• blad nr 21
  • 1-12-2001
  • auteur G. van der Mee 
  • Redactioneel

 

Groot is uit en klein is in

In vrijwel alle verkiezingsprogramma's staat het. We gaan voor kleinschalig, de grote brede scholengemeenschap is niet langer het ideaal. Herkenbaarheid en veiligheid gaan nu hand in hand met de menselijke maat. Hier en daar is de gang terug naar de kleine school al gemaakt. Zoals in Amsterdam waar het Esprit-bestuur met een aparte havo/vwo-school de teloorgang van de bovenbouw wil redden. Of de ICT-Academie die, afgesplitst van de brede roc, een gespecialiseerd aanbod doet voor een beperkte groep leerlingen. Groot is uit, klein is in.

"De beeldvorming is dat een grote school niet gunstig is voor het welbevinden van de leerling, maar tot nu toe hebben wij dat empirisch niet kunnen onderbouwen." Lex Herweijer, werkzaam bij het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) zegt het wat droogjes. Hij doet al jarenlang studie naar de effecten van schaalvergrotingsoperaties, onder meer in het voortgezet onderwijs. Het aantal zelfstandige scholen is daar van 2016 in 1987 teruggelopen naar 586 nu. In 1992 had een school gemiddeld 602 leerlingen en nu zit het gemiddeld op 1427. Volgens het onderwijsverslag van inspectie over het jaar 2000 zijn er twintig brede scholengemeenschappen, met een gemiddelde omvang van ruim 2000 leerlingen. Toch valt het met de massaliteit reuze mee. De meerderheid van de brede scholengemeenschappen heeft namelijk een of meer nevenvestigingen, waardoor het gemiddelde per locatie op 760 leerlingen komt te liggen.
Het aantal grote schoolgebouwen is relatief sterk toegenomen omdat de beheerslast daarvan laag is in relatie tot het aantal leerlingen. Schoolleiders doen veel moeite, volgens inspectie, om overzichtelijke eenheden te creëren en gevoelens van massaliteit en anonimiteit te voorkomen. Vooral in de grote steden, of in andere situaties waar de concurrentie groot is, blijken de grote brede scholengemeenschappen echter minder aantrekkelijk. Vandaar dat er allerlei kleinschalige initiatieven zijn genomen om wel te voldoen aan de vraag van de markt.

Monster
Opvallend in de verkiezingsprogramma's van vrijwel alle politieke partijen is de wens tot schaalverkleining. Besturenfusies mogen nog wel, maar grote gebouwen zijn taboe vanwege de anonimiteit en onveiligheid. Het is alsof de politici nu tot de ontdekking komen dat ze met hun schaalvergrotingsoperaties in de vorige eeuw een monster baarden dat nu snel weer bestreden moet worden. D66 heeft als enige partij uitgewerkte voorstellen bij de weg terug naar schaalverkleining. De anderen laten het bij een modieuze wilsbetuiging zonder in te gaan op de ideeën uit het verleden.
Al voor de zomervakantie publiceerde D66 de nota 'Kiezen voor kleiner' waarin onder meer wordt gepleit voor een vetorecht voor leerlingen, ouders en docenten bij fusies. Zij moeten tevens schaalverkleining kunnen afdwingen door bijvoorbeeld splitsing van de school.
Om kleinere schoollocaties mogelijk te maken in het voortgezet onderwijs moet er, volgens D66, 500 miljoen extra in het gemeentefonds worden gestort. D66-Kamerlid Ursie Lambrechts claimt dat haar partij al in 1994 voor behoud van de categorale school pleitte naast de brede school. "Daarover zijn diverse keren moties ingediend maar die zijn nooit uitgevoerd door het kabinet." Ze vindt het aan de ene kant mooi dat er nu opeens zoveel medestanders voor kleinschaligheid zijn, aan de andere kant ziet ze geen echte maatregelen die het ook mogelijk kunnen maken. "Het staat nu wel op de politieke agenda, maar wat gebeurt er vervolgens?" De kersverse nota van staatssecretaris Adelmund 'School op maat' biedt wat dat betreft ook al weinig soelaas. Lambrechts: "Wij hebben om die nota gevraagd, maar de honderd miljoen die daarin wordt beloofd, is volgens mij al drie keer uitgegeven." Ook de andere politieke partijen maken zich volgens haar schuldig aan veel mooie woorden, maar weinig daden. "Het CDA wil zelfs een maximum omvang stellen aan een school. Dat lijkt me in de praktijk lastig. Dan kan bij wijze van spreken de ene helft van het gezin er nog wel bij, maar de andere helft moet maar ergens anders heen!"
In New York experimenteerde men zeven jaar geleden al met het opsplitsen van grote scholen. Volgens NRC-correspondent Maarten Huygen was er geen geld om nieuwe locaties te bouwen en werden de bestaande megascholen eenvoudig in tweeën gesplitst.
De publieke opinie was nooit een groot voorstander van schaalvergroting. Het SCP meldt in 1995 (1) al dat de publieke discussie zich richt op behoud van het bestaande. Het kleine overzichtelijke wordt gekoesterd (de enige school in het dorp, de plaatselijke mavo) en het grote onbekende (de anonieme mammoetschool) wordt afgewezen.
Tot een echte schaalvergroting is het daarom in het basisonderwijs nooit gekomen. Onder druk van de talloze lobby's, met name vanuit de plattelandsgemeenten, werd de regelgeving steeds ingewikkelder. Tenslotte is er eigenlijk alleen in de grote steden flink gesnoeid. Het gemiddelde ligt nu op 220 leerlingen per school en op 163 per locatie. In veel middelgrote steden werd de opheffingsnorm dermate laag dat er nog steeds onevenredig veel scholen bestaan. Zo meldt de directeur van het onderwijsbureau in Apeldoorn dat er daar alleen al dertig openbare basisscholen bestaan. In totaal heeft de gemeente zeventig scholen waaronder de kleinste van Nederland in Uddel, een schooltje met negen kinderen. Om toch wat efficiënter te kunnen werken heeft het openbaar onderwijs in Apeldoorn wel één bovenschoolse directie.

Breed
De ene brede scholengemeenschap is de andere zeker niet.
In Vught zal zo'n school een regionale functie hebben zolang hij de enige is in zijn soort. Duikt er echter vlakbij een school op met alleen een havo/vwo-afdeling dan geven hoger opgeleide ouders daar al snel de voorkeur aan. Volgens SCP vrezen deze ouders niveauverlaging op een brede school en vinden ze klein altijd beter dan groot. Veel brede scholengemeenschappen gingen na de fusie opeens door het leven als 'college', de naam die van oudsher van gebruikt werd door r.k. havo/vwo-scholen. Ondanks dit statussymbool verloren veel scholen de strijd om de betere leerling en zagen hun bovenbouw afkalven. Een aantal schoolbesturen besloot daarom tot het opsplitsen van de vmbo- en de havo/vwo-afdelingen in aparte gebouwen. Een kostbare geschiedenis die alleen loont bij een groeiend aantal leerlingen zoals in de gemeente Almere. Daar besloot het bestuur van de OSG Echnaton, de Daltonschool Helen Parkhurst op te zetten voor een aparte havo/vwo-bovenbouw. In Amsterdam deed het Espritbestuur hetzelfde en de interconfessionele scholengemeenschap Gerrit van der Veen stootte zijn mavo-afdeling af waardoor de huidige havo/vwo-school een aanmerkelijk wittere populatie heeft. Zoiets heet profilering, kleinschaligheid tegen wil en dank, om de betere leerlingen te trekken.
Lex Herweijer ziet in het afsplitsen van de bovenbouw nog geen landelijke trend. "Ik denk dat dit typisch met de randstad te maken heeft. In sommige gevallen waren die havo/vwo-afdelingen al ondergebracht in nevenvestigingen." In het rapport van het SCP uit 1995, waar hij ook aan meewerkte, wordt fijntjes opgemerkt dat schaalvergroting juist het ideaal van de basisvorming teniet doet. In plaats van een brede onderbouw ging het gepaard met een scheiding tussen leerlinggroepen op basis van aanleg en prestaties.
In een aantal gemeenten staken de schoolbesturen de koppen bij elkaar om van de moordende concurrentie af te zijn. Nijmegen is daar een goed voorbeeld van. Volgend jaar worden er twee schoolbesturen gevormd die de dienst gaan uitmaken voor vrijwel alle scholen in de stad. Volgens Hans Satter, directeur van de Nijmeegse scholengemeenschap Groenewoud, is dit een bestuurlijke schaalvergroting om tenslotte kleinschaliger te kunnen werken. "Het staat ook uitdrukkelijk in ons fusierapport dat dat de bedoeling is. Kijk, mijn eigen school heeft 1600 leerlingen, wij zien nu geen mogelijkheid om meer ruimte te creëren. Door de besturenfusie krijgen we meer speelruimte om daar wat aan te doen." De herprofilering van de Nijmeegse scholen zal pas na de fusie volgend jaar plaatsvinden. In andere steden kwamen scholen weer om andere redenen bij elkaar. Zo is er het beroemde 'Zwolse model' waarin alle vmbo-scholen in Zwolle met elkaar samenwerken. Op die manier zijn de scholen samen in staat om alle richtingen aan te bieden, voor de broodnodige doorstroming wordt er samengewerkt met het roc.

Identiteit
In de beroeps- en volwasseneneducatie (bve) is het hard gegaan. Was de gemiddelde omvang per bve-instelling in 1992 ongeveer 1450 deelnemers, zes jaar later ligt het op het tienvoudige. Het zijn met name besturenfusies, hier en daar verrijst een groot schoolgebouw voor de duizenden deelnemers. In delen van het secundair beroepsonderwijs bestond grote weerstand tegen het dwingende karakter van de roc-fusies; er is een vrees voor het verlies van de eigen identiteit. Het SCP vindt het opvallend dat bij deze schaalvergrotingsoperatie het algemene opinieklimaat geheel ontbreekt. De media zijn niet geïnteresseerd in het beroepsonderwijs en van opstandige ouders die strijden voor hun zelfstandige school is al helemaal geen sprake. De beleidsvorming en de discussie spelen zich af in een kleine kring zaakwaarnemers. Belangen van de deelnemers zijn niet of nauwelijks aan de orde. Het SCP vindt in 1995 de inhoudelijke motivatie voor de roc-vorming, samenhang en maatwerk, nogal mager. Veel bestuurlijke drukte en weinig vernieuwingsdrang kenmerken vooralsnog de nieuwe instellingen. Het uitvalpercentage is alarmerend hoog.
Leo Lenssen, voorzitter van het college van bestuur van het Roc ASA, vindt de analyse van het SCP te negatief. "Natuurlijk, er zijn nu 46 roc's en die zijn groot geworden. Sommige hebben zelfs een omvang van 35.000 leerlingen. Maar wie merkt daar wat van? De deelnemer doorgaans niet want in de meeste gevallen zijn de oude opleidingen gebleven. Hier en daar zijn er grote gebouwen neergezet, zoals het beroemde Willem I-gebouw in Eindhoven, maar dat moet je je dan toch meer voorstellen als een campus waar iedere opleiding zijn eigen afdeling heeft. Dan hoeft de schaal voor de deelnemer niet groot te zijn." Het christelijke Asa heeft elf colleges in Amersfoort, Utrecht en Amsterdam en staat daarmee op de zevende plaats in de volgorde van omvang.
Lenssen, die ook in de Bve Raad zit, vindt het grote voordeel van de roc-vorming dat het mbo een factor van betekenis is geworden. "Door onze omvang zijn wij soms de grootste werkgever in een gemeente, dan heb je wel een positie wanneer je onderhandelt over faciliteiten of gebouwen. Dat geldt ook voor het bedrijfsleven, waar we veel me moeten samenwerken."
Roc Asa probeert zo kleinschalig mogelijk te opereren. Lenssen: "Sommige roc's kozen ervoor om grote gebouwen neer te zetten waar alle opleidingen in konden. Dat moeten ze natuurlijk zelf weten, maar wij hebben daar bewust van afgezien. Vanuit ondernemersoogpunt ben je met zo'n gebouw niet erg flexibel, want wat doe je wanneer het aantal leerlingen terug loopt? Dan is het een blok aan je been, dat bovendien nog jarenlang op de begroting drukt." Aan de andere kant benadrukt hij dat kleinschaligheid zeker niet goedkoop is, omdat in elk gebouw weer dezelfde voorzieningen neergezet moeten worden. Toch streeft hij met de huisvesting een beetje naar de menselijk maat. "Helemaal in Amsterdam, daar krijg je op een school met 4000 leerlingen direct te maken met problemen van veiligheid." Kleinschalig dus en tegelijkertijd zijn er initiatieven genomen voor andere vormen van onderwijs. De ICT-Academie in Amsterdam is daar een voorbeeld van, onderwijs op maat waar docenten en studenten de werksituatie in een bedrijf nabootsen. "Het is een vorm van projectonderwijs waar docenten ook aan moeten wennen", vertelt Lenssen, "want er wordt vanuit gegaan dat ze de hele dag beschikbaar zijn." De kritiek dat dit soort vernieuwing in het beroepsonderwijs tot nu toe vrijwel uitbleef, deelt Lenssen. "De afgelopen vijf jaar zijn opgegaan met het opzetten van de nieuwe bestuursvorm, de komende vijf jaar moeten we het onderwijs naar de leerling brengen. Dat betekent kleine teams van docenten die een duidelijk doel voor ogen hebben met hun leerlingen."
Een ander initiatief is het opzetten van een opleiding van middelbaar- tot hoger onderwijs voor de gezondheidszorg. Samen met de Hogeschool Holland en het Academisch ziekenhuis de VU wordt op het terrein vlakbij het ziekenhuis (Lenssen: "De duurste grond van Nederland") een gebouw neergezet voor alle opleidingen in de gezondheidszorg. "Naar buiten toe is dat heel duidelijk, het is niet zomaar een roc, maar je kiest voor die sector en er is een doorstroming mogelijk naar het hbo. Aangezien het tegenwoordig heel moeilijk is om deze opleidingen vol te krijgen hopen wij dat hier een aantrekkingskracht vanuit gaat." Hij beseft dat het een risicovolle onderneming is, maar roept opgewekt: "Kijk naar de PTT! Ik noem de KPN nog altijd de PTT. Er gaat wel eens wat fout. Als de samenleving wil dat onderwijs autonoom beslissingen neemt, dan moet je niet 'ach en wee' gaan roepen wanneer er wat fout gaat. Dat mag natuurlijk niet, maar je neemt nu eenmaal risico's."

Gaby van der Mee

1) Processen van schaalvergroting in het onderwijs; een tussenstand. Sociaal en Cultureel Planbureau, 1995

'Een fantastisch gebouw'

ICT-Academie staat er met grote letters op de deur. "Er zat hier een technische school, het was uitgewoond" vertelt collegedirecteur Laurens Veenstra, "maar er is in de zomermaanden weer een fantastisch gebouw van gemaakt." Het toch wat gedateerde gebouw waar het muurkunstwerk in de hal sterk aan de jaren zestig doet denken, staat barstensvol computers. Veenstra komt zelf uit Friesland en heeft met roc Asa een contract voor vijf jaar getekend om hier een kleinschalige opleiding op te zetten. Vanuit de verschillende Asa-colleges in Amsterdam zijn afdelingen technische informatica verhuisd naar de ICT-Academie. Na een voorbereiding van een half jaar en in nauwe samenwerking met het bedrijfsleven wordt er nu op een projectmatige manier gewerkt. "In de oude situatie werd er nog traditioneel les gegeven in klassen met 31 leerlingen. De desinteresse was groot en de uitval enorm, zo'n 30 procent," zegt Veenstra. Aparte ict-opleidingen duiken overal in Nederland op. Dat is niet alleen omdat er een grote behoefte van het bedrijfsleven is. Volgens Veenstra is de interesse van de leerlingen groter wanneer automatisering niet langer onder de noemer 'techniek' wordt gebracht: "Want techniek is uit." Hij vermeldt dat er zelfs veertig meisjes, van de in totaal 580 leerlingen, zich aangemeld hebben. De populatie in Amsterdam-West is voor het merendeel allochtoon, dat geldt ook voor deze school. "Die meisjes hebben natuurlijk thuis wel wat uit te leggen, dus voor hun familie gaan we binnenkort een presentatie houden."
Met het zittend personeel is er een half jaar lang gewerkt aan het nieuwe onderwijsconcept. Omdat de werksituatie zoveel mogelijk wordt nagebootst moeten de docenten de hele dag aanwezig zijn om de leerlingen te begeleiden en op afroep beschikbaar te zijn. Er wordt veel meer in teamverband gewerkt. Veenstra: "We beginnen 's morgens om half negen met een teamvergadering waarin we alles even doorspreken, op die manier heb je veel meer gezamenlijke momenten dan vroeger." Van de leerlingen wordt verwacht dat ze niet alleen met computers om kunnen gaan, maar ook dat ze sociaal vaardig zijn, onder tijdsdruk kunnen werken en op tijd komen. "Wij noemen het producerend leren", zegt Veenstra. "Een vorm van project-onderwijs waarin ze tegelijkertijd alle eindtermen moeten halen. We leiden op voor drie niveaus. Met niveau 2 kun je bijvoorbeeld een servicemedewerker ict worden. Maar ze kunnen ook allerlei externe Microsoft certificaten halen." Trots: "Tot nu toe zijn er nog maar twee leerlingen afgehaakt." Hij zit vol plannen die hij in snel tempo wil realiseren. Zo werkt hij niet alleen samen met de vmbo-scholen, maar wil hij met de Hogeschool Holland een korter traject afspreken omdat de leerlingen anders te veel overlap hebben. In plaats van een lange lijst boeken, wil hij dat iedere leerling in de toekomst een notebook aanschaft tegen gereduceerde prijs. "Dat soort zaken moet wel gesponsord worden, dus dat moeten we nog regelen." Klein maar fijn in Amsterdam-West, wordt het een succes? Aan de Fries Veenstra zal het niet liggen.

Schoner en veiliger

Grote scholen in het voortgezet onderwijs zijn schoner, veiliger en hebben een beter pedagogisch klimaat dan kleine. Dit schrijft staatssecretaris Adelmund in de nota School op maat, die zij vorige week naar de Tweede Kamer heeft gezonden. Zij baseert zich hierbij op gegevens van de inspectie.
De zeer grote scholen (meer dan 1500 leerlingen) scoren op veel punten het beste. De scholen zien er verzorgder uit, omgangsregels worden beter nagekomen. Ook in didactisch en pedagogisch handelen komen de grote scholen er goed van af. Er wordt duidelijker uitgelegd, op extra taalbehoeften wordt beter ingespeeld.
Toch, aldus de nota, hebben ouders een grote voorkeur voor kleine scholen. Adelmund constateert echter dat ouders best tevreden zijn over een grote school als hun eigen kind er op zit. Uit onderzoek van het ITS in Nijmegen was dit al eerder naar voren gekomen.
De nota zal voor het handelen van de staatssecretaris verder geen consequenties hebben, want, zo schrijft Adelmund, 'initiatieven uit het verleden om schaalvergroting van scholen van overheidswege te bevorderen zijn al langere tijd verlaten'. Autonome besturen en scholen moeten zelf de omvang bepalen. Wel overweegt het kabinet om bij de voorjaarsnota 2002 honderd miljoen gulden uit te trekken voor de aanpassing van schoolgebouwen aan onderwijskundige vernieuwingen.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.