• blad nr 21
  • 1-12-2001
  • auteur . Overige 
  • Redactioneel

Kosten advies Onderwijsraad blijven mistig 

Opleiding ouders moet achterstand bepalen

Geen individuele tests en niet meer letten op het land van herkomst. Nee, het opleidingsniveau van de ouders is volgens de Onderwijsraad allesbepalend voor het vaststellen van onderwijsachterstanden. En het gewicht dat daar aanhangt - nu telt een achterstandsleerling mee voor 1,25 of 1,9 - zou wel eens veel hoger kunnen uitpakken. Misschien, zo wordt in een achtergrondstudie voorzichtig gesuggereerd, moet voor een serieuze aanpak wel drie keer zoveel formatie worden ingezet.

Het advies Wat het zwaarste weegt... van de Onderwijsraad zet uiteen hoe een nieuwe gewichtenregeling opgezet zou kunnen worden. Geen individuele toets die een rugzakje aan achterstandsgeld meegeeft, zoals wel eens is gesuggereerd. Ook is het niet nodig om te kijken naar het land waar ouders vandaan komen. De opleiding van de ouders moet voortaan het enige criterium zijn waarop de overheid scholen geld toekent voor het onderwijsachterstandenbeleid. De taalachterstand wordt van die regeling losgekoppeld, als het aan de Onderwijsraad ligt. Op basis van een test is namelijk wel vast te stellen hoeveel energie en mankracht een school en de leerling daar in moeten steken.
Wim Meijnen, hoogleraar onderwijskunde en lid van de Onderwijsraad, legt uit waarom de raad tot die keuze is gekomen. "Door te kijken naar de opleiding van ouders krijg je een duidelijker beeld van verschillende groepen leerlingen. Een vraag van de staatssecretaris aan de Onderwijsraad was of je leerlingen kunt toetsen op achterstanden en oorzaken ervan. Maar deze individuele aanpak werkt niet. Je kunt immers uit een toets niet opmaken of een achterstand wordt veroorzaakt door de aanleg van een kind of door de omgeving. Op zich kun je wel een achterstand opsporen, maar waar leg je dan de grens tussen leerlingen die wel hulp krijgen en welke niet? Met zo'n toets help je alleen de zwakste leerlingen en degenen daarboven zijn de sigaar."
Volgens Meijnen is het onderwijsachterstandenbeleid nu niet meer geschikt voor de steeds complexere situatie van verschillende etnische groeperingen in Nederland. "Er komen continu nieuwe groepen bij en je kunt niet voor elke groep steeds opnieuw een ander beleid maken. Politieke vluchtelingen bijvoorbeeld blijken het aardig te doen in het onderwijs. Vaak hebben deze kinderen goed opgeleide ouders en daardoor pakken ze de Nederlandse taal vrij vlug op. Voor Turkse leerlingen wiens familie al twee decennia in Nederland is en de ouders hoog opgeleid, geldt vaak dat zij toch een taalachterstand hebben. Daarom hebben wij het beleid gescheiden in twee lijnen: de onderwijsachterstand en de taalproblematiek."
De Onderwijsraad adviseert voor leerlingen die het Nederlands niet als moedertaal hebben, het NT2-beleid uit te breiden zodat deze kinderen vanaf zes jaar extra taalonderwijs krijgen. Binnen dit beleid moeten ook de Oalt-gelden vallen. De 'niet-westerse' leerlingen moeten volgens dit plan een taaltoets doen waaruit blijkt hoe groot de achterstand is. Op grond hiervan krijgen scholen extra faciliteiten waarbij ze zelf mogen beslissen of ze die in extra formatie omzetten of in bij voorbeeld leermiddelen. "In groep vijf krijgen deze leerlingen opnieuw een test en wordt bekeken of die faciliteiten nog steeds nodig zijn of dat de leerling zijn achterstand inmiddels heeft ingelopen. Tot slot is er een toets in groep 8 die een indicatie geeft voor het voortgezet onderwijs", legt Meijnen de plannen van de Onderwijsraad uit.

Splitsing
Voor de tweede beleidslijn, de bestrijding van onderwijsachterstanden, denkt de Raad aan een splitsing tussen leerlingen. De gewichten worden verdeeld over een groep leerlingen waarvan beide ouders niet meer scholing hebben dan de basisschool en over een groep met ouders die ten hoogste een lbo-opleiding hebben genoten. De bedoeling is om de middelen voor de bestrijding in een piramidaal stelsel te gieten. Hierin zijn de investeringen het grootst voor kinderen in de leeftijd van twee tot zes jaar, is er een kleiner budget voor leerlingen in de leeftijd van zes tot twaalf en gaat het minste geld naar die van twaalf tot achttien jaar. Wat dit voor consequenties kan hebben voor de faciliteiten op de basisscholen kan Meijnen niet overzien. "Het hangt ervan af of de politiek besluit om meer geld te steken in de voorschoolse educatie of dat hiervoor geld bij het basisonderwijs wordt weggehaald."
Ook het advies van de Onderwijsraad om de zogenoemde negen-procent-drempel weg te halen, roept vragen op over de betaling. Een achterstandsleerling telt nu mee voor 1,25 of 1,9. Scholen krijgen pas extra formatie als het totaal van die aan leerlingen toegekende gewichten tenminste negen procent hoger is dan het totaal aantal leerlingen op school. Als de scholen die daar onder vallen in de toekomst ook extra faciliteiten krijgen, dan is daar geld voor nodig. Hoeveel geld alle adviezen van de Onderwijsraad in de praktijk gaan kosten, weet Meijnen niet. "Ons is niet gezegd dat we onze adviezen moesten baseren op het huidige budget. De staatssecretaris heeft als doel om binnen vier jaar de onderwijsachterstand met 25 procent naar beneden te brengen. Zij heeft ons gevraagd wat er nodig is om dit doel te bereiken."
Adelmund's vraag hield onder meer in om de gewichtenregeling in het basisonderwijs te moderniseren. Roel Bosker van de Universiteit Twente onderzocht hiertoe een tiental buitenlandse projecten op het gebied van onderwijsachterstand. Meijnen: "Hij rekende uit wat er in andere landen in onderwijsachterstandsprojecten is gestoken en concludeerde dat, als we hetzelfde in Nederland doen, sommige allochtone leerlingen die nu een gewicht van 1.9 toegekend krijgen, voortaan misschien wel een gewicht van 3.0 moeten krijgen. Dit hebben we overigens niet in het advies aan de staatssecretaris gezet, want we zijn nog niet klaar met de berekeningen. Dit onderwerp is ook erg goed voor een politieke discussie. Niemand weet nu waarom een allochtoon kind een gewicht van 1.9 krijgt, daar zit helemaal geen gefundeerd onderzoek achter. Er is destijds gewoon gekeken hoeveel geld er was en dat is omgerekend naar gewichten. Als toekomstige berekeningen ertoe leiden dat de gewichten verhoogd moeten worden, dan kost dat veel geld." Volgens Meijnen kan de politiek dan twee dingen doen: óf de doelstellingen verlagen óf meer geld uittrekken voor onderwijsachterstanden. "Een erg interessante discussie, want dan wordt duidelijk hoeveel de regering nu eigenlijk over heeft voor het bestrijden van achterstanden".

Straf
Paul Jungbluth van het Instituut voor Toegepaste Sociale Wetenschappen in Nijmegen vindt dat de Onderwijsraad zeker een uitspraak had moeten doen over de kosten van zijn plannen. "Als de raad erkent dat sociale ongelijkheid nog steeds een van de grote problemen is, dan had ze geld moeten claimen." Ook vindt Jungbluth het advies om toetsen in te voeren om de taalachterstand van leerlingen herhaaldelijk te meten geen goed idee. "Als een school erin slaagt om de prestaties te verbeteren, dan volgt er meteen een straf want dan worden de extra faciliteiten ingetrokken. Wat denk je dat er gebeurt als scholen dit vooraf weten? Ja, als we allemaal idealisten zouden zijn dan werkt dit plan, maar ik geloof er niet in." "Bovendien wordt het taalachterstandbeleid toch weer opgehangen aan etniciteit, waarmee je niet onderkent dat er veel meer factoren zijn die de leerprestaties van kinderen beïnvloeden", vervolgt hij. "Denk aan leerlingen die een zeer frustrerende migratie hebben meegemaakt of de spanningen in een gezin door aanpassingsproblemen. Het is een echt Hollandse kijk op de zaken om te denken dat álles goed komt als de leerlingen maar de taal leren spreken. Maar als het bij een leerling thuis niet loopt dan haal je nog de achterstand niet weg."
Wat Jungbluth wel aanspreekt in het advies van de Onderwijsraad is de poging om taalproblemen te scheiden van onderwijsachterstanden. "Maar het is jammer dat dit maar ten dele is gelukt. Roel Bosker heeft geprobeerd om nieuwe gewichten te bepalen, maar heeft dit gedaan op basis van buitenlandse projecten op het gebied van taalachterstand. Weliswaar staat dit in de bijlagen van het advies en is dit niet aan de staatssecretaris meegegeven, maar het geeft te denken. De raad had in het advies zeker een uitspraak moeten doen over een nieuwe gewichtenregeling. Ze moeten niet zo moeilijk doen over die gewichten, want het vaststellen hiervan blijft tóch een pure gok. En we zijn nu heus in staat om verschillende groepen te herkennen. Ik heb dan ook al eerder gepleit voor een indeling in drie gewichten: één, anderhalf en twee. Ook wat betreft die taaltoetsen wordt veel te moeilijk gedaan. Een leerkracht kan echt wel inschatten of een leerling goed Nederlands spreekt, half-Nederlands of dat het een leerling niet westers meer klinkt als hij praat. Zo'n beoordeling levert volgens mij meer op dan een toets. Je kan wel testen of een leerling bij voorbeeld technisch goed Nederlands spreekt en hoe groot zijn woordenschat is, maar dat betekent nog niet dat hij verstaanbaar is."
Positief aan het advies van de Onderwijsraad vindt Jungbluth de tweedeling in opleidingsniveau van ouders. "Deze is goed voor migranten want zij vallen nu niet automatisch meer in de laagste categorie. Bovendien wordt zo eindelijk het achterstandprobleem niet meer als iets van allochtonen gezien, maar als een sociale ongelijkheid die ook autochtone arbeiderskinderen treft. Maar wat ik niet begrijp is dat het in het advies het achterstandenbeleid zich vrijwel niet naar het voortgezet onderwijs uitstrekt. Daar is nu een regeling voor culturele minderheden, maar hoe zit het dan met de arbeiderskinderen met een achterstand? Daar zijn er nog veel meer van en dit onderwerp wordt niet eens ter discussie gesteld door de raad! Als je even verder denkt dan alleen aan prestaties en ook eens kijkt naar motivatie, zelfvertrouwen en werkhouding dan is dit een zeer kwetsbare groep die ook in het voortgezet onderwijs nog steeds kansarm is. Ik pleit ervoor om ook daar alle leerlingen met een achterstand een gewicht mee te geven zodat scholen er meer faciliteiten voor krijgen."

Jojo-effect
'Geen revolutionair plan', noemt AOb-bestuurder Liesbeth Verheggen het advies van de Onderwijsraad. "Hoewel we wel blij zijn dat nu eindelijk eens goed is beargumenteerd waarom je bij het bestrijden van onderwijsachterstanden beter uit kunt gaan van groepskenmerken dan van individuele." Ook Verheggen struikelt over het advies om taaltoetsen in te voeren, hetzij om een andere reden dan Jungbluth. "Basisscholen kunnen gewoon de vorderingen van leerlingen bijhouden door middel van het leerlingvolgsysteem, daar zijn helemaal geen nieuwe toetsen voor nodig. Bovendien is het gevolg van dit advies dat als leerlingen hun taalachterstand wat inhalen, de school ineens geen faciliteiten meer krijgt. Je krijgt dan een enorm jojo-effect, denk alleen maar aan het inzetten van personeel waar de school ineens weer vanaf moet. Vervolgens komt er een nieuwe groep drie met taalachterstandsleerlingen en kun je die leerkrachten weer aannemen. Dat is geen goede zaak, want continuïteit is voor scholen erg wenselijk." Aan het piramidaal stelsel zitten volgens Verheggen haken en ogen. "Op zich is het een idee goed dat er meteen volop wordt ingezet bij de start van kinderen, maar als bij deze plannen de deksel op de pot blijft, vraag ik me af waar dit geld vandaan moet komen. En wat betekent dit stelsel voor de nieuwkomers in het voortgezet onderwijs, is daar wel aan gedacht en is daar dan nog voldoende budget voor?"
"Zolang niemand nog weet of en hoeveel geld er wordt uitgetrokken voor de onderwijsachterstanden naar aanleiding van het advies, is het moeilijk om de consequenties ervan te overzien." Het ontbreken van een nieuwe gewichtenregeling zit Verheggen net als Jungbluth dwars. "Die gewichten zijn cruciaal. Bosker heeft in de bijlagen van het advies geopperd dat het gewicht van de zwaarste groep misschien wel 3.0 moet zijn. Als dát waar is, is er de afgelopen jaren wel ontzettend veel misgegaan en is het razend knap dat leerkrachten met de huidige middelen überhaupt nog konden werken! Ja, als die 3.0 wordt doorgevoerd, kunnen we écht spreken van een revolutionair plan."

Marijke Atsma

Vraagtekens

Staatssecretaris Adelmund staat niet te juichen bij het advies van de Onderwijsraad. In de begeleidende brief aan de Tweede Kamer zet ze nogal wat vraagtekens bij de voorstellen. Het liefst zag de bewindsvrouw het achterstandsbeleid vastgesteld op basis van individuele kenmerken, maar ze ziet daar vanaf omdat dat nu nog niet haalbaar is. Ze is wel bang dat door het laten vallen van een aantal principes de achterstandsgelden versnipperd zullen raken en de effectiviteit ervan zal afnemen. Voor de periodieke taaltoetsen die de raad voorstelt, moeten er wel waarborgen zijn dat die onder gelijke, objectieve omstandigheden worden afgenomen. Verder moet voorkomen worden dat scholen die voortgang boeken daar financieel voor gestraft worden. Deze kwesties worden neergelegd bij de Onderwijsraad en die zal in het voorjaar 2002 met een vervolgadvies komen

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.