• blad nr 15
  • 6-10-2012
  • auteur R. Wisman 
  • Redactioneel

Werken met een handicap 

Succes hangt af van goede wil (van twee kanten)

Werken met een structurele beperking is mogelijk, bewijzen Hann, Joris en Frans. De wet biedt werkgevers voorzieningen en financiële voordelen om mensen met een handicap aan het werk te houden. Maar de praktijk is weerbarstig.

Tapijt op de vloer, gordijnen voor de ramen, vilt onder de tafels en stoelen. Het waren kleine aanpassingen die een basisschooldirecteur moest doen om een docent met gehoorproblemen, na 35 jaar trouwe dienst, het werk mogelijk te maken. De werkgever vertikte het, volgens AOb-advocaat Frans Lathouwers. “Voor de docent was het slopend.”
Uiteindelijk is ze ontslagen vanwege arbeidsongeschiktheid. “Het UWV wilde haar van deze werkgever verlossen.”
Een docent met een chronische hernia, op een andere basisschool, had zijn werk kunnen blijven doen met een aangepast bureau in een vast lokaal. Het eerste kreeg hij, het laatste niet. Het bureau moest hij tussen de bedrijven door zelf door de gang verslepen. “Regelrechte tegenwerking”, aldus Lathouwers die zich dagelijks buigt over zaken die de onwil van werkgevers ten opzichte van werknemers met een beperking blootleggen. “Meestal gaat het om werknemers die na een burn-out beperkt zijn. Werkgevers willen er vanaf”, is zijn ervaring.
“In het begin is er vaak nog begrip voor de collega met handicap, maar na verloop van tijd wordt dat minder”, aldus Lathouwers. Een administratief medewerker keerde na een beroerte halfzijdig verlamd terug met een aangetast spraakvermogen, waardoor ze moeilijker te verstaan was. “Na een tijdje werden mensen er moe van. Dat zie je wel vaker. Ook gebeurt het dat collega’s jaloers zijn op de extra faciliteiten die de gehandicapte collega krijgt.”
Lathouwers benadrukt dat hij als vakbondsadvocaat alleen maar ellende op zijn bordje krijgt, en een vertekend beeld heeft. “De succesverhalen krijg ik niet mee.”

Rituele dans
De Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte geeft werknemers met een handicap dezelfde rechten als ieder ander. De werkgever heeft ook dezelfde plichten. Dat de praktijk minder rooskleurig is dan de wettelijke theorie, blijkt uit de zaken die bij de Commissie Gelijke Behandeling aangespannen worden. “In 2011 gingen er 21 zaken over handicap en werk. Van werving en selectie en aanstelling tot beëindiging van de arbeidrelatie, arbeidsvoorwaarden en arbeidsomstandigheden”, aldus Marysha Molthoff van de commissie.
Van 2009 tot 2011 speelden er vier zaken in de onderwijssector. Drie van de vier zaken bevestigen waar de AOb-advocaat mee geconfronteerd wordt. De Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (wia) vindt de advocaat een ‘rituele dans’. Het eerste jaar van de ziekte zijn werkgevers verplicht te zoeken naar (ander) passend werk binnen de onderwijsinstelling. In het tweede jaar moeten ze buiten de instelling ‘zoeken’. “Na deze twee jaar volgt het ontslag”, zegt Lathouwers. “De weg naar de wia is het makkelijkst.”

Praktisch
Maar niet alle werkgevers volgen die makkelijke weg. “Wij nemen de Wet poortwachter (die werkgevers verplicht om langdurig zieken weer aan ‘passend werk’ te helpen, red.) serieus, en blijven zoeken naar mogelijkheden”, benadrukt Betty van Waesberghe, directeur van de pabo Arnhem.
Op de Arnhemse pabo staat ‘diversiteit’ op de voorgrond in het personeelsbeleid. “Je gaat natuurlijk niet bewust op zoek naar allochtonen of mensen met een beperking. Maar wij gaan wel zo open mogelijk op zoek naar de geschikte kandidaat. Wat hebben we nodig? De kwaliteiten van mensen staan centraal.” Vervolgens kijkt ze: Hoe zorg ik dat deze werknemer zijn werk goed kan doen?
Bij een medewerker met een beperking vraagt dat soms een extra inspanning, beaamt ze. “Iemand met chronische rugklachten die een halve aanstelling heeft, kan je niet drie dagen achter elkaar inroosteren. Dat moet je een beetje verspreiden over de week.”
Voor docent Frans de Gruijter die in een rolstoel zit, regelde ze een rustruimte met bed. “De ruimte wordt ook gebruikt door kolvende moeders. Je moet praktisch denken.” Ook regelde ze een vaste parkeerplaats dicht bij de ingang voor hem. Zijn eigen aanvraag liep spaak in de bureaucratie. Parkeerplaatsen voor gehandicapten mogen niet op kenteken, kreeg hij te horen. Van Waesberghe: “Als ik dan even bel, komt het goed.”
Met het Wetsvoorstel werken naar vermogen toonde het vorige kabinet de ambitie om de kans op werk voor mensen met een handicap te vergroten. Naast de bestaande regelingen, zoals no-riskpolissen, premiekortingen en een vergoeding van kosten voor noodzakelijke aanpassingen van de werkplek, kent deze wet een aantal nieuwe instrumenten. Bijvoorbeeld de introductie van loondispensatie waarbij de werkgever alleen betaalt voor wat de werknemer met de beperking daadwerkelijk produceert. De overheid vult dat aan tot maximaal het minimumloon. Het is aan het volgende kabinet om te bepalen hoe en of deze wet ingevoerd wordt.

{kader}
Wil niet of kan niet?
• Ruim vier op de tien mensen met een lichamelijke handicap geeft aan graag te willen werken. De lichamelijke beperking is de belangrijkste hindernis.
• Ongeveer de helft van de niet-werkenden met lichte beperkingen en bijna drie kwart van de niet-werkenden met matige of ernstige beperkingen acht zich niet in staat tot werken.
• Ongeveer de helft van de werkenden kreeg de aandoening of handicap toen men al bij de huidige werkgever werkzaam was. De andere helft solliciteerde met beperkingen.
• Als bij de sollicitatie duidelijk is dat men een beperking heeft, blijkt het werk vaker aangepast en is de houding van collega’s en leidinggevende positiever dan wanneer men de aandoening bij de sollicitatie verzweeg of de aandoening kreeg nadat men al werkzaam was.
• Zelf schatten de niet-werkenden, ook die met lichte beperkingen, hun kansen op de arbeidsmarkt laag in.
• Enige terughoudendheid van de werkgever bij het aannemen van werknemers met beperkingen, lijkt niet ongegrond. Circa 30 procent van de werkenden met beperkingen meldt dat hun aandoening of handicap tot extra verzuim leidt.

bron: Rapportage gehandicapten van het Sociaal en Cultureel Planbureau, 2007

{portret 1}
Wie: Hann van Schendel, 36 jaar
Handicap: rolstoelgebonden als gevolg van een spierziekte (spinale musculaire atrofie)
Werk: docent Nederlands, Cygnus Gymnasium in Amsterdam (0,87 fte)

“Dat ik in een rolstoel zit, vermeld ik niet in sollicitaties. Dat doet voor mijn werk niet ter zake. Als ik word uitgenodigd, bel ik vooraf om te vragen of het gebouw rolstoeltoegankelijk is.
De rector van het Cygnus had via google ontdekt dat ik rolstoelgebonden ben. Mijn cv vond hij prachtig, maar hij wist niet of zijn schoolgebouw aan de eisen voldeed. Hij nodigde me uit langs te komen om dit te onderzoeken.
In het huidige schoolgebouw is geen invalidentoilet. Ik zei dat ik voor een porta potti - een mobiel toilet - zou zorgen, mits de school een ruimte met privacy regelde. Die vonden we. Om het eerste lesuur te kunnen beginnen, moet ik om vijf uur opstaan. Daarom gaf ik aan dat ik, indien mogelijk, het tweede uur wil beginnen. Drie van de vier werkdagen is dat gelukt.
Als je wilt werken met een handicap, moet je zelf aangeven wat je nodig hebt en het voortouw nemen om de oplossingen uitgevoerd te krijgen.
Door de ziekte waarmee ik geboren ben, heb ik weinig spierkracht. Ik kan niet lopen en zit in een elektrische rolstoel. Met een computer en beamer red ik mij prima voor de klas. Op het Cygnus bleken deze standaard in ieder lokaal te staan. Het enige dat ik niet zelf kan, is deuren en ramen openen, en boeken in of uit de tas doen. Daar vraag ik leerlingen bij te helpen en dat doen ze graag.
Als je goed bent in lesgeven, kan je met een handicap prima voor de klas staan. Leerlingen laat ik tijdens de eerste les een aflevering van het BNN-programma Je zal het maar hebben zien over mij en mijn spierziekte. Ze mogen in deze les ongegeneerd alles vragen wat ze willen.
In de klas proberen ze mij net zoveel uit als andere leraren. Dat vind ik normaal. Het zou raar zijn als ze me uit medelijden met rust lieten.
In de loop van het schooljaar verhuist het Cygnus naar een nieuw gebouw. In het ontwerp van de faciliteiten voor mensen met een rolstoel word ik actief betrokken. Wat een luxe!”

{portret 2}
Wie: Joris Sleiffer, 29 jaar
Handicap: blind als gevolg van de ziekte van Wegener
Werk: docent Grieks en Latijn, Lyceum Oudehoven Gorinchem (0,45 fte)

“Ik zie niet wat leerlingen uitspoken. Ik geef les op basis van vertrouwen. Als ze kwaad willen, kunnen ze dat doen. Ze zitten stiekem op het internet, denk ik wel eens. Maar volgens mij gebeurt het niet of zelden. De klassen zijn gelukkig klein. De grootste telt zeven leerlingen.
Tot drie jaar geleden zag ik prima. Eind 2007 bleek dat ik de ziekte van Wegener heb, een auto-immuunziekte die de wanden van de kleine bloedvaten doet ontsteken. Ik ging gebukt onder hevige hoofdpijnaanvallen. Tijdens een aanval van 9 op 10 december 2009 sloot een bloedpropje waarschijnlijk de bloedtoevoer naar mij oogzenuw af en ging het licht uit. Ik zie niets meer. Het lesgeven is voorbij, dacht ik, maar mijn collega stimuleerde mij om mijn kennis zinvol te blijven inzetten. We delen de klassen nu.
In het revalidatiecentrum leerde ik hoe ik met hulpmiddelen op de computer kan werken. Met een spraakprogramma laat ik teksten voorlezen, met de brailleleesregel ervaar ik wat er op de monitor staat. Het apparaat volgt de bewegingen die ik met de pijltjestoetsen maak. Leerlingen leg ik in de eerste les uit wat mij overkomen is, en hoe ik werk.
Bij mondelinge overhoringen van het huiswerk mag één leerling de woorden noemen. Dat is een gewilde plek. Schriftelijke overhoringen zet ik in word op usb-sticks.
Het duurt drie, vier keer zo lang om de informatie in mijn hoofd te krijgen. Snel even kijken of schakelen tussen bestanden gaat niet meer. Met Latijn en Grieks ben ik gelukkig altijd nog sneller dan mijn leerlingen. Het enige dat ik niet zelf kan is schriftelijk werk nakijken. Dat doet mijn collega voor mij.
Directeur, teamleiders en collega’s vinden het mooi dat ik terug ben, en steunen me. Ik kreeg een vast lokaal en de roostermakers houden optimaal rekening met mij, zodat ik het lesgeven vol kan houden. Ik ben dankbaar dat ik hier kan en mag werken.”

{portret 3}
Wie: Frans de Gruijter, 62 jaar
Handicap: rolstoelgebonden als gevolg van beschadigde gewrichten (als gevolg van beenmergontsteking)
Werk: docent pedagogiek pabo Arnhem, verantwoordelijk voor de minor vmbo (0,4 fte)

“Boeiend werk hebben, terwijl je in een rolstoel zit. Als je wilt, kan dat. Al moet je ook het geluk hebben dat je de juiste mensen op het juiste moment tegenkomt.
Ik stuurde de pabo in 2003 een open sollicitatie. Een jaar later was er een vacature en werd ik opgebeld. Tijdens het gesprek is met geen woord over mijn rolstoel gerept. De pabo nam mij aan om hetgeen ik te bieden heb.
Als je jezelf naar beneden haalt, wordt het niets. Ik zie mezelf niet steeds in een rolstoel zitten. Als ik mezelf soms in een weerspiegeling voorbij zie komen, denk ik: Jij durft.
Ik kan nooit ongemerkt binnenkomen, of er onopvallend tussenuit knijpen. Meestal moeten mensen voor mij in beweging komen, zodat ik richting deur kan.
Ik voel me bevoorrecht dat ik in Nederland woon. Een bureau dat omhoog en omlaag kan, was snel geregeld. Er is een lift en een invalidentoilet.
Toen ik ter wereld kwam, had ik een ontstoken nagelriem aan mijn middelvinger. Door - waarschijnlijk - een onhygiënische behandeling kreeg ik een beenmergontsteking. Het beenmerg zet op en knelt de bloedvaten af, waardoor verschillende gewrichten beschadigden.
Sinds 1998 heb ik, door een niet goed gelukte operatie aan mijn rug, een gedeeltelijke dwarslaesie en kan ik niet meer lopen. Tot die tijd liep ik met een kruk.
Werk is een belangrijk deel van mijn identiteit. Het UWV bepaalde dat ik 0,4 fte kan werken en vult mijn loon aan tot het fulltime salaris dat ik verdiende voor ik ziek werd.
Ik ga vaak over mijn uren heen. ’s Middags moet ik even gaan liggen, maar dat komt er niet altijd van. Grenzen aangeven is lastig. Ook omdat ik bewijsdrang voel: Kijk, het lukt me wel.
Ik ben positief, dat zit in mij. Als kind bleef ik van sport houden, ondanks het feit dat ik standaard als laatste uitgekozen werd.
Nieuwe studenten vertel ik in de eerste les welke ziekte mij trof, dat hen in hun jonge leven ook iets ergs kan overkomen. Je kan je ertegen verzetten, maar het leven valt meer op z’n plek als je die energie steekt in iets positiefs.”

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.