- blad nr 17
- 17-10-2000
- auteur D. van 't Erve
- Redactioneel
Tijd van vogelnestjes in de ringen is allang voorbij
De nieuwe rol van de gymnastieker
Bij het koffieapparaat in de kantine trekt een leerling Joan Boelens aan zijn jasje: ³Meneer, is er nog plaats bij fitness?² Het is een van de vragen die dagelijks aan de sportcoördinator worden gesteld. Zijn deur op de derde etage van roc de Friese Poort in Drachten staat altijd open voor de leerlingen. De Friese Poort heeft vier jaar geleden de klassieke lessen in de gymzaal afgeschaft. ³Ik was het zat², vertelt Boelens. ³Een klein aantal leerlingen vindt de lessen wel leuk, anderen komen niet opdagen. Ik wilde wel verder met bewegingsonderwijs, maar op een andere manier. Gelukkig kreeg ik de vrijheid van de directie om iets anders op poten te zetten. Daar is dit uitgerold.²
Boelens heeft het vak beroepsvorming welzijn en gezondheid voor de eerste klassen in het leven geroepen. Het bestaat uit een theoretisch en een praktisch deel. ³De theorie is belangrijk, omdat hier leerlingen echt leren over houdingen, gezondheid of blessures. Het gemiddelde cijfer van vier toetsen moet een voldoende zijn.² Daarnaast mogen de leerlingen in het praktische gedeelte kiezen uit een rijtje van zestien sportactiviteiten, clinics genoemd, variërend van squashen en zaalvoetbal tot aquajogging of streetdance. Hiervoor kunnen ze twintig studiepunten krijgen. De andere benodigde twintig behalen ze door bijvoorbeeld mee te doen aan een cross-loop, aan een cursus tot scheidsrechter of mee te gaan op een sportkamp. Voor het volgen van de clinics zijn de lesroosters van de eerstejaars aangepast, zodat alle leerlingen eraan mee kunnen doen. De clinics worden door sportverenigingen verzorgd. Boelens: ³Het is een wisselwerking geworden. De verenigingen komen ook naar ons toe met de vraag of er interesse is, zoals de boksvereniging. Ik kan geen boksles geven, maar zij wel. Toen ik aan de leerlingen vroeg wie er zin heeft in boksen, kwamen er tot mijn verbazing 160 reacties. Dat is dus prima te regelen. De leerling staat centraal.²
Het is een hoop geregel, geeft Boelens toe. ³Maar een speciaal computerprogramma maakt het een stuk makkelijker. Iedere leerling is zelf verantwoordelijk voor zijn aanwezigheid. Bij elke clinic ligt een intekenlijst waar leerlingen hun naam op schrijven. Wij voeren die vervolgens in de computer in. We kunnen dus precies zien wie wat gedaan heeft en wie er een voldoende voor heeft.²
Hoewel de organisatie ingewikkeld is, zijn de kosten volgens Boelens minder dan in de oude situatie. ³Vroeger moesten we een sporthal afhuren. Ik denk dat we nu op dertig tot veertig procent van de kosten van toen zitten.²
Minder absenten
Er zitten nog meer voordelen aan de nieuwe opzet. ³Het gaat verder dan sport. Je leert leerlingen ook normen en waarden. Laatst had ik een aantal jongens motorvoertuigtechniek die in het zwembad aan het aquajoggen waren. Naast hen zwommen bejaarden, zij vonden het schitterend. Dat is toch geweldig. Bovendien helpt dit sportbeleid een positief pedagogisch klimaat te creëren. De scholen worden zo groot dat de kans dat leerlingen verzuipen in de drukte toeneemt. Door deelname aan de clinics leren ze ook leerlingen van andere opleidingen kennen.²
Volgens Boelens slaat het nieuwe vak aan. ³In de oude situatie hadden we zoın veertig procent absentie. Dat is gedaald naar ongeveer tien procent. De reacties zijn fantastisch, zowel van leerlingen als leraren. Je staat als docent weliswaar minder les te geven, maar daar gaat het natuurlijk niet om. Het gaat om de leerling, die moet het leuk vinden², benadrukt Boelens.
Jenneke Clevering (20, derdejaars administratie) kan zich de gymlessen op haar vorige school goed herinneren. ³Dat was gewoon in de gymzaal. Dan is dit veel leuker. Dit spreekt de leerlingen meer aan, heel anders dan weer een partijtje trefbal.² Vooral de sportkampen vond ze geslaagd. ³Ik had nog nooit eerder geskied en dit was een goedkope manier om op wintersport in Oostenrijk te gaan. Gezelligheid staat dan natuurlijk wel voorop.² Jenneke heeft na het volgen van zelfverdediging en fitness niet besloten om lid te worden van een sportschool. ³Nee, maar dat heeft een heel andere reden. Ik zit namelijk al acht jaar op paardrijden en dat is echt mijn hobby. Het is wel heel goed dat je dan op school andere sporten kunt proberen.²
Menno de Jong (18, tweedejaars handel) zegt dol op sport te zijn. ³Maar ik heb naast school mijn krantenwijk en een baantje in de supermarkt. Daarom vind ik het te gek dat sport op school wordt aangeboden.² Omdat hij na het eerste jaar een andere opleiding is gaan volgen, heeft hij twee jaar aan de sportlessen kunnen meedoen. ³Ik heb zowat alles al een keer gehad, ben twee keer naar de sportweek op Terschelling geweest en een keer survival in de Ardennen. Het is echt jammer dat ze het niet in de andere jaren aanbieden.²
Zowel Menno als Jenneke vindt het erg positief dat ze veel andere leerlingen leren kennen. ³Ik denk dat ik al zoın veertig procent van de leerlingen hier op school wel ken², zegt Menno. Het is echt heel leuk dat je niet alleen de leerlingen uit jouw klas kent.²
³Het gros van de leerlingen wil wel een vervolg in de hogere jaren², weet Joan Boelens. ³Daar strijden we voor, maar het ligt eraan wat de directie wil. Ik krijg ook veel aanvragen van ouderejaars voor sportreizen. Maar voorlopig zit er niets anders op dan op privé-basis iets te regelen.²
Noodzaak
Sinds de invoering van de Wet educatie beroepsonderwijs in 1996 is het niet meer vanzelfsprekend dat sport op het rooster van rocıs staat. De regionale opleidingencentra zijn zelf verantwoordelijk voor wat ze de leerling aanbieden, als ze maar aan de eindtermen voldoen. In de eindtermen is echter vaak niets terug te vinden waaruit de noodzaak van bewegingsonderwijs blijkt. Vooral ook vanwege de kosten schrapten veel rocıs de sportlessen. Pas toen onderzoek aantoonde dat de fysieke toestand van jongeren tussen de veertien en achttien jaar terugliep, kwam sport weer op de agenda. De ministeries van Onderwijs en VWS trokken meer geld uit voor sport en riepen de stichting Jeugd in beweging in het leven. In 1998 startte ŒBve in bewegingı, een project waarin acht rocıs met een goed sportbeleid als voorbeeld voor andere moeten dienen. Ook kregen de landelijke organen beroepsonderwijs de opdracht om aan te geven waarom er voor sport geen plaats is in de eindtermen.
Bert Boetes, stafmedewerker onderwijs van roc de Landstede in Zwolle: ³Lichamelijke opvoeding kan bijvoorbeeld een heel goed middel zijn om aan de eindtermen Œin staat met groepen te werkenı of Œleiding kunnen gevenı te voldoen.² Daarbij is de rol van de docent lichamelijk opvoeding sterk aan het veranderen. ³Om sport op het lesrooster terug te krijgen, moeten de docenten het vak kunnen verkopen. Ze moeten bij het management kunnen aangeven wat het belang van bewegen is. Dat waren ze niet gewend en sommigen hebben er nog moeite mee. Via het project ŒBve in bewegingı zijn consulenten beschikbaar die daarmee kunnen helpen.²
Het betekent ook dat de docent lichamelijke opvoeding moet nadenken over de invulling van zijn lessen², zegt Boetes. ³Lessen als Œvogelnestje in de ringenı zijn echt verleden tijd. De lessen worden eerder een oriëntatie op de verschillende sporten. Skaten, klimmen of klootschieten, het maakt niet uit. Daarmee hopen we natuurlijk dat leerlingen zo enthousiast worden dat de drempel om lid te worden van een sportclub verdwijnt.²
Sponsor
Roc de Landstede in Zwolle is hard bezig om sportbeleid te ontwikkelen. ³Daarin gaan we nog een stapje verder dan alleen het aanbieden van oriëntatielessen², vertelt Boetes. ³Ons roc biedt jonge topsporters de mogelijkheden lessen te volgen. We geven bijvoorbeeld onderwijs aan spelers van nationale jeugdselecties en van de FC Zwolle. Ook hebben we de sportuitleen overgenomen, waardoor andere organisaties bij ons spullen kunnen lenen. Daarnaast zijn we hoofdsponsor van de Zwolse basketbalploeg in de eredivisie. Sommige scholen vinden het vreemd dat een school iets sponsort, maar het heeft veel voordelen. Wij sponsoren liever een sportploeg dan dat we geld uitgeven aan advertenties. Niet alleen levert het goede reclame voor de school op omdat de club onze naam draagt, maar onze leerlingen hebben er ook veel baat bij. De leerlingen administratie hebben bijvoorbeeld de kaartverkoop onder hun hoede, de horecaopleiding verzorgt maaltijden en het reisbureau van de toeristische opleiding regelt de buitenlandse reizen.²
Uit evaluaties wordt duidelijk dat op veel rocıs sport weer in de lift zit. Kees Faber, coördinator onderwijs namens de stichting Jeugd in beweging: ³Als je het aantal van vijftien rocıs dat met vernieuwingsprojecten bezig is, afzet tegen het totaal, lijkt het natuurlijk weinig. Maar veel rocıs hebben plannen of laten zich nog informeren.² Faber noemt een paar oorzaken die het sportbeleid op school belemmeren. ³Zowel bij docenten, maar vooral bij directies moet er een cultuurverandering komen. Directies zien vaak de noodzaak van bewegen in het onderwijs niet in. Waarom zouden ze op een beroepsopleiding er tijd en geld voor vrijmaken? Zolang die gedachte heerst, verandert er weinig. Daarom zijn nieuwe projecten van Jeugd in beweging, zoals de landelijke campagne WhozNext, noodzakelijk. En wie weet, misschien dat de goede resultaten op de Olympische Spelen ook nog een positieve bijdrage leveren.²