• blad nr 12
  • 23-6-2012
  • auteur E. Went 
  • Redactioneel

 

Een geslaagde les op de havo

Drie van de vier havo-docenten presteren ondermaats, stelt de Onderwijsinspectie. Aardrijkskundedocent Harry Mulder van de Northgo Scholengemeenschap in Noordwijk valt daar in elk geval niet onder. Althans: dat vinden zijn leerlingen.

Als vier willekeurige 4-havoleerlingen allemaal zeggen dat Harry Mulder een goede docent is, dan maakt dat nieuwsgierig. Immers: volgens de Onderwijsinspectie zijn goed presterende havodocenten behoorlijk schaars. Maar in Noordwijk hebben ze er eentje. “Meneer Mulder legt niet de hele tijd uit, maar zet ons aan het werk. Zo houden we ons hoofd erbij”, verklaart Merel (15). “Na zijn lessen heb ik altijd het gevoel dat ik iets heb geleerd”, zegt Cliff (16). “Hij kan soms wat te veel uitweiden, maar wat hij zegt, snijdt altijd hout”, aldus Elise (16). “Meneer Mulder weet gewoon waar hij het over heeft. Hij is goed in zijn vak. En hij weet ook alles van zijn leerlingen. Als ik in het weekend met een meisje ben uitgegaan, dan krijg ik dat daarna meteen in de les te horen. Hij wil niet alleen maar zijn eigen verhaal kwijt, maar heeft ook aandacht voor ons”, oordeelt Danny (17).
Een goed rapportcijfer voor hun ‘Harry’ dus. Maar op basis van welke criteria precies? Oftewel: wat is in de ogen van deze 4-havoleerlingen een geslaagde les? Cliff: “Ik ben tevreden als ik na een les iets kan wat ik daarvoor nog niet kon.” Elise vindt het juist belangrijk dat ze altijd vragen kan stellen, en dat die ook nog eens beantwoord worden. “Dan weet ik tenminste waar ik aan toe ben.” En Merel wil vooral ook zelf aan de slag met de stof. “Bij meneer Mulder kan dat. Dat is soms best hard werken, maar daar leer ik wel het meeste van.” Danny vindt het belangrijk dat de docent vooraf even ruimte inbouwt om ieders geheugen op te frissen: “Even herhalen waar we de vorige keer ook alweer gebleven waren. Dat helpt om ‘er in’ te komen. Meneer Mulder doet dat altijd.”
Het moge duidelijk zijn: in de ogen van zijn leerlingen valt Harry onder die 28 procent docenten die hun vak wel verstaan. Maar hoe zou de inspectie hem beoordelen? Het Onderwijsblad kruipt brutaal in de huid van de inspecteur en bezoekt een van zijn lessen, met een afvinklijstje met daarop basisvaardigheden en vereiste complexe vaardigheden in de hand. Lesonderwerp: aardbevingen, vulkanisme en luchtcirculatie.
Al vrijwel meteen wordt duidelijk dat het met Harry’s basisvaardigheden wel snor zit. Zo aarzelt hij bijvoorbeeld niet om lastige theorie aanschouwelijk te maken als sommige leerlingen niet snappen wat er precies tijdens een tsunami gebeurt. “Kijk”, zegt hij met twee willekeurige tijdschriften in zijn hand, waarbij hij het ene langzaam over het andere laat schuiven. “Op dit moment is er even geen wrijving tussen de verschillende aardplaten. Zo krijg je het flippereffect waardoor de kolom water een stukje omhoogkomt.”

Onderuitgezakt
Harry’s basisvaardigheid ‘uitleg geven’ is voldoende. Ook krijgt hij een ruime plus voor ‘het realiseren van een taakgerichte werksfeer’ en slaagt hij er in ‘leerlingen actief te betrekken bij onderwijsactiviteiten’. Onderuitgezakt de les consumeren, dat is er bij Harry echt niet bij. Er moet gewerkt worden, er moeten opdrachten worden gemaakt. Dan weer in groepjes, dan klassikaal. Als een leerling voor het bord vastloopt bij het maken van een schema voor wind- en luchtdrukverdeling, schakelt Harry meteen de rest van de klas in. “Wie kan haar helpen?” Van drie kanten komen er suggesties voor mogelijke antwoorden. Alsof dat de normaalste zaak van de wereld is.
Maar hoe zit het met Harry’s complexere vaardigheden? Volgens de Onderwijsinspectie gaan daar immers de meeste havodocenten op nat. Harry niet. Zo gaat hij regelmatig na of leerlingen de uitleg begrijpen. “Snap je het Max? Leg jij het dan eens uit aan de rest?” Ook aarzelt hij niet zijn leerlingen inhoudelijke feedback te geven. “Jij dacht toch dat je dat luchtdrukschema niet kon maken? Dus wel!”
Ook doet Harry zichtbaar zijn best om instructies af te stemmen op verschillen in ontwikkeling tussen zijn leerlingen. “Meestal zoek ik ook nog naar andere manieren om precies hetzelfde te vertellen. Want lesgeven is een proces van herhalen. Op een gegeven moment valt het kwartje. Dan hoeven leerlingen iets niet meer uit hun hoofd te leren, maar snappen ze het. Dat is waar je het als docent voor doet.”
Zelfs de complexe vaardigheid ‘onderwijstijd afstemmen op verschillen in ontwikkeling tussen leerlingen’ voert Harry, zo lijkt het, naar behoren uit. Zijn leerlingen vinden dat ook. “Hij stelt zijn vragen altijd eerst aan klasgenoten die niet zo goed zijn. Blijft het goede antwoord uit, dan gaat hij uiteindelijk naar leerlingen die het antwoord misschien wel weten”, beoordeelt Danny. “Zo bouwt hij dat op en krijgen diegenen die minder goed zijn extra aandacht.”
Eindoordeel voor Harry: een ruime voldoende. Waarmee dus blijkt dat deze leerlingen van de havo en de Onderwijsinspectie op één lijn zitten.
Waarom hem wel lukt wat veel collega’s niet lukt? “Het gaat om de relatie. Willen ze iets voor jou doen of niet. Mij vertellen ze altijd alles. En ik heb daar gewoon af en toe belangstelling voor. Niets meer en niets minder. Oog hebben voor individuen, en voor de verschillen is al genoeg. Met een houding van: ‘Ga zitten, hou je mond dicht en we gaan verder met bladzijde 65’, red je het niet. Daar moet je toch echt meer voor doen.”

{kadertje 1, bij rompartikel}
Beoordeling Harry Mulder

Basisvaardigheden
1. Geeft duidelijke uitleg van de leerstof v
2. Realiseert een taakgerichte werksfeer v
3. Betrekt leerlingen actief bij het onderwijs v

Complexere vaardigheden
4. Gaat na of leerlingen de uitleg/opdrachten begrijpen v
5. Geeft de leerlingen inhoudelijke feedback v
6. Stemt de instructie af op verschillen tussen leerlingen v
7. Stemt de verwerkingsopdrachten af op verschillen tussen leerlingen v
8. Stemt de onderwijstijd af op verschillen tussen leerlingen v

Eindoordeel v

{fotobijschrift}
@B1:Aardrijkskundedocent Harry Mulder: “Het gaat om de relatie. Willen ze iets voor jou doen of niet.”
foto: Fred van Diem

{kadertje 2}
Havodocent scoort onvoldoende

Slechts een op de vier havodocenten scoort in de ogen van de Onderwijsinspectie een voldoende. Dat staat in het Onderwijsverslag 2010-2011. Inspecteurs hebben daarvoor 2500 lessen in het voortgezet onderwijs bezocht. Een aantal conclusies op een rijtje:
• Slechts een op de vier havo-docenten beheerst in voldoende mate de vereiste basisvaardigheden en complexere vaardigheden. Ter vergelijking: vmbo-docenten voldoen in 44 procent van de gevallen aan de vereisten, bij vwo-docenten ligt dat percentage op 29 procent.
• Qua basisvaardigheden slaagt een op de vier havodocenten er niet in om leerlingen actief te betrekken bij onderwijsactiviteiten. Bekeken per school ligt dat percentage zelfs nog lager: op 69 procent.
• Met de complexere vaardigheden van de havodocent is nog veel meer mis. Zo stemt 41 procent van de havodocenten instructies tijdens de lessen niet af op verschillen in ontwikkeling tussen leerlingen. 48 procent van de havodocenten doet dat ook niet met verwerkingsopdrachten. Bekeken per school, ligt dat percentage zelfs nog lager, op slechts 12 procent. En slechts een op de twee havodocenten stemt de onderwijstijd af op verschillen in ontwikkeling tussen leerlingen.

Bron: Onderwijsverslag 2010-2011 van de Onderwijsinspectie

{kadertje 3}
‘Machteloos tegen idiote bureaucratie’

Zo hard als de Onderwijsinspectie oordeelt over de kwaliteit van havodocenten, zo hard is de kritiek op dat onderzoek op fora als NUjij.nl. Een anonieme reactie uitgelicht.

‘Wij hebben onlangs ook zo’n inspectieteam over de vloer gehad. Ze zouden lessen bijwonen. Het team bestond uit - om met Youp van ‘t Hek te spreken - drie parelteven met broekrok. De geschatte, gemiddelde overlevingstijd in havo-4: een half uur. Een had nog nooit voor de klas gestaan en de tweede al dertig jaar niet mee (voorheen een scheikundedocent die niets begreep van de inhoud van de les van mijn collega scheikunde). Van de derde hebben we de onderwijservaring niet kunnen achterhalen.
Zo’n dame komt je les binnen en is na 13,5 minuut weer verdwenen. Op deze wijze bezoeken ze zes deellessen per persoon. In totaal dus achttien deellessen van 13,5 minuten. Als je dan het rapport van die dames leest over de lesbezoeken, lijkt het wel alsof ze een wetenschappelijk, statistisch verantwoord onderzoek hebben gedaan naar het functioneren van de docenten van de school. Als mijn leerlingen dit soort uitspraken zouden doen op basis van dit soort schamele observaties, zouden ze een 1 krijgen. […] Als leraar sta je machteloos tegen dit soort idiote bureaucratie.’

Bron: www.nujij.nl

{portretje 1, met foto Johannes Timmermans}
‘Leerlingen willen gewoon inhoud’

Jeroen Maas is docent geschiedenis en maatschappijleer aan het College in Weert, en werd in 2009 door zijn leerlingen verkozen tot ‘Hipste docent van Limburg’.

“Als leerlingen enthousiast zijn over een docent, dan heeft dat bijna altijd met inhoudelijke kwaliteiten te maken. Je kan als docent nog zo leuk zijn, leerlingen prikken daar echt wel doorheen. Vraag maar wat ze liever hebben: een docent die de hele dag grapjes maakt maar waar je niets van leert, of een strenge docent die zijn vak verstaat. Dan gaan ze altijd voor die laatste. Uiteindelijk willen leerlingen toch gewoon inhoud, goede begeleiding en feedback. Ze zijn gevoelig voor een veilige leeromgeving en ze willen eerlijk en rechtvaardig worden behandeld.
Tijdens mijn lessen probeer ik daar altijd rekening mee te houden. Ik schiet niet zo snel in de stress, ben ook niet van het snel straffen en probeer veel op te lossen met humor of een goed vermanend gesprek. Daarnaast probeer ik ze ook altijd zoveel mogelijk bij de lessen te betrekken. Zo vind ik het belangrijk dat leerlingen zelf nadenken, dat ze kritisch blijven en niet klakkeloos elk antwoord absorberen. Dus stel ik altijd eindeloos veel vragen. Ook als zij zelf met vragen komen. Dan geef ik bij voorkeur niet het antwoord, maar stel een wedervraag.
Dat docenten in het voortgezet onderwijs in de ogen van de inspectie slecht scoren, zegt mij niet zoveel. Ik ken de details van het onderzoek niet. En ‘de’ havodocent bestaat in mijn ogen helemaal niet. Wat ik wel weet, is dat je de kneepjes van het vak niet op de opleidingen leert, maar in de praktijk. En of iemand in het onderwijs slaagt, heeft veel met de persoon te maken. Ik zie docenten komen waarvan ik denk: Dat wordt niets. Dat heeft dan niets te maken met inhoudelijke kwaliteiten, maar meer met het type mens.
Ik probeer altijd mezelf te blijven. Ik speel geen rol. Dan ben je volgens mij al een heel eind.”

foto: Johannes Timmermans

{portretje 2 met foto Rob N.}
‘Een duidelijke structuur helpt’

Jan Duits is docent levensbeschouwing op het Ashram College in Alphen aan den Rijn. Hij is vorig jaar door zijn leerlingen verkozen tot ‘Beste docent van de school’.

“Mijn ervaring is dat leerlingen lessen van docenten al snel goed vinden als ze maar een duidelijke structuur hebben. En als hen maar goed wordt uitgelegd waarom ze iets moeten doen, wat ze eraan hebben. Dat willen leerlingen namelijk erg graag weten. Ook willen ze graag duidelijkheid over wat ze kunnen verwachten, qua lesstof, maar ook qua regels in de klas.
Ik probeer mijn lesinhoud altijd te koppelen aan de actualiteit. Zo begin ik mijn les steevast met ‘Het dingetje van de dag’, een soort videojingle à la De Wereld Draait Door. Daar plak ik vervolgens een quiz van een paar vragen aan vast, waarbij ik een beetje onderlinge competitie niet schuw. Dat zorgt voor levendigheid in de klas.
Verder probeer ik er ook altijd voor te zorgen dat leerlingen bij elke te leren vaardigheid producten maken waar ze zelf trots op zijn. Een goed gemaakt proefwerk is enkel maar een blaadje met een 7 er op. Maar een zelf geschreven interview met een mooie foto erbij kan een leerling ook met trots aan anderen laten zien.
Dat veel havodocenten slecht scoren in de ogen van de inspectie, geloof ik best. Maar dat een op de vier een onvoldoende krijgt, vind ik wel erg veel. Wat ik wel weet is dat er op de opleiding nauwelijks aandacht wordt besteed aan die zogenaamde complexere vaardigheden, zoals de lesinhoud afstemmen op ontwikkelingsverschillen tussen leerlingen. Bovendien heeft dat ook met groepsgrootte en met contacttijd te maken. En in de huidige onderwijsmethoden zit dat ook al niet of nauwelijks. Docenten moeten dat dus vaak zelf invullen. Misschien dat scholen op dat gebied wat meer de samenwerking met elkaar zouden moeten zoeken. Daar zouden de uitgevers van boekenmethodes zich dan ook zeker mee moeten bemoeien.”

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.