• blad nr 17
  • 17-10-2000
  • auteur . Lachesis 
  • Column

 

Veranderingen

Drieëntwintig jaar geleden startte ik met een klas van vijfentwintig leerlingen. Ik gaf les, keek het werk na, voerde oudergesprekken en sprak zo nu en dan een orthopedagoog van de schoolbegeleidingsdienst. Sindsdien veranderde er veel. Remedial teachers en interne begeleiders deden hun intrede en beloofden ons dat zij ons werk zouden verlichten. Schoolbegeleidingsdiensten organiseerden cursussen klassenmanagement en gaven video-interactietrainingen met de bedoeling een efficiënter werkklimaat te creëren. De maatschappelijke discussie over de teloorgang van normen en waarden eindigde om de haverklap in de constatering dat vooral leerkrachten belast dienden te worden met het hervinden van deze schatten. Er werden talloze beloften gedaan om de omstandigheden te verbeteren waaronder al dit moois gestalte moest krijgen.
En nu? Welke balans kunnen wij opmaken uit al deze aardverschuivingen? Ik geef nog steeds les aan een klas met zo1n vijfentwintig leerlingen, kijk het werk na, voer oudergesprekken en spreek zo nu en dan een orthopedagoog. Mocht ik beter dan wel slechter geworden zijn als leerkracht, dan is dat een verdienste die louter op mijn eigen conto te schrijven valt. Veranderde er dan helemaal niets? O jawel. Het onkruid voor mijn raam heeft inmiddels indrukwekkende proporties aangenomen. De gordijnen die nog dateren uit de uitverkoop van 1981 worden elk jaar dunner.
In het vinylbehang zitten zoveel gaten dat ik de hele klas vol moet hangen met tekeningen om ze te bedekken. De boeiborden die het schoolgebouw ooit eens een vrolijk aanzien gaven, hangen nu verveloos aan hun laatste spijkers. Er kwam weliswaar een conciërge maar die was van meet af aan niet te spreken over het feit dat hij met dit baantje maar ietsjes meer verdiende dan met een uitkering. Daar was hij tamelijk ontsteld over. Om zichzelf te troosten vond hij dat hij alleen maar leuke dingen hoefde te doen. Helaas horen koffie zetten, stencilen, de keuken opruimen, wc-papier uitdelen en het plein vegen daar niet bij.
Veranderde er inhoudelijk dan helemaal niets? O jawel hoor. De remedial teaching werd opgeheven, kinderen met leerproblemen worden niet meer de klas uitgehaald maar dienen nu door de groepsleerkracht zelf extra geholpen worden. De aanschaf van nieuwe methoden ­ hoe leuk en aantrekkelijk ze er vaak ook uitzien ­ betekent elke keer een toename van de activiteiten. Als ik alles volgens de regels doe, dan moet ik elke week vijf taallessen, twee spellingslessen, twee lessen technisch lezen, twee lessen begrijpend lezen en vijf kringgesprekken organiseren en dan heb ik alleen nog maar aan de eisen voor goed taalonderwijs voldaan. De treurige werkelijkheid wil dat er in al die jaren nooit maar dan ook nooit iets veranderde dat de werkdruk lichter maakte. Elke verandering leidde tot meer activiteiten in de klas: als ik niet uitkijk geef ik juist steeds meer les, kijk ik steeds meer werk na, houd ik om de klipklap gesprekken met ouders en spreek ik niet alleen orthopedagogen maar ook nog een hele stoet aan sociale werkers, psychologen en politieagenten.
In de miljoenennota is na jaren van bezuinigen in het onderwijs ineens sprake van een extra investering. Nu de economie floreert en de ene belastingmeevaller na de andere in de schoot van de regering valt, kan men niet meer helemaal om het onderwijs heen. Zal er dan nu iets wezenlijks veranderen? Ik vrees van niet. De voortekenen zijn niet gunstig. Er is namelijk één segment in het onderwijs dat wel ingrijpende veranderingen heeft ondergaan in al die jaren: het management.
Nog geen tien jaar geleden gaf praktisch iedere directeur nog les en was daarnaast een aantal dagdelen vrijgeroosterd. Heden ten dage is het beleid er op gericht deze directeuren geheel vrij te roosteren. Omdat de grootte van veel scholen niet geheel correspondeerde met deze wens is men er hier ter plaatse toe overgegaan clusters van scholen te formeren en een clusterdirecteur aan te stellen. Omdat een clusterdirecteur wel drie scholen onder zijn hoede kan hebben, heeft men op de scholen zelf een locatiedirecteur aangesteld.
De clusterdirecteuren worden op hun beurt aangestuurd door een drietal regiocoördinatoren. De regiocoördinatoren vallen weer onder de directeur van de bestuurscommissie primair onderwijs. Hiërarchische verhoudingen vertalen zich altijd naar salarisschalen. Als een locatiedirecteur schaal 10 eist, dan wil een clusterdirecteur minstens 11. Enzovoorts.
Al deze mensen hebben werkruimte nodig en faciliteiten. Het ligt dus voor de hand dat veel van het extra geld op zal gaan aan het formeren van deze tussenlagen. Men zou mogen verwachten dat zoveel aansturing hele mooie dingen tot gevolg heeft. Niets is minder waar. Middenmanagement heeft de neiging heel druk bezig te zijn, alleen weet niemand goed waarmee.
Wat ik zou willen? Een verzorgde, vrolijke werkomgeving, een klassenassistent, een kopje koffie dat ik niet zelf hoef te zetten en niet zelf hoef te betalen, wc-papier op het toilet en een hogere salarisschaal. In die volgorde. Het hoeft ook niet allemaal tegelijk. Ik vind het zelf heel bescheiden eisen. Je hoeft echter geen cynicus te zijn om te weten dat daar niets van in komt. Niets.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.