- blad nr 12
- 23-6-2012
- auteur A. Jonkman
- Column
Kansberekening
In de vaas zitten 20 knikkers; 1 gele, 3 rode en 16 blauwe. De eerste keer dat je een knikker pakt is de kans op een rode dus 3/20. Daarna zitten er nog 19 knikkers in, waaronder 2 rode. De tweede keer pakken heb je dus een kans van 2/19 op een rode en de derde keer nog maar een kans van 1/18. Samen dus een kans van 3/20 x 2/19 x 1/18 = 6/6840 ˜ 0,00087719. Kortom, een heel klein kansje.
Leerlingen krijgen bij wiskunde het onderwerp kansberekening voor het eerst pas halverwege de tweede klas. Maar ze zijn er hun hele schooltijd mee bezig: “Als ik bij Merel in de klas kom is de kans dat ik alleen moet zitten klein, als mevrouw Rademaker volgend jaar mijn mentor wordt is de kans dat wij als klassenuitje gaan lasergamen nul en als ik bij de afdelingsleider moet komen is de kans dat ik daar ongestraft weg kom afhankelijk van mijn verklaring. Als ik morgen van mijn moeder die broek mag kopen is de kans dat ik er bij mag horen groter, maar als ik met Joost ga zoenen de kans dat Maaike mij nooit meer wil zien 100 procent. Als ik in de les mijn telefoon pak is de kans dat ik hem moet inleveren bij mevrouw Reeders niet groot, maar bij meneer Van der Vaart is het zeker dat hij in een bak water belandt. Als ik volgend jaar nou blijf zitten en in de vierde wel scheikunde kies maar geen Natuurkunde, het jaar daarna meneer Van der Goot voor wiskunde krijg, in de zesde voor mijn eerste SE Engels een 4,1 en voor mijn mondeling een 6,9 haal, daarna voor bio naar examentraining in Leiden ga, dan haal ik mijn examen waarschijnlijk net.” De kans dat dit soort leerlingen in 2018 de doelen uit het actieplan Beter presteren halen, is een stuk kleiner dan wij mogen accepteren.
Annelien Jonkman Wiskundedocent op een havo/vwo-school