• blad nr 5
  • 10-3-2012
  • auteur G. van der Mee 
  • Redactioneel

Rotterdams schoolbestuur neemt pabo over 

Gouden kans of degradatie tot bedrijfsopleiding?

Voor het eerst in Nederland wordt een pabo overgenomen door een schoolbestuur. Is dit een goed idee? De pabodirecteur vindt het “de beste oplossing in dit specifieke geval”. De directeur van het schoolbestuur noemt het zelfs “een gouden kans”. Kritiek komt van de andere Rotterdamse pabo. “Je moet je eigen verantwoordelijkheid als opleiding niet weggeven.”

Waarschijnlijk is het allemaal pas in 2013 rond, toch staat iedereen al te trappelen om te beginnen. Peter Lamers, directeur van de Rotterdamse Vereniging voor Katholiek Onderwijs (RVKO) en oud-onderwijswethouder in Rotterdam, weet nog niet welke bruidsschat hij meekrijgt van hogeschool Leiden, de eigenaar van de Rotterdamse Pabo Thomas More. Wel heeft hij al helemaal bedacht wat er moet veranderen als Thomas More is overgenomen. “Ik vind dat je als pabo een strenge intake moet hebben en als blijkt dat iemand niet geschikt of gemotiveerd genoeg is, kun je dat beter direct zeggen. Soms krijgen wij stagiairs of zelfs afgestudeerden waarvan we tot de conclusie komen dat ze niet voor het onderwijs hadden moeten kiezen. Dat is vervelend voor die jonge mensen en het is zonde van de energie en de middelen die aan hen besteed zijn. Wij gaan voor kwaliteit, dan maar wat minder studenten. Wij hebben op al onze 63 scholen geen onderwijsassistenten, omdat we vinden dat alleen hbo-afgestudeerden voor de klas moeten staan.”
Lamers vindt het irritant dat de beste pabo’s nu in gebieden staan waar de minste mensen wonen. “Daar zitten ook kleine pabo’s bij, zoals de katholieke in Zwolle en Helmond. Toen we hoorden dat hogeschool Leiden van Thomas More af wilde, vonden we dat de gouden kans om ons als de Baron von Münchhausen aan onze eigen haren uit het moeras te trekken. De beste pabo, ook al heeft hij maar vijfhonderd studenten, moet in Rotterdam staan. Een kleine, degelijke vakopleiding. Op het ministerie vonden ze ons plan ook aantrekkelijk, vandaar het wetsvoorstel om te kunnen defuseren.”
Lamers wil niet de indruk wekken dat de RVKO nu alleen nog mensen van Thomas More op hun scholen wil hebben. “Wij blijven natuurlijk gemotiveerde en geschikte juffen en meesters aannemen van alle pabo’s, ook van buiten de stad.”
De Pabo Thomas More werd ooit opgericht door de RVKO, maar in de in de jaren tachtig werd de opleiding overgedaan aan hogeschool Leiden. Volgens Dorothee van Kammen, de huidige directeur van Thomas More, die nu twee jaar bij de opleiding zit, was hogeschool Leiden eigenlijk niet ingericht op dislocaties. “Wij waren hun enige opleiding met een eigen gebouw in Rotterdam, terwijl de service van de hogeschool helemaal op Leiden gericht was. Dat ging dus wringen en het ging ook ten koste van onze inbedding in het Rotterdamse. Hier in ons eigen gebouw zijn de lijnen kort, kun je veel sneller iets beslissen.”
Dat de RVKO belangstelling had, was dus een unieke kans. “Wij kunnen ons dan weer helemaal profileren als een Rotterdamse pabo en ons bestuur weet wat de scholen nodig hebben.”

Schoonschrijven
Van de huidige pabo-opleidingen heeft Lamers van RVKO duidelijk niet zo’n hoge pet op. Daarom wil hij in ieder geval invloed hebben op de programmering van Thomas More. “Lessen in schoonschrijven: dat is allemaal prachtig, maar op onze scholen staan de borden op de gang, we hebben alleen nog digiborden. Met het hele ict-gebeuren zijn wij in het werkveld soms verder dan de opleidingen, bijvoorbeeld als het gaat om het analyseren van de toetsen. Dan krijgen we jonge mensen op school die helemaal niet in staat zijn dat te hanteren.” Natuurlijk heeft hij in het verleden met pabo’s hierover gesproken. “Maar we bleven ons een roepende in de woestijn voelen. Juist in een stad als Rotterdam moet je in staat zijn maatwerk te leveren. Afhankelijk van de situatie van de kinderen in de klas moet je bijvoorbeeld ook flexibel zijn in je klassenmanagement.”
Pabodirecteur Van Kammen vindt het beeld dat Lamers schetst, alsof pabo’s zich alleen met fröbelwerkjes bezighouden, echt achterhaald. “Natuurlijk moeten aanstaande leerkrachten kunnen inspelen op de onderwijsbehoeften van kinderen, dat komt uitgebreid aan bod in ons programma.” Toch is ze blij met de overname: “De gedrevenheid en de energie waarmee dit bestuur aan de slag wil, doet ons goed. Voor het team is de overname natuurlijk ook heel spannend. Het biedt kansen, maar er zijn tegelijkertijd nog weinig voorbeelden hoe je dit op een goede manier kunt doen.”

Mannen
Het katholieke bestuur doet er alles aan om meer meesters voor de klas te krijgen. In 2011 werd de ‘mannenklas’ gestart. De mannen waren zij-instromers die in dienst werden genomen en direct aan het werk gezet op de basisscholen. Aanvankelijk gingen ze één dag in de week naar de Hogeschool Rotterdam, maar toen de overname van die andere Rotterdamse pabo een feit werd, moest de hele groep verhuizen naar Thomas More.
Lamers vindt het heel belangrijk dat zijn leerlingen op school ook mannen treffen. “Daarom betalen wij hun opleiding. Pabo’s kunnen wat mij betreft wel wat flexibeler omgaan met de mannelijke studenten die vaak minder hebben met de kleuters.” Van Kammen van Thomas More is het hiermee eens. “Alle studenten kunnen bij ons vanaf de start een eigen stageprogramma kiezen. Vaak blijkt dat degenen die aanvankelijk alleen bij oudere kinderen stage wilden lopen, later in de opleiding toch ook met de kleuters kennis willen maken.” De groep ‘hij-instromers’ die nu sinds augustus rondloopt in de school vindt ze ook heel goed voor de sfeer in het gebouw. “Dat trekt ook nieuwe mannelijke studenten aan.”

Zuur
De directeur van de pabo van Hogeschool Rotterdam, Fred Feuerstake, is er geen voorstander van dat schoolbesturen leerkrachten opleiden. Met duizend studenten is zijn pabo de grootste speler in het Rotterdamse veld, daarnaast is er een locatie in Dordrecht met vierhonderd studenten. Dat de mannenklas hem halverwege de rit werd afgenomen, was zuur, maar daar wil hij het nu niet meer over hebben, dat is allemaal uitgesproken met de RVKO. “Wij proberen nu opnieuw zo’n klas op te zetten.” Hij vindt dat een hbo-opleiding nooit zijn eigen verantwoordelijkheid moet opgeven. “Wij stemmen ook goed af op de wensen van de schoolbesturen, maar leiden niet specifiek op voor die scholen. Dan wordt het echt een vakopleiding. Een hogeschool is ook een kennisinstituut, ik vind dat je in het primaire proces onafhankelijk moet zijn en eigen afwegingen moet kunnen maken, bijvoorbeeld als het gaat om het vormgeven van competenties. Een werkgever die ook in het bestuur van de opleiding zit, daar zijn toch dubbele belangen in het spel, dan voorzie ik algauw fricties tussen bestuur en opleiding. Ik zie hier dus het voordeel niet van.”
Lamers van RVKO ziet geen beren op de weg. “Doordat de financiën gescheiden blijven, een uitdrukkelijke voorwaarde van het ministerie, denk ik dat het wel mee zal vallen.” Van Kammen van Thomas More is ervan overtuigd dat die eigen verantwoordelijkheid er wel blijft. “Dat wil het ministerie ook en we hebben natuurlijk te maken met de wettelijke eindtermen. Die sterke band met de basisscholen hoort juist heel erg bij het profiel van het beroep.”

Laboratorium
Theo Wubbels, vicedecaan van de faculteit sociale wetenschappen van de Universiteit Utrecht, ziet ook weinig risico’s als een schoolbestuur een pabo overneemt. Hij richtte zelf vier jaar geleden de eerste academische lerarenopleiding primair onderwijs op in Utrecht. “Het is vergelijkbaar met een bedrijfsopleiding, heel veel bedrijven in Nederland hebben hun eigen opleiding. De rechterlijke macht leidt ook zijn eigen rechters op, daar heeft nog nooit iemand wat van gezegd.” Wubbels vindt wel dat de leerlingen van de school in staat moeten zijn om ook in Drenthe les te geven. “Je kunt andersom ook bedenken dat een opleiding een eigen school heeft, waar studenten stagelopen. Daar is het risico dan van dat er een soort laboratoriumsituatie ontstaat die met de werkelijkheid niet zoveel meer te maken heeft.” Volgens Wubbels speelt het al heel lang dat scholen meer invloed willen hebben op de opleidingen. “Het schoolbestuur Ons Middelbaar Onderwijs bijvoorbeeld financiert een bijzonder hoogleraar aan Tilburg University.” Dit bestuur heeft ook plannen om samen met Tilburg University een academische lerarenopleiding te starten.
Dominique Hoozemans, voorzitter van het Landelijk Overleg Lerarenopleidingen Basisonderwijs (Lobo) vindt dit een interessante ontwikkeling. “Dat staatssecretaris Halbe Zijlstra de wet wil veranderen om een opleiding los te maken van een hogeschool past natuurlijk in het beleid om niet verder te vergroten, maar juist kleine opleidingen met een menselijke maat een kans te geven.” Voorlopig ziet hij alleen maar voordelen. “Ik denk wel dat het belangrijk is dat Thomas More ook met andere instellingen contacten onderhoudt. Omdat ook deze opleiding geaccrediteerd zal worden, dus getest op de kwaliteit en de inhoud van het programma, ben ik niet bang dat het eigen belang van het bestuur de overhand zal nemen.”

{kader}
Defuseren
Grote hogescholen en universiteiten kunnen in de toekomst ‘defuseren’ als ze dat willen. Staatssecretaris Halbe Zijlstra is bezig met een wetsvoorstel. Tot nu toe konden instellingen alleen fuseren, opsplitsen was niet mogelijk. Maar volgens Zijlstra kan het nuttig zijn om van één grote instelling meerdere kleine te maken, zei hij begin februari in het programma Buitenhof. De fusies die in het verleden werden gestimuleerd door de overheid hebben volgens hem niet tot verbetering van het onderwijs geleid. Daarom zou ‘defuseren’ een oplossing kunnen zijn, maar hij is niet van plan om dit op te leggen.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.