Kamer gebeuren dat het niveau daalde?
Volgens Ria Bronneman, onderzoeker bij het Sociaal en Cultureel Planbureau* had de Tweede Kamer lange tijd weinig belangstelling. De sector was te onbekend, hun eigen kinderen zaten er niet op, het was te ingewikkeld. Pas toen er in 2007 klachten van leerlingen en leraren kwamen over het competentiegericht onderwijs, werd de Kamer wakker. De commissie-Dijsselbloem stelde de vernieuwingen aan de kaak, er werden Kamervragen gesteld en spoeddebatten gehouden over het niveau.

Wat is de grote spagaat van het mbo?
Het mbo zat altijd klem tussen de eisen van het bedrijfsleven, dat het meest heeft aan korte termijn vaklieden, en de eisen die de instelling zelf aan het vak stelt. Ook hier greep de overheid niet in. Tegelijkertijd misbruikten de instellingen het bedrijfsleven vaak om de kosten te drukken. Een groot deel van de onderwijstijd werd besteed aan stages. Pas sinds de klachten over het niveau wordt er door de inspectie gelet op voldoende onderwijstijd.

Waarom gaat het toch steeds mis?
Landelijke en lokale overheden vragen veel van roc’s, maar laten vervolgens de uitvoering geheel over aan de besturen. Of zoals demissionair minister Van Bijsterveldt zei: ‘De politiek gaat over het wat, de scholen over het hoe.’ Die moeten maar zien hoe ze de Haagse decreten uitvoeren. De Onderwijsraad wees er al vanaf het begin op dat er te weinig toezicht was. De overheid moest niet alleen de regierol hebben, maar ook letten op de kwaliteit en minimumeisen stellen aan het aanbod. Dat advies werd in de wind geslagen. De zelfstandige school die zelf onderhandelde met bedrijfsleven en overheden, dat was het idee achter de roc’s. Het bedrijfsleven zette tien jaar geleden het competentiegericht leren op de agenda. De Mbo-raad, waarin alle besturen vertegenwoordigd zijn, vond het prachtig. En wat deed toenmalig minister Van der Hoeven? Die liet het gebeuren. Ook bij het financiën is het toezicht van de overheid toezicht gebrekkig, waardoor de problemen te laat aan het licht komen. Ondernemingsraden bieden moeizaam tegenwicht waardoor ook intern het toezicht op de uitgaven van de besturen zwak is. De overheid is hier duidelijk afwezig, maar weer helemaal aanwezig als het gaat om het lanceren van nieuwe eisen en plannen. De opleidingen moeten nu naar drie jaar, er moeten meer bedrijfs- en vakscholen komen, niveau-1 en -2 kunnen beter worden samen gevoegd.

Van wie is het beroepsonderwijs eigenlijk?
Niet van de besturen, niet van de politiek en ook niet van het bedrijfsleven. Het mbo is van de samenleving die leerlingen zo goed mogelijk moet opleiden. Daar herinnerde Coen Free, collegevoorzitter van het Koning Willem I College, aan toen hij in 2008 en manifest publiceerde met een aanklacht tegen de staat waarin het mbo was gebracht: een verzameling van ontelbare specialisaties en een imago van moeilijke jongeren, laag niveau, zwakke taal- en rekenvaardigheid, slecht onderwijs en drop-outs. Terwijl toch 60 procent van de leerlingen op niveau-4 uitstroomt met een diploma. De protesten van leerlingen en Amsterdamse wethouders als Ahmed Marcouch en Lodewijk Asscher over de kwaliteit van de opleidingen, hebben tot meer toezicht geleid van de inspectie. Inmiddels is het aantal zeer zwakke opleidingen teruggelopen. Maar nog steeds is één op de vijf examens van onvoldoende kwaliteit.

Terug naar de menselijke maat?
Het is de vraag of de regionale kolossen inmiddels niet veel te ingewikkeld zijn geworden. ‘Terug naar de menselijke maat’, wordt er geroepen. Het CDA wil nu ‘kleinschalige vakgerichte opleidingen’(verkiezingsprogramma 2012). Iedereen wil weer gewoon binnen kunnen lopen bij zijn directeur. De commissie-Cohen adviseerde dit najaar het Bestuur Openbaar Onderwijs Rotterdam om vooral de verantwoordelijkheden weer terug te leggen op schoolniveau. Het dagelijks bestuur, oftewel de directie, houdt zich alleen bezig met de dagelijkse bedrijfsvoering en het bestuur houdt echt toezicht. Het advies vraagt wellicht enige vertaling voor roc’s, maar is misschien toch bruikbaar. Dan hoeft er niet opnieuw een commissie ingesteld te worden. Dat geld kan dan weer naar de scholen.

{noot}
*)Ria Bronneman, Overheid en onderwijsbestel, Beleidsvorming rond het Nederlandse onderwijsstel (1990-2010), Sociaal en Cultureel Planbureau (2011), ISBN 9789037705676, € 28,50.

{kader}
Trends

Het aantal leerlingen in het mbo daalt de komende jaren. Dat heeft vooral te maken met de afnemende populariteit van het vmbo. In Trends in beeld van het ministerie van Onderwijs (2012) staat dat dat komt omdat een steeds groter deel van de leerlingen havo/vwo doet. Het percentage havo/vwo-adviezen is tussen 2005 en 2009 gestegen van 38 naar 45 procent. Alleen het aantal leerlingen in het leerwegondersteunend onderwijs blijft gelijk of stijgt.
Van de instructeurs, die in het mbo op steeds grotere schaal worden ingezet, werkt 40 procent zelfstandig als docent, terwijl dat volgens de wet niet mag. Dat meldt de Onderwijsinspectie in het Onderwijsverslag 2010/2011. Docenten ervaren onvoldoende onderwijskundige sturing door het management. Vooral vanwege het competentiegericht leren twijfelen docenten zelf of ze wel voldoende didactische kennis hebben.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.