- blad nr 14
- 22-9-2012
- auteur R. Voorwinden
- Redactioneel
Eerste lichting academische pabo studeert af
Nu eerst een masteropleiding
Het is een kleine mijlpaal: de allereerste studenten van de academische pabo hebben hun diploma op zak. Of liever, hun diploma’s: de Utrechtse studenten zijn geslaagd voor zowel de pabo als de universitaire bacheloropleiding onderwijskunde.
De 31 studenten die nu zijn afgestudeerd, begonnen in 2008 aan de toen gloednieuwe opleiding. Theo Wubbels, vice-decaan van de faculteit sociale wetenschappen van de Universiteit Utrecht, merkte al jaren dat veel studenten van zijn faculteit 'iets met kinderen' wilden, maar dan wel op universitair niveau. Dus ontwierp hij een opleiding waarbij studenten tegelijk de pabo en een academische studie volgen. Aan de universiteit én de hogeschool, die in Utrecht slechts een paar honderd meter van elkaar verwijderd zijn.
De belangstelling voor de nieuwe opleiding was groot. Er meldden zich 150 aspirant-studenten, die streng onder de loep werden genomen. Zo moesten de geïnteresseerden onder andere een aanbevelingsbrief meesturen van bijvoorbeeld een leraar of decaan, en aangeven welke ervaring ze al hadden in het omgaan met kinderen. Ook werd er geselecteerd op goede cijfers voor Engels en wiskunde – vakken die belangrijk zijn in een universitaire studie. Daarna werden veelbelovende kandidaten op gesprek uitgenodigd.
Zware studie
Van de 150 geïnteresseerden werden er uiteindelijk zo’n vijftig toegelaten. Van wie er in het eerste jaar maar liefst 18 uitvielen: een teleurstellende 34 procent. Zo’n percentage is normaal bij ‘gewone’ opleidingen, maar Wubbels had verwacht dat de supergemotiveerde kandidaten het beter zouden doen. “We benadrukken tegenwoordig nog maar eens extra dat dit echt een zware studie is.”
Want zwaar is het: studenten van universitaire opleidingen besteden gemiddeld zo’n dertig uur per week aan hun studie, studenten van de academische pabo zo’n veertig uur. Dat is inclusief de stage, want de studenten gaan vanaf het eerste jaar één dag per week naar een basisschool.
De studenten aan de academische pabo zijn ‘kritischer, slimmer en preciezer’ dan studenten van reguliere pabo’s, zegt Wubbels. “Op een van de basisscholen waar onze studenten stage lopen, is gebruikelijk dat stagiairs worden rondgeleid door leerlingen. En die leerlingen vertelden achteraf dat studenten van de academische pabo veel slimmere vragen stellen. Dat vond ik treffend.” Waarmee Wubbels niets af wil doen aan de kwaliteit van de reguliere pabo’s. “Maar die pabo’s werken ook met havisten en mbo-doorstromers. Wij kunnen werken met streng geselecteerde vwo’ers, en dat merk je.”
De academische pabo blijkt, tegen de verwachting in, geen extra jongens te trekken. In de groep van 53 beginners zat er ééntje. Ook in de latere lichtingen blijken jongens op de academische pabo net zo zeldzaam te zijn als op de reguliere pabo’s. “Het aantal jongens is niet gestegen”, erkent Wubbels “Maar goed, dat was ook niet waarom ik de academische pabo begonnen ben.”
Sinds 2008 hebben meerdere academische pabo’s de poorten geopend. Inmiddels zijn er tussen de vijf en de twaalf, afhankelijk van hoe smal of breed je het begrip ‘academische pabo’ definieert. Op de ene academische pabo behalen de studenten op hetzelfde moment het pabodiploma én een bachelordiploma van de universiteit. Op een andere academische pabo halen de studenten eerst het pabodiploma, om daarna verder te studeren voor een masteropleiding aan de universiteit of het hbo. Op de ene academische pabo is er een geïntegreerd programma, waarbij de studenten als groep bij elkaar blijven. In de andere schuiven de studenten aan bij de reguliere colleges in het hbo en op de universiteit. Tot slot blijft de samenwerking niet meer beperkt tot pabo’s en opleidingen onderwijskunde: ook de universitaire studie pedagogiek heeft zich op de markt gestort.
Nieuw talent
De stagescholen zijn tevreden over de studenten van academische pabo’s, zo blijkt uit het rapport Effectieve inzet academisch gevormde leerkrachten PO van het Arbeidsmarktplatform Primair Onderwijs. De scholen verwachten dat de nieuwe leerkrachten met hun onderzoeksvaardigheden een stevige bijdrage zouden kunnen leveren aan bijvoorbeeld de ontwikkeling van opbrengstgericht werken, of aan de invulling van passend onderwijs. Met de nadruk op ‘zouden’, want tijdens de stages is er nog weinig gebruikgemaakt van de academische vaardigheden van de studenten. Die zijn op dat moment immers nog druk bezig om de basisvaardigheden van het lesgeven onder de knie te krijgen.
De scholen verwachten dat de nieuwe leerkrachten de eerste jaren voornamelijk voor de klas zullen staan, en daarna doorstromen naar hogere functies. Dat voor de klas staan moet echter nog even wachten, want verreweg de meeste afgestudeerden van de Utrechtse academische pabo willen eerst een masterdiploma halen.
De meeste studenten stromen door naar de masteropleiding onderwijskunde, waarvan ze het bachelordiploma net op zak hebben. Dat doorstromen is ook eigenlijk nu of nooit: een jaartje extra student blijven is veel makkelijker dan het volgen van een master op latere leeftijd, in deeltijd naast een baan en hypotheek. Ook al is zo’n masteropleiding helemaal niet nodig om als academische leraar in de praktijk te kunnen werken, benadrukt Wubbels. “Maar goed, als de hele maatschappij roept dat je zonder een masterdiploma niets waard bent, kan ik daar niet tegenop. Ik vind het niet leuk, maar het is niet anders.”
En let wel: de afgestudeerden die eerst een masterdiploma volgen zijn niet verloren voor het onderwijs. ‘De meerderheid van de studenten wil het onderwijs in’, constateert het Arbeidsmarktplatform Primair Onderwijs. ‘Ze willen daar, behalve lesgeven, ook bijdragen aan de verbetering van de kwaliteit van het onderwijs. In de klas, in de school of daarbuiten. Bijvoorbeeld methode-ontwikkelaar, pedagoog of onderzoeker.’
En dat is nu precies het doel van de academische pabo, zegt Wubbels. “Er beginnen nu jaarlijks in het hele land tussen de driehonderd en vierhonderd studenten aan een academische pabo. Dat zijn doorgaans vwo’ers, die anders waarschijnlijk een andere academische opleiding zouden hebben gekozen. En die dan waarschijnlijk buiten het onderwijs terecht zouden zijn gekomen. We hebben nieuw talent weten aan te boren voor het basisonderwijs, en daar was het allemaal om begonnen.”
{Kaders afgestudeerden}
Juanita de Jong: ‘Voor de klas staan is leuk’
“De academische pabo is een mooie, intensieve opleiding. Wij waren de eerste groep studenten, dus er moest natuurlijk wel wat worden bijgestuurd. In het tweede jaar kregen we bijvoorbeeld bij onze stages opdrachten mee van de studie onderwijskunde. We moesten op de basisschool een aantal zaken onderzoeken, en daarover vervolgens adviseren. Maar die rol als onderzoeker past, zo vroeg in de studie, niet bij je rol als stagiair. Op zo’n moment ben je te druk bezig om leerkracht te worden. Die opdrachten zijn ook snel aangepast.
Voor de klas staan vind ik erg leuk. Zeker in het vierde jaar, als alles samenkomt en je in je eentje een hele klas moet draaien. Aan het begin van dat jaar denk je ‘dat lukt me nooit’, maar aan het einde doe je het met veel plezier en gaat het nog goed ook. Dan realiseer je je pas hoeveel je eigenlijk geleerd hebt.
Ik vind lesgeven heel leuk, maar weet niet of ik een hele week voor de klas wil staan. Daarom wil ik nog een masteropleiding onderwijskunde volgen. Maar eerst ga ik een jaar invalwerk op scholen doen, en reizen: naar Canada en Australië.”
Valerie Borgdorff: ‘Het is echt een vak’
“De academische pabo is heel erg goed bevallen: vooral de combinatie van theorie en praktijk. Wat je op de universiteit leert, kun je vaak meteen terugzien in de klas. Lesstof over leerstoornissen kwam bijvoorbeeld meteen van pas tijdens een stage op een school voor speciaal onderwijs.
Je merkt ook dat lesgeven zwaar kan zijn. Er wordt nog wel eens makkelijk over gedacht: mensen kijken vaak vooral naar de lange vakanties van leraren. Maar leraar zijn is een echt vak, dat je eigenlijk alleen maar goed leert in de praktijk. Daarom is het ook fijn dat ik op verschillende scholen stage heb mogen lopen, van een zwarte school en een school voor speciaal onderwijs tot een school waar het onderwijs is opgezet volgens de theorie van natuurlijk leren.
Gaaf aan deze academische pabo is ook dat je leert nadenken over waarom je de dingen doet zoals je ze doet, en wat er beter zou kunnen. Ik merk dat het tempo op de universiteit ook hoger ligt dan in het hbo. Mijn moeder geeft les aan de pabo, en als je samen over het lerarenonderwijs praat zie je wel verschillen.
Na de zomervakantie begin ik aan een masteropleiding onderwijskunde. En daarna weet ik het nog niet. Ik moet zien waar mijn hart naar uitgaat. Ik hoop alleen dat de verschillen tussen afgestudeerden van ‘normale’ pabo’s en afgestudeerden van academische pabo’s niet teveel benadrukt worden. Ik hoop dat we met elkaar gewoon gaan bouwen aan goed onderwijs.”
Jan Willem Hengeveld: ‘Lekker met de kinderen aan de slag’
“In eerste instantie werd ik niet op de academische pabo toegelaten: er was een beperkt aantal plaatsen en ik had te weinig aantoonbare ervaring met kinderen. Toen ben ik de gewone pabo gaan doen, waar ik me een paar maanden lang verveeld heb maar wel goede cijfers haalde. Mijn begeleider wist dat ik de academische pabo wilde gaan doen, en toen er een plek vrijkwam ben ik halverwege het eerste jaar alsnog ingestroomd.
De colleges waren een verademing. Op de gewone pabo wordt de stof vooral voorgekauwd uit het boek. Dat snap ik ook wel: er zitten daar heel veel havisten en mbo’ers, en niet alle studenten zijn even gemotiveerd. Er werd ook veel aandacht besteed aan bijvoorbeeld zinsontleding, maar dat was voor mij, vanwege mijn achtergrond, niet echt nodig.
Op de academische pabo ga je veel dieper op de stof in en denk je veel kritischer na. Het lesgeven bleek wel moeilijker dan ik dacht. Ik heb nu alleen mijn bachelordiploma onderwijskunde gehaald, voor mijn pabodiploma moet ik nog wat extra doen. Maar ik vind het wel erg leuk om les te geven. Lekker met de kinderen aan de slag, ze zien groeien – daar haal ik mijn energie wel uit.
Na de vakantie hoop ik te beginnen aan een masteropleiding onderwijspedagogiek. Want die pedagogische kant heb ik wat gemist in deze opleiding. Daarna wil ik een paar jaar voor de klas staan. En later wil ik ook graag de kwaliteit van onderwijs gaan verbeteren. In de school of daarbuiten, bijvoorbeeld bij een onderwijsbegeleidingsdienst.”
Marloes Alblas: ‘Ideale combinatie van praktijk en wetenschap’
“Deze studie was echt de ideale combinatie van praktijk en wetenschap. In het begin vond ik onderwijskunde erg pittig, de vakken van de pabo maakten het leuk. Later in de studie draaide dat wat om. De combinatie maakt het wel zwaar, zeker omdat je ook stage loopt, het blijft druk in je hoofd.
Ik denk niet dat ik voor de klas wil gaan staan. Ik was benieuwd hoe het vak van leerkracht zou zijn, en na vier jaar stage te hebben gelopen weet ik dat nu wel voldoende. Na de vakantie begin ik aan een master onderwijskunde of een master taalwetenschap. En daarna wil ik een baan zoeken op het gebied van onderwijsontwikkeling of –advisering. Daarbij is het toch een voordeel dat ik zelf ook eventjes voor de klas heb gestaan.”