- blad nr 6
- 24-3-2012
- auteur L. Douma
- Redactioneel
‘Kinderen worden benaderd alsof ze een godsgeschenk zijn’
Ik en de groep
Een onderzoek van Unicef toonde aan dat Nederlandse kinderen de gelukkigste kinderen op aarde zijn. Uit ander onderzoek blijkt dat nergens zoveel jongvolwassenen tussen de twintig en dertig jaar in therapie gaan als hier. Ontwikkelingspsycholoog en oud-leraar Steven Pont* legt deze feiten naast elkaar. Een wetenschappelijke conclusie wil hij niet trekken, maar hij vindt het wel opvallende gegevens. “Nederlanders gaan makkelijker dan anderen naar een psycholoog, maar toch: er is ergens iets misgegaan als al die gelukkige kinderen massaal in therapie gaan als jongvolwassene. Worden kinderen tijdens hun gelukkige jeugd constant uit de wind gehouden? Een opvoeding moet kinderen voorbereiden op het leven, en de Nederlandse opvoeding doet dat nu onvoldoende.”
Hij weet wel waar het misgaat. “Kinderen worden benaderd alsof ze een godsgeschenk op deze wereld zijn. Foldermateriaal van kinderdagverblijven tamboereert op de uniciteit van elk kind. Dat is ook goed verklaarbaar vanuit het verleden. Tot de jaren zestig van de vorige eeuw was de pedagogische opdracht: We moeten een fatsoenlijk mens van je maken. Vanaf de jaren zestig wilden we gelukkige burgers van onze kinderen maken. En dus moest er maatwerk komen. In die tijd heeft het Cito bijvoorbeeld ook zijn eerste toetsen ontwikkeld, er kwam behoefte aan een onafhankelijk meetinstrument. Voor die tijd werd een bakkerszoon die met een 7,5 van school ging bakker, en een notariszoon met een 7,5 werd notaris. Dat moest anders: het beste moest uit elk kind gehaald worden. Het is heel goed dat we toen meer naar het individu zijn gaan kijken, dat was revolutionair. Nu is het tijd voor een nieuw geluid. Nog steeds staat het individu centraal in de pedagogische opdracht. Maar we hebben al het door en door geďndividualiseerde kind. Roepen om meer individualisme is als een trui aantrekken in de tropen. Mensen, het is al warm!”
Oplichting
Wiel Veugelers, hoogleraar educatie aan de Universiteit voor Humanistiek en docent/onderzoeker bij de lerarenopleidingen van de Universiteit van Amsterdam, doet onderzoek onder docenten, leerlingen, ouders en schoolleiders naar de pedagogische opdracht. “Er zijn altijd drie verschillende pedagogische doelen te onderscheiden: kinderen aanpassingsvermogen meegeven, autonomie, zodat ze voor zichzelf opkomen, en sociale betrokkenheid, zeg maar empathie. De laatste vijftien tot twintig jaar ligt in het onderwijs de nadruk gigantisch op de autonomie. Zelfstandig leren was bijvoorbeeld een sleutelwoord bij de tweede fase in het voortgezet onderwijs. Het wordt nu tijd jongeren te leren dat het ‘zelf’ altijd gesitueerd is in een sociale praktijk. We moeten ze laten zien dat individuen lid zijn van een groep, in plaats van concurrenten van elkaar.”
Deze les begint wat Pont betreft al bij de kinderopvang. Voor kinderdagverblijf de Benjamin in Nistelrode ontwikkelde hij een beleid waarin de opvang helemaal in het teken staat van het ontwikkelen van sociale vaardigheden en het groepsproces. “Wij weten dat mensen het best floreren wanneer zij sociaal vaardig zijn. Daarom willen we in Nistelrode eerst de sociale kant van kinderen ontwikkelen, we leren ze hoe ze zich verhouden tot andere kinderen. Je ziet dat dat zijn vruchten begint af te werpen. In Nistelrode zit bijvoorbeeld een jongetje met een lage spiertonus, wat betekent dat hij omvalt als hij gewoon op de vloer zit. De maatschappij lost dit probleem op door een soort stoeltje voor hem te maken waarmee hij wel op de vloer kan zitten. Daarmee legt de maatschappij het probleem bij het jongetje neer: met deze stoel kun jij je eigen verantwoordelijkheid nemen. Maar in Nistelrode bleef dat stoeltje al snel in de hoek staan. Andere kinderen gingen met gespreide benen als een soort schaar om het jongetje heen zitten, zodat hij niet omviel. Zij namen als groep de verantwoordelijkheid.”
Als mensen zich beter tot elkaar verhouden, wordt de wereld prettiger, verwacht Pont. “Ik denk dat de huidige crisis voor een deel ook voortkomt uit individualisme, uit het feit dat mensen zich niet verbonden voelen met elkaar. Oplichting is natuurlijk van alle tijden, maar wat de banken hebben gedaan is geďnstitutionaliseerde oplichting: ik geef jou een lening die je nooit kunt aflossen, maar dat interesseert me geen zier, als ik er maar beter van word.” Mensen die niet meekomen in deze maatschappij hebben volgens de psycholoog een steeds groter probleem. “Door individualisme kan een winner een nog veel grotere winner worden. Maar als je niet snel genoeg bent, beland je zo aan de verkeerde kant van het spoor.”
“De maatschappij is niet gebaat bij allemaal loszwevende individuen”, zegt ook hoogleraar Veugelers. “Sociale betrokkenheid is ook van invloed op de democratie. Debatteren is nu op scholen heel populair. Dat wordt dan meestal in een soort Lagerhuis-achtige sfeer getrokken. Ik vind het jammer dat een debat als een competitie benaderd wordt. Je zou dat meer in de dialoogsfeer moeten trekken. Kinderen moeten leren samen tot oplossingen te komen.”
Surrogaatleraar
Wat Pont in de opvang doet, kan doorgetrokken worden naar het onderwijs. “Een school is natuurlijk een cognitief instituut, veel meer dan de kinderopvang. Maar het sociaal-emotionele stimuleert het cognitieve. Ook de sociaal-emotionele ontwikkeling van een kind is een pedagogische taak”, zegt de ontwikkelingspsycholoog. “Het is niet de bedoeling dat kinderen in een groep opdreunen wat 4 x 7 is. Bij zo’n aanpak is er geen ruimte voor het individu, dat is ook niet goed. Het onderwijs moet op zoek naar een goede mix tussen het ‘ik’ en de groep.”
“Wanneer je het hebt over je richten op groepen, denken mensen vaak dat je een pleidooi houdt voor klassikaal onderwijs. Maar er zijn zoveel pedagogische vormen”, zegt Veugelers. “Je kunt kinderen in groepjes van elkaar laten leren. Laat kinderen de stof aan elkaar uitleggen. Mensen denken daarbij vaak aan de leerling als surrogaatleraar, terwijl het een andere functie heeft. Kinderen die uitleg geven, of bijvoorbeeld een discussie leiden, leren daar zelf ook van.”
Maar worden de mogelijkheden van leerlingen die boven de groep uitsteken wel optimaal benut als er minder aandacht komt voor het individu? Veugelers: “Als sommige leerlingen intellectueel gezien een heel klein beetje zouden inleveren voor sociale winst, vind ik dat geen enkel probleem.”
Sukkel
Anderhalf jaar geleden werd er een groot internationaal onderzoek gedaan naar burgerschapsvorming. Nederland scoorde niet best. Nederlandse scholieren interesseren zich niet voor politiek en scoren het hoogst bij negatieve attituden ten opzichte van migranten. Hoger dan jongeren in Engeland of Vlaanderen.
“Dat betekent dat we ze weinig sociale betrokkenheid bijbrengen”, zegt Veugelers. Volgens hem is dat een neveneffect van ons onderwijs. Doordat er zoveel schooltypen zijn en door het bijzonder onderwijs, komen kinderen terecht in klassen met eenzijdige leerlingpopulaties. Dat staat sociale betrokkenheid in de weg. Hij haalt de Amerikaanse politicoloog en hoogleraar Robert Putnam aan. Die onderscheidt bij socialisatie twee processen: het ene bindt samen (bonding) en het andere slaat bruggen (bridging). “Deze processen maken het mogelijk bij een groep te horen en tegelijkertijd met andere groepen om te gaan”, legt Veugelers uit. “Omdat Nederland een grote variatie in onderwijstypes kent, door denominaties, vroege selectie en de scheiding van groepen, maakt het onderwijs bridging ingewikkeld.” De hoogleraar zou dan ook graag zien dat de scheiding in schooltypen minder werd. “Wat mij betreft stellen we de schoolkeuze uit tot veertien jaar. Ik ben ook tegen de verschillende denominaties. Weg ermee. Maar dat is in Nederland niet realiseerbaar.”
Het onderwijs zelf heeft eveneens voordeel van een minder individualistische maatschappij, denkt Veugelers. “De status van het leraarsberoep heeft te lijden onder al die aandacht voor het ‘zelf’, je bent een sukkel als je je inzet voor de publieke zaak. In Finland – waar het leraarsberoep slechter betaald wordt dan in Nederland – is ‘docent’ het meest gegeven antwoord als je scholieren vraagt wat ze willen worden.”
{noot}
*)Mensenkinderen, door Steven Pont, over de zeventien belangrijkste ontwikkelingsgebieden van kinderen tussen nul en vier jaar (en twaalf belangrijke gevolgen voor hun opvoeding) is net uit: uitgeverij Bert Bakker, ISBN 90.3513.5407, €24,95