• blad nr 10
  • 26-5-2012
  • auteur T. van Haperen 
  • Column

 

Eerst kansen, dan beperkingen

Een bericht in de Volkskrant ergens in februari van dit schooljaar: één op de tien docenten op universiteiten geeft toe studenten te laten slagen, terwijl ze dat niet verdienen. Vooral bij scripties regeert het voordeel van de twijfel. De term ‘genadezes’ valt. Begin mei verscheen de kwaliteitsenquête hbo van de NOS en de AOb. Ook daarin bekent 10 procent van de ondervraagde docenten schuldig te zijn aan de genadezes. Een deel beging de overtreding onder druk van het management. Maar hoe zit het met die andere 90 procent?
Ik heb gedurende mijn loopbaan namelijk talloze genadezessen gegeven. Een voorbeeld. Een leerling heeft bij mij tussen de tien en de vijftien proefwerken in een jaar en haalt een gemiddelde score van 5,43. Wat wordt dat op het eindrapport? Ik heb de proefwerken ontworpen, afgenomen en nagekeken. In een moordend tempo. Honderdvijftig leerlingen in drie werkdagen per week is het equivalent van het gezegde ‘waar gehakt wordt, vallen spaanders’. In de toetsterminologie: mijn oordeel is niet 100 procent valide en betrouwbaar. Dat wordt dus een zes.
Spijt? Nooit gehad. Elk jaar staat de beoordeling van leerlingen voor een verdeling over de categorieën waardeloos, net niet, net wel en fantastisch. Door het geven van scores tussen nul en tien lijken de grenzen duidelijk, maar soms is dat niet zo. Dat zijn de netnietnetwel-gevallen. En omdat kinderen zich zelden in rechte lijnen ontwikkelen - leren komt in spurts - geef ik ze dat voordeel van de twijfel. Daarna maken de wetten van het leven het karwei af. Presteren op krediet leidt bij wanbetaling vanzelf naar de afrekening: alsnog een jaar overdoen. Ziehier de helende werking van de genadezes: het falen of slagen van het twijfelgeval, het is zijn kans, zijn resultaat.
Tot voor kort dacht 90 procent van mijn collega’s zo. Maar de opgewonden berichtgeving over genadezessen, pretinstellingen en fopdiploma’s heeft de bordjes verhangen. Er waait een gure wind door de scholen. Afwijzen van leerlingen is een doel op zich. Docenten moeten hun quotum onvoldoendes halen. Anders worden de cijferfetisjisten van de inspectie boos. Zo luidt althans de boodschap van schoolleiders, met gênante taferelen als logisch gevolg. Laatst, op een willekeurige school, in een willekeurige lerarenkamer, zo’n laagleider, coördinator, of hoe zo iemand ook mag heten, stormt binnen en schreeuwt als een drilsergeant tegen een vakleerkracht: ‘Leerling A ligt een proefwerk achter! Maak het inhaalwerk moeilijk! Doubleren is beter! Want het volgende jaar, op het centraal, gaat hij slecht scoren!’ En hoe luidt de repliek? Ik verwacht: ‘Hé idioot, waar bemoei jij je mee? Ik beoordeel mijn leerlingen! Zo eerlijk mogelijk! Ga terug naar je kantoor!’ Maar het is: ‘Ik maak er werk van.’
Managers zijn opportunisten, speelballen van de tijdgeest, die blaffen de scores de ene keer omhoog en de andere keer omlaag. Maar de leraar hoort zich daar niks van aan te trekken, want die heeft een beroepscode. En uit welke hoek de wind ook waait, die code begint met: eerst kansen, dan beperkingen.

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.