- blad nr 7
- 7-4-2012
- auteur M. van Nieuwstadt
- Redactioneel
Bezuinigingen laten zich voelen
Ziekteverzuim stijgt
Vanaf medio 2010 tot oktober 2011 is het percentage leraren en juffen dat ziek thuis zit gestegen van 6,1 naar 6,5 à 7 procent. Tussen eind 2007 en 2010 was het ziekteverzuim met circa 6 procent vrij stabiel.
Dat blijkt uit cijfers van de Stichting Vervangingsfonds en Bedrijfsgezondheidszorg voor het onderwijs. “Preciezere cijfers kunnen we nog niet geven”, zegt Marcel Touw, adjunct-directeur van het Vervangingsfonds. “Een reden daarvoor is dat wij ons baseren op circa 40 procent van alle salarisgegevens in het primair onderwijs. In de cijfers van het ministerie was de stijgende trend door administratieve veranderingen in 2010 nog niet zichtbaar. Dat er sprake is van een stijgende trend maken wij ook op uit de kosten die wij moeten maken om leerkrachten te vervangen. Die zijn in de genoemde periode met 12 procent opgelopen.”
Grote schoolbesturen bevestigen de stijging. Directeur Hank de Jong van het bedrijfsbureau van de Almeerse Scholen Groep (48 scholen) heeft het verzuimpercentage in de maanden augustus tot en met februari zien oplopen tot 7,35. Hij tekent erbij aan dat de eerste, donkere wintermaanden van het nieuwe jaar ook een seizoensmatige stijging in het ziekteverzuim laten zien. “De herfstvakantie is voorbij en de zomervakantie is nog ver”, zegt hij.
De Jong signaleert ook een structurele stijging. Zijn collega's Herbert de Bruijne van de stichting Openbaar Onderwijs aan de Amstel (21 scholen) en Wiely Hendricks (stichting De Haagse Scholen, 54 scholen) onderschrijven deze trend.
Grotere groepen
Uit interviews onder schoolleiders concludeerde onderzoeksbureau CAOP Research in februari dat toegenomen werkdruk, mondiger ouders, vergrijzing en krimp van het werknemersbestand allemaal van invloed zijn op het toegenomen ziekteverzuim. “Het is een cumulatie van factoren”, reageert Marcel Touw. Een bevredigende verklaring is dat niet, want al deze oorzaken van ziekteverzuim gaan (veel) langer terug dan het jaar 2010.
De Jong van de Almeerse Scholengroep kan wél scherp aangeven waardoor de druk op zijn scholen in de afgelopen twee jaar is opgelopen: er is meer druk en er is minder geld.
Diverse bezuinigingen die voor 2010 zijn aangekondigd, hakken er in Almere nu in. Als voorbeeld noemt De Jong de geleidelijke aanpassing tussen 2010 en 2012 van de gewichtenregeling. Die leverde scholen geld op, afhankelijk van het opleidingsniveau van de ouders van leerlingen. De Almeerse Scholen Groep kost de aanpassing 2 miljoen op een begroting van 65 miljoen euro voor het primair onderwijs.
Bij een gelijkblijvend aantal leerlingen (circa 13.000) ziet De Jong in dit en het voorgaand schooljaar omgerekend veertig arbeidsplaatsen verdwijnen op een totaal van duizend: “En dat betekent meer taken voor de mensen die blijven.”
Hendricks van de Haagse Scholen schat dat hij in de afgelopen twee jaar zo'n 2 procent heeft ingeleverd op een totale begroting van 110 miljoen euro. “Als de bezuinigingen in het passend onderwijs in de komende jaren hun effect krijgen, dan wordt die dalende trend sterker”, zegt hij. “Wij hebben de bezuinigingen opgevangen zonder op onze scholen de groepen te vergroten, maar ik weet dat andere schoolbesturen dat niet lukt. En iedereen weet dat vergroting van groepen een werkdrukverhogende factor is.”
Inspectie denkt mee
Ook de stringentere toetsing van scholen op opbrengsten verhoogt volgens Hank de Jong de druk op meesters en juffen. Zwak presterende scholen komen eerder dan voorheen in een verbetertraject, al dan niet met hulp van een extern bureau. Op zichzelf een goede ontwikkeling, vindt De Jong, maar als de druk om betere resultaten te behalen of anders te gaan werken te hoog wordt opgevoerd, dan kan het er toe leiden dat een leerkracht zich ziek meldt.
De Almeerse Scholengroep ervaart meer druk van de Onderwijsinspectie. “De rol van de inspectie is de laatste jaren veranderd van ‘critical friend’ naar beoordelaar”, zegt De Jong. “Inspecteurs kijken bij schoolbezoeken in eerste instantie naar de eindtoets, meestal de Cito-toets, en de scores op andere toetsen die in de loop van het jaar worden afgenomen. Andere elementen komen ook aan bod, maar resultaten geven de doorslag.”
Op zichzelf, zegt De Jong, is er niets op tegen om scholen strenger af te rekenen op resultaten, “maar het levert wel een grotere druk op voor de lerarenteams”.
De Onderwijsinspectie ontkent desgevraagd dat de eisen in de afgelopen jaren zijn opgeschroefd. “Naar de opbrengsten van scholen kijken we al sinds 2002”, zegt woordvoerder Hans van der Vlies. “De beoordelingscriteria zijn sindsdien niet strenger geworden. En wij voeren geen druk op. Wij denken met scholen mee.”
Senang
Geen druk? “Dat wordt op scholen wel zo ervaren”, zegt Hendricks van de Haagse Scholen. Hij signaleert “een grotere resultaatgerichtheid”. Die focus op het inzichtelijk maken van resultaten is van relatief recente datum.
Dat de toon of werkwijze van de Onderwijsinspectie bij schoolbezoeken is veranderd kan Hendricks niet beamen. “Die toon is sterk mensgebonden”, zegt hij. “Precies zoals het heel wat uitmaakt of je van de ene agent een parkeerboete krijgt of van de andere.”
Wel is het volgens Hendricks zo dat de Onderwijsinspectie zich de laatste jaren niet meer alleen richt op individuele scholen, maar ook schoolbesturen aanspreekt op prestaties. “Dat vind ik een goede ontwikkeling. Uiteindelijk zijn de schoolbesturen eindverantwoordelijk voor de kwaliteit.” De Onderwijsinspectie bevestigt: “Het toezicht is tegenwoordig ook gericht op de schoolbesturen, omdat deze eindverantwoordelijk zijn voor de onderwijskwaliteit van de school.”
Volgens Hendricks hebben de schoolbesturen ook uit eigen beweging het resultaatgerichte werken omarmd. Of dat heeft geleid tot een hoger ziekteverzuim onder leerkrachten durft hij niet te zeggen: “Niet elke leraar vindt dat resultaatgerichte werken vervelend. Er zijn er ook die zich juist senang voelen bij structuur en frequente metingen.”
{KADER}
Friese leraar
Zingen met de klas deed hij al jaren niet meer. En ook naar buiten gaan met de kinderen voor een biologieles kwam er haast niet meer van. En dat waren nu juist de zaken die een schoolmeester op een openbare school in het zuidwesten van Friesland plezier in zijn werk verschaften. Sinds 1 augustus 2010 zit hij thuis, deze parttime schooldirecteur en meester van een gecombineerde groep 6, 7 en 8.
Over een paar maanden stapt de 58-jarige Fries, die anoniem wil blijven, helemaal uit het vak: “Het schoolbestuur vond dat het niet langer ging zo, en dat vond ik zelf eigenlijk ook.”
Op de vraag waarom deze meester van middelbare leeftijd met ziekteverlof is gegaan, klinkt een diepe zucht aan de andere kant van de lijn. “Vroeger had je meer vrijheid om de dingen in te vullen zoals je het zelf goed achtte”, zegt hij. “Als ik zin had om met de klas naar buiten te gaan, dan deed ik dat.” Onder die omstandigheden was hard werken geen probleem.
De klassen op deze Friese school zijn niet groter geworden, maar er zijn wel meer jaargroepen samengevoegd waardoor de verschillen tussen leerlingen binnen één klas zijn toegenomen. Tegelijkertijd wordt er van leerkrachten verwacht dat ze met hun instructie zowel de zwakke als sterke leerlingen bedienen.
“Anders dan vroeger, wil het schoolbestuur voortdurend zien wat de resultaten van leerlingen zijn op het gebied van rekenen, taal en begrijpend lezen”, zegt de Friese meester. “Aan dat soort vakken ben je tegenwoordig veel meer tijd kwijt. En dan zat je in de avonduren nog handelingsplannen te schrijven. Ik zeg niet dat zoiets slecht is, maar het zet de klas en je presteren wel onder druk.”