- blad nr 15
- 6-10-2012
- auteur M. van Nieuwstadt
- Redactioneel
Dyslectici aan het lezen krijgen
Bah. Een boek
Verdwalen kan, in het gebouw van de De la Reyschool aan de rand van de Haagse wijk Transvaal. Statige stenen trappen leiden naar iets te donkere klaslokalen. Houten trappen naar speelzolders, ateliers en bibliotheken. Een wenteltrap in het hart van de school ontsluit vier verdiepingen vol speelgoed, knutselmateriaal en spelletjes. Meerdere keren per dag kiezen leerlingen waar ze heen willen en wat ze willen doen.
In ‘het uilennest’, een verborgen kamer vol boeken, bekijken Ronja (10) en Kai (9) de film Ronja de roversdochter op een laptop. Ze fluisteren mee met de ondertiteling. Deze zesdegroepers, allebei kinderen met leesproblemen, volgen een bijzondere vorm van leesonderwijs, waarin het plezier voorop staat. Basisschoolleraar en kinderboekenschrijver Bert Kouwenberg mist dat element in bestaande leesmethodes en –programma’s. “Kinderen hebben personages nodig waarmee ze zich kunnen identificeren”, zegt hij. “En verhalen waarin ze kunnen verdwijnen.”
Kouwenberg maakt boeken die voor een kind normaal gesproken te moeilijk zijn toegankelijk met film- en luisterfragmenten. Daarnaast nemen volwassenen de moeilijke passages voor hun rekening. De kinderen lezen alleen de dialogen van interessante personages en krijgen zo de kans zich in te leven. Leesplezier noemden Kouwenberg en remedial teacher Lisette van Gemmert de methode die zij ontwikkelden.
Hoogleraar pedagogische wetenschappen Ludo Verhoeven (Radboud Universiteit) beaamt dat leesmotivatie en -plezier belangrijk zijn, zeker voor dyslectici. Hij waarschuwt wel dat zelfs in een aansprekend verhaal de woorden niet te moeilijk mogen zijn: “Dat zou ertoe leiden dat kinderen op basis van de verhaallijn de betekenis van woorden in de tekst gaan raden.”
Ook van Jelle Jolles, hoogleraar hersenen, gedrag en educatie aan de Vrije Universiteit Amsterdam, krijgt Kouwenberg enige bijval: “Wij vinden het belangrijk dat alle registers worden opengetrokken om kinderen, jeugdigen en volwassenen meer aan het lezen te krijgen.”
Plezier
Remedial teacher Van Gemmert werkt sinds twee jaar met Leesplezier. Toen ze tijdens haar opleiding aan de slag wilde gaan met kinderen met leesproblemen, viel het haar op dat ze “echt, maar dan ook echt” geen zin hadden in lezen. ‘Bah. Een boek. Dat gaan we echt niet lezen’, zeiden kinderen van groep 4 wanneer zij er een op tafel legde.
Met Ronja was het niet anders. Ook zij had twee jaar geleden een hekel aan lezen. “Als ze thuis boekjes moest lezen, kwam ze algauw een woord tegen waar ze niet uitkwam”, zegt haar moeder. “In de volgende zin gebeurde dat weer, in de volgende zin opnieuw en dan had ze er helemaal geen zin meer in.”
Ronja en Kaj kijken met de kin in de handen naar de laptop, twee haast identieke poses naast elkaar. Ronja de roversdochter is klemgeraakt in het hol van moenen, boswezentjes met rimpelgezichtjes en de grote neuzen van oude mannetjes. De moenen hangen een wiegje aan de voet van de roversdochter, die per ongeluk door hun plafond naar binnen is gezakt. De echte Ronja schatert het uit: “Die mannetjes zijn echt heel grappig, ze zeggen alleen maar ‘Waaróm, waarom, waarom doe je dat nou?’”
“Een kind dat film kijkt, komt direct in een verhaal terecht”, zegt Kouwenberg. “Zonder film moeten ze vaak ploeteren om in de sfeer van een verhaal te komen. Als dat eenmaal is gelukt, dan is er heel veel mogelijk.”
De Zweedse dialogen in Ronja de roversdochter zijn Nederlands ondertiteld. “Wel alle woorden hardop meelezen hoor”, zegt Van Gemmert, “dan kan ik horen waar je bent.” Nadat Ronja is gered door haar vriendje Birk zet Van Gemmert de band stil. “Nu gaan we verder in het boek.” De remedial teacher leest het verhaal, Kaj en Ronja lezen de dialogen van Birk en Ronja de roversdochter, die met een marker in hun boeken zijn aangestreept.
In de periode tussen kerst en de zomervakantie van vorig schooljaar boekten Ronja en Kaj een vooruitgang van ruim 20 procent op de Drie-minuten-toets, waarin ze zo goed en snel mogelijk losse woorden moeten voorlezen. Ronja’s progressie bedroeg in dezelfde periode meer dan 50 procent. Eerder boekten Kouwenberg en Van Gemmert ook met andere kinderen forse vooruitgang. Ze noemen de resultaten “zeer positief”.
Leesonderzoeker Suzanne Mol (Vrije Universiteit Amsterdam) is niet overtuigd: “Als je de resultaten niet vergelijkt met een controlegroep, een groep kinderen die de methode niet heeft gevolgd, dan weet je niet zeker of de vooruitgang door de leesmethode komt.”
Kouwenberg en Van Gemmert hebben op school de kans om kinderen jarenlang te volgen. “Waar het om gaat is dat je van kinderen gelukkige lezers maakt”, zegt Kouwenberg. “Een jongen die ik in groep 6 in de klas had, was net de Kleine kapitein. We hebben met hem de boeken van Paul Biegel gelezen. Sindsdien is hij ontzettend gaan lezen. Hij zit nu in groep 8, maar hij komt nog steeds naar me toe om nieuwe boeken te vragen.”
Dyslexie
De ouders van Kaj hebben ervoor gekozen hun zoon niet op dyslexie te laten testen. “Hij weet heus wel dat dit een zwak punt van hem is”, zegt zijn vader. “Maar Kaj is een heel slimme jongen. Het is beter als hij niet denkt: Oké, dat kan ik niet.” Behalve op school oefent Kaj ook veel daarbuiten, bijvoorbeeld tijdens de lange autoritten voor de buitenlandse circusoptredens van zijn ouders. “Dvd’s of laptops krijgt hij in de auto gewoon niet”, zegt zijn vader. “En als hij een boek even te langdradig vindt, dan neem ik een hoofdstuk van hem over. Dat is steeds minder vaak nodig.”
Bij Ronja is in groep 5 wel formeel dyslexie vastgesteld. Volgens haar moeder heeft Leesplezier haar het plezier in het lezen inderdaad teruggegeven. Zij vindt het belangrijk dat Ronja daarnaast bijna dagelijks werkt met oefeningen van het Regionaal Instituut voor Dyslexie (RID).
“Leesplezier is leuk”, zegt Ronja. “Dyslexie is bűűűh.” Toch heeft de moeder van Ronja bemerkt dat haar dochter baat heeft bij de ‘saaie’ oefeningen. “En er wordt op het RID heus niet alleen maar droog gestampt”, zegt ze. “De mensen daar hebben altijd tijd voor een gezellig praatje met Ronja en zijn vol lof over haar vooruitgang.”
Het werken met herhaling betekent op het RID dat kinderen steeds opnieuw dezelfde spellingsregels moeten toepassen. Ze doen computeroefeningen waarbij ze betrekkelijk saaie zinnetjes van een scherm lezen of uit losse letters woorden moeten vormen. Ze krijgen eindeloos klanken te horen, waarna ze het bijbehorende teken moeten aanwijzen.
Met dit soort oefeningen wordt op het RID gewerkt aan de koppeling van tekens aan klanken – en andersom – een gebrek aan vaardigheid dat volgens hoogleraar Verhoeven aan veel dyslectische problemen ten grondslag ligt. “Het blijkt uit interventieonderzoek dat het heel lastig is om een dergelijk fonologisch tekort te repareren”, aldus Verhoeven. “Door veel aansprekende boeken te lezen op het juiste niveau en door het snel lezen van woorden die al dan niet geflitst worden, krijgen dyslectische kinderen de kans om toch nog op een redelijk leesniveau uit te komen.”
Het spreekt leesonderzoeker Mol aan dat kinderen passages van hun eigen personages lezen en hulp krijgen met beschrijvende zinnen er tussendoor. “Zo houd je tempo in het lezen en kan je ook boeken gebruiken die aansluiten bij de leeftijd en interesse van het kind, maar nog te moeilijk zijn om helemaal zelf te lezen.”
Twijfel
Tijdens haar recente opleiding tot remedial teacher aan de Fontys Hogeschool in Tilburg maakte Van Gemmert kennis met bestaande methoden die kinderen met leesproblemen moeten helpen om vlotter te lezen. Methoden als Ralfi en Connect vloeiend lezen lijken veel gemeen te hebben met Leesplezier. Ook hier is het de bedoeling kinderen te boeien door samen met een begeleider teksten te lezen die moeilijker zijn dan normaal. Ook hier worden moeilijke woorden van tevoren aangestreept.
Van Gemmert zag niettemin beperkingen in deze bestaande methodieken. “Wij doen het echt heel anders”, zegt ze. “In die bestaande methoden moeten kinderen vaak vijf keer dezelfde tekst lezen. Dat kan ten koste gaan van het leesplezier. Wij lezen boeken helemaal en we proberen écht aan te sluiten bij de interesses van het kind. Zo is Ronja de roversdochter een avonturenboek dat erg goed past bij Ronja en Kaj.” Dyslexiespecialist Anneke Smits (Hogeschool Windesheim) ontwikkelde Ralfi en Connect. “Het belang van leesbevordering is boven iedere twijfel verheven”, aldus Smits. “En inderdaad moeten kinderen zelf hun teksten kiezen, liefst boeken. Bij Connect selecteert de begeleider vijf boekjes. Daaruit kiest het kind. Ook in Ralfi is er altijd keuzevrijheid, soms op basis van een voorselectie. Veel mensen die de methode toepassen nemen het daar echter niet zo nauw mee.”
Domoor
Voordat ze gaan lezen hebben Ronja en Kaj in hun tekst struikelwoorden opgezocht: woorden die ze moeilijk vinden. Ze lezen de woorden voor en schrijven ze over op de computer. Van Gemmert verbetert fouten en brengt regels in herinnering: “Wegstroomen? Het is weg-stro-men. Aan het einde van de lettergreep hebben lange klanken pech. Ik haal gewoon een letter weg. Dus is het met één ‘o’.”
Nadat de woorden op de computer zijn overgetikt worden ze gekopieerd in het programma Wordle. Dat programma maakt van een lijstje woorden een interessante plaat waarin de woorden steeds op een andere manier kriskras door elkaar staan, in verschillende kleuren en lettertypen. Ronja en Kaj ratelen de woorden steeds sneller op. “Deze vorm van herhaling vinden wij belangrijk”, zegt Van Gemmert. “Het lukt kinderen steeds beter om de woorden te lezen. Dat levert succeservaringen op die kinderen zelfvertrouwen geven.”
Volgens dyslexiespecialist Verhoeven kan het flitsen van woorden helpen tot snellere woordherkenning te komen: “Maar ik zie niet meteen waarom het gebruik van verschillende lettertypen daarbij zou kunnen helpen.”
Het idee om kinderen met dyslexie vreemde typografie voor te schotelen, deed Kouwenberg op in gesprekken met de kinderen in zijn klas. “Als ik met ze sprak over lezen, dan zeiden ze: ‘Het is saai’. Dat accepteerde ik dan. Totdat ik vroeg: ‘Waarom is het dan saai? Vind je het verhaal saai?’ Dan keken ze me aan alsof ik een enorme domoor was. Nee natuurlijk niet, lézen is saai.”
Volgens Kouwenberg ervaren dyslectische kinderen tekst als saai, omdat het verhaal voor hen verborgen blijft achter de letters, de woorden en de zinnen. De boeken over de muis Geronimo Stilton brachten hem op een idee: “Ik ben geen liefhebber van deze boeken, maar veel dyslectische kinderen zijn het wel. En dat begrijp ik. Dankzij de gekleurde woorden en grappige aansprekende lettertypen komen saaie woorden tot leven.”
Met de typografie van de Geronimo-boeken in zijn achterhoofd dacht Kouwenberg erover na hoe hij de saaiheid van grijze lappen tekst voor kinderen kon doorbreken. Het computerprogramma Wordle bleek de sleutel. Met behulp van Wordle kunnen kinderen de struikelwoorden die zij eerder in een tekst gevonden hebben, voor het lezen oefenen. “Veel goede lezers zouden misschien moeite hebben met de rare lettertypen, vreemde kleuren en woorden die in een andere richting geschreven zijn”, zegt Kouwenberg. “Kinderen met dyslexie hebben daar geen last van.”
Kouwenberg (65) nam voor de zomer afscheid op de De la Reyschool, waar hij meer dan veertig jaar heeft gewerkt. Met illustrator Mark Janssen werkt hij aan een nieuw kinderboek, waarin tekst en beeld elkaar op een bijzondere manier aanvullen, net als in een film. Kouwenberg: “Er groeit een nieuwe generatie kinderen op. Onder invloed van games, computers en een nieuwe beeldcultuur gaan zij op een andere manier om met boeken. Dat zou consequenties moeten hebben voor de manier waarop je kinderen in boeken en methodes met verhalen in aanraking brengt. Met mijn nieuwe boek wil ik daartoe een aanzet geven.”