- blad nr 21
- 1-12-2001
- auteur D. Hollander
- Redactioneel
Afsplitsen redding voor havo/vwo
Het Frederik Hendrikplantsoen ligt midden in het laat-negentiende-eeuwse deel van Amsterdam. Een rustig pleintje, met bomen in herfstkleuren en wat morsig speeltuig. Drie jaar geleden betrok rector Rob de Brey met zijn team en 160 leerlingen pand 7A. Bouwjaar 1884. Niet alleen de gevel is blijven staan, ook het gebouw zelf is voor een groot deel intact gelaten. Er is wel keihard opgeknapt en nog steeds gaat de renovatie door. Het was kamperen gedurende het eerste jaar, maar nu valt er goed te werken. Tekent zich hier de trend af naar kleinschaligheid, de veilige leeromgeving voor het in de massa ten onder gaande kind?
De werkelijkheid is prozaïscher en ingewikkelder, zoals uit het verhaal van rector De Brey blijkt. Volgend jaar wordt hij 63, hij is nu bezig aan zijn laatste maanden op de school. Zonde, zo lijkt op het eerste gezicht, want het is geen verzuurde oude man met een berg roos op zijn schouders, maar een levenslustig en gedreven type. Vol plannen, maar ja, volgend jaar komt zijn opvolger en dan moet je niet al te veel gaan vastleggen. Schijn bedriegt, want hij ligt wel erg vaak 's nachts te piekeren over de school en daar wil hij ook weleens vanaf.
Eerst was er het Mondriaanlyceum, vol goede moed gestart als brede scholengemeenschap. "Bij de komst van de tweede fase", vertelt De Brey, "kregen we wel veel leerlingen binnen, maar te weinig op havo/vwo-niveau." Het risico bestond dat de havo/vwo-afdeling opgedoekt zou worden. Maar de Esprit-scholengroep, waarvan het Mondriaan deel uitmaakte, besloot anders. De directie wilde per se het hele onderwijsscala blijven aanbieden en ging op zoek naar een nieuwe locatie voor het havo/vwo en de daaraan verbonden eerstegraads leraren. Esprit was bereid daar geld voor uit te trekken. Op het Frederik Hendrikplantsoen werd een plek gevonden die meer kansen op werving van havo/vwo-leerlingen bood.
September 1999 startte het Cartesius met 160 leerlingen: de bovenbouw van het Mondriaan en twee nieuwe brugklassen. En het gaat goed. In het tweede jaar konden er drie brugklassen gevormd worden en dit jaar vier. De school streeft naar honderd leerlingen per jaar, ongeveer 600 leerlingen totaal.
De Brey geeft de gemeente de schuld voor het uiteenvallen van het Mondriaanlyceum. "De gemeente heeft niet weten te voorkomen dat de buurt waar het Mondriaan stond, voor 95 procent uit allochtonen is gaan bestaan. Daarmee was het havo/vwo ten dode opgeschreven want het is onmogelijk om uit die buurt voldoende havo/vwo-leerlingen te halen. Bovendien zag je dat de betere allochtone leerlingen niet op het Mondriaan bleven, maar naar scholen in Amsterdam-Zuid vertrokken."
Op het Cartesius zitten nu 35 procent allochtone leerlingen en 65 procent autochtone. Volgens de Brey de ideale mix, want het is een afspiegeling van de Amsterdamse bevolking. "Je ziet dat onze leerlingen uit de buurt komen, de onderbouw komt op de fiets naar school. De ouders vinden het ook prettig dat er niet alleen maar witte kinderen op school zitten."
Koopmannetje
In het voedingsgebied van het Cartesius staan vijf grote basisscholen, waarmee wel enig contact is. Er worden uitnodigingen voor de open dagen naartoe gestuurd en tasjes met voorlichtingsmateriaal. Maar dat is alles. Overleg over de onderwijskundige aanpak is er niet. Volgens De Brey komt dat doordat de basisscholen geen tijd en mensen hebben om over een betere aansluiting te spreken. "Je kunt een keer een afspraak van drie kwartier maken met de directeur van een basisschool, maar daar blijft het bij."
Ziet hij de move van het Cartesius als een oplossing die ook andere brede scholengemeenschappen kunnen kiezen? De Brey was laatst op bezoek bij het Johan de Wittcollege in Den Haag dat zijn uiterste best doet een havo/vwo-afdeling in stand te houden en daar veel geld voor uittrekt. Maar het aantal leerlingen blijft teruglopen "Het is nu eenmaal zo. De enige havo/vwo-scholen die het goed doen, staan in witte wijken. Wij kunnen blijven bestaan door Esprit. Want we komen voortdurend geld tekort, vooral op materieel gebied. Ik ben een klein koopmannetje en moet dat ook wel zijn. Zo heb ik geen adjunct en probeer ik mijn gebouw te verhuren, bijvoorbeeld aan de muziekschool en de volksuniversiteit. Als categoriale school zou ik niet kunnen voortbestaan."
Een van de problemen van een kleine school is het personeel. Niet om er aan te komen ("ik krijg soms twee keer per maand een open sollicitatie") maar om ze voldoende uren te kunnen geven. Dat gaat echter de goede kant op. Moesten in het begin de docenten nog veel pendelen tussen de verschillende vestigingen van Esprit, nu geldt dat nog maar voor een klein aantal docenten van het Cartesius.
Meer aanbod
Natuurlijk is een brede scholengemeenschap in staat tot een ruimer vakkenaanbod dan een kleine school. Al moet je dat, zo vindt De Brey, niet overdrijven. Hij heeft nog maar zelden gehad dat leerlingen vroegen om Spaans of Russisch. "Wij hebben ons geprofileerd met ict. Daarvoor zijn eerst alle docenten op cursus geweest, zodat ze in ieder geval meer van ict wisten dan de leerlingen." De school beschikt over een mooie website, opgezet en onderhouden door een eigen leraar (www.cartesius.esprit-sg.nl). Maar het Cartesius kan zich daarmee niet meer voldoende onderscheiden. Daarom heeft de school bedacht dat er een 'plus' bij moet komen. Het is mooi als een leerling een powerpoint-presentatie kan verzorgen, maar het moet er ook over gaan hoe hij dat doet: hoe sta je voor de klas, hoe beweeg je je, wat doe je met muziek? De Brey is niet van plan daarvoor aparte docenten aan te stellen. "We willen mensen voor een jaar gaan inhuren, bijvoorbeeld bij Randstad."
Plannen genoeg, maar redt het Cartesius het ook? De Brey, toch een beetje voorzichtig: "Ik denk dat deze school, met deze leerlingen, de zeer actieve ouderraad en op deze plek een goede kans heeft om een goede school te worden." De concurrentie met de 'oude' havo/vwo-scholen is echter groot. Voor de werving van nieuwe leerlingen heeft de gemeente opnieuw afspraken met de scholen gemaakt, maar De Brey denkt dat er wel weer een paar onderdoor zullen duiken. "Weet je, wij moeten nog erg veel opbouwen, zoals een traditie met werkweken. Maar ook zaken als een toneelclub, een schoolkrant, dat soort dingen moet de tijd krijgen om te groeien."