• blad nr 17
  • 17-10-2000
  • auteur D. van 't Erve 
  • Dossier

 

Goed werkgeverschap

Duidelijkheid voor het personeel is in tijden van grote veranderingen een van de kenmerken van goed werkgeverschap. Daar ontbrak het in geval van G. nogal aan.
Sinds 1996 werkt ze bij een begeleidingsdienst als inhoudelijk medewerker a. In 1998 wordt in de cao een nieuw functiegebouw afgesproken, waarin de functies van inhoudelijk medewerker a, b en c komen te vervallen. De cao bepaalt dat G.¹s functie senior opleidingskundig adviseur gaat heten, maar dan moet ze wel voldoen aan de criteria. Op 20 april 1998 licht de werkgever G. per brief over de vernieuwingen in. Daarin staat dat de medewerkers tijdens een plaatsingsgesprek de nieuwe functie wordt meegedeeld. Voor medewerkers die niet voor plaatsing als senior adviseur in aanmerking komen, is een aparte procedure ontworpen. Daarvan zal een beoordelingsgesprek deel uitmaken.
Een maand later nodigt de stichting G. uit voor een plaatsingsgesprek. Tot haar verbazing krijgt ze te horen dat ze (nog) niet tot senior adviseur wordt benoemd. G. gaat samen met de juridische dienst van de AOb in beroep bij de interne geschillencommissie. Deze stelt vast dat G. door de uitnodiging had mogen verwachten dat ze tot senior adviseur zou worden benoemd. De adjunct-directeur heeft onzorgvuldig gehandeld door haar voor een plaatsingsgesprek uit te nodigen, terwijl er nog geen besluit was genomen. Maar toch was de stichting volgens de commissie wel bevoegd om te besluiten niet tot plaatsing over te gaan.
Na deze uitspraak houdt de stichting een beoordelingsgesprek met G. Hierin vertelt de werkgever haar dat ze niet aan de criteria voor de functie van senior adviseur voldoet en daarom als gewoon adviseur wordt benoemd. Bezwaar hiertegen helpt niets, dus stapt G. met de AOb naar de kantonrechter.
De stichting meent op haar beurt dat G. een ongeldige route heeft gevolgd omdat ze eerst opnieuw bij de geschillencommissie had moeten aankloppen. Daarnaast voert de stichting aan dat de regels wel degelijk zijn gevolgd: er is eerst een beoordelingsgesprek geweest voordat er een definitief besluit is genomen.
Volgens de kantonrechter hoefde G. niet per se weer eerst naar de geschillencommissie omdat een uitspraak van die commissie niet bindend is. De rechter is het echter met de werkgever eens dat niet elke inhoudelijke medewerker a automatisch per januari 1998 benoemd moest worden tot senior opleidingskundig adviseur. Een goed werkgever moet echter wel zo snel mogelijk duidelijkheid verschaffen. Net als de geschillencommissie eerder had uitgesproken, wekt de uitnodiging voor een plaatsingsgesprek de verwachting van een benoeming. De handelwijze van de stichting is daarom hoogst onzorgvuldig en in strijd met goed werkgeverschap. De rechter vindt dat G. met terugwerkende kracht tot januari 1998 als senior opleidingskundig adviseur moet worden benoemd, in elk geval in financiële zin. De stichting krijgt drie maanden de tijd om G. alsnog in die functie te benoemen.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.