- blad nr 14
- 22-9-2012
- auteur W. de Lange, de
- Column
Beschreven blaadjes
Na wat inleidende woorden vraag ik ze met handopsteken duidelijk te maken of ze geschiedenis leuk vinden. Daarna vraag ik of ze geschiedenis nuttig vinden. Een kleine minderheid vindt het ‘soms’ leuk omdat ze in een van hun basisschooljaren een meester of juf hebben gehad die verhalen kon vertellen of goed was met dvd’s. De rest ziet er weinig in. Bij geschiedenis denkt eigenlijk niemand aan het woordje ‘nuttig’. Gist en meel zijn nuttig, rekenen is nuttig, taal is onvermijdelijk. Maar geschiedenis is zielig.
Dan vraag ik ze na te denken. “Weet je iets over de geschiedenis van een dierbare, van je vader of je moeder, je oma of opa, een vriend of vriendin? Iets uit de geschiedenis van die persoon dat je moet weten om die persoon te begrijpen?” Ik geef een paar voorbeelden, onder andere uit het leven van mijn eigen voorvaderen. Het is list nummer zoveel. Ik wil eindelijk eens voelbaar maken dat geschiedenis helpt om de wereld te begrijpen. Misschien niet zo’n sterke list. Ik probeer het gewoon.
Het verbaast me hoe makkelijk ze de vraag omarmen. Ik kondig aan dat ik hun verhaal zal voorlezen maar zonder naam en zonder veelzeggende blik op de auteur. Allemaal vinden ze het best. De voorzorgen vinden ze zelfs een beetje overdreven. Ze gaan ijverig en stil aan het schrijven, ze zijn nog lief en onder de indruk.
Er komen veel scheidingen, ziektes en sterfgevallen opborrelen. Verwaarlozing ook: ‘Mijn moeder en mijn oom werden toen ze klein waren vaak door hun moeder uit huis gezet. Hun moeder was raar.’ Geen leerling of collega zal van mij horen welke naam bij welk verhaal hoort.
Een aantal keren komt er niks: ‘Ik vind deze vraag heel moeilijk. Mijn vader ken ik niet, mijn moeder en mijn oma vertellen niets.’ Het verhaalloze opgroeien, bestaat dat? Vullen games en films dat gat naar behoren?
Een ander kind wil niet schrijven, maar vindt het geen enkel probleem om het te vertellen: “Mijn vader komt uit India. Als hij gaat praten over vroeger gaat hij makkelijk drie uur door. De Engelandmensen zijn naar zijn land gekomen en hebben daar de koning vermoord. Zijn zoon hebben ze mee naar Engeland genomen. En ze namen ook een hele grote diamant mee, die hebben ze gestolen.” Of het helemaal klopt, doet in deze les volstrekt niet ter zake.
Eentje lees ik niet voor. Te erg. Geweld in het gezin van de leerling zelf. Ik neem de schrijfster twee lessen later even apart en vertel dat ik deze informatie aan niemand doorgeef. Dat het haar keuze is om het bijvoorbeeld aan haar mentor te vertellen. “Ik doe er niet moeilijk over, hoor”, zegt ze luchtig. “Da’s vroeger. Ik denk aan de toekomst.”