- blad nr 5
- 10-3-2012
- auteur T. van Haperen
- Column
Een knettergek voorstel
Op het eerste gezicht begrijpelijk, want uit recent onderzoek van het Australische Grattan Institute blijkt dat een vijftienjarige in Singapore, Hongkong of Shanghai qua taalvaardigheid een jaar voorloopt op zijn leeftijdgenoten alhier. De verklaring voor deze achterstand is onder andere het opleidingsniveau van leraren. Eerdere landenvergelijkende kwaliteitsonderzoeken bevestigen deze constatering en noemen dezelfde oorzaak. Kortom, zo gek is dat voorstel van De Jonge niet.
Maar dat is het dus wel, het is zelfs knettergek. Elke bevoegde leraar heeft namelijk een diploma hoger onderwijs. Waarom dan de taalvaardigheid van de basisschool nog een keer testen? En waar houdt dit op? Heel Nederland te water ter bevestiging van het zwemdiploma? Daar is niemand voor. Zelfs een verlopen rijbewijs wordt probleemloos vernieuwd. En terecht. Het is 99 van de honderd keer zinloos geroutineerde automobilisten nog een keer te laten afrijden.
Nou, zal De Jonge zeggen, er zijn anders veel leraren die waardeloos spellen. Ik ken er ook een paar, maar onderzoek naar dit onderbuikgevoel leert vooral dat er meer onderzoek nodig is. En mocht blijken dat gebrekkige taalvaardigheid een probleem is, een toets verandert daar weinig aan. Nog een keer voldoen aan een eis waar al aan voldaan is, maakt namelijk niemand beter. Want hoe raak je eenmaal aangeleerde kennis en vaardigheid kwijt? Door het niet te gebruiken. Een voorbeeld. Laatst, ik stond voor het bord, had een kromme getekend, een lijntje erlangs en dacht; het raakpunt uitrekenen, daarvoor moet ik partieel differentiëren. Dertig jaar geleden was dat geen probleem. Nu wel, ik heb het niet onderhouden. Geeft niks, ik zoek het op en kan het weer. En als ik een stukje schrijf moet ik oppassen met de ‘ij’. ‘Peiler’ en ‘pijler’ haal ik bijvoorbeeld nog wel eens door elkaar. Nadenken, doen, falen, een corrigerende tik, herstellen, dag in, dag uit, zo werkt het onderhoud van basiskennis en -vaardigheid. Het ontbreken van dat onderhoud is de enige verklaring voor een door de wethouder geconstateerde afnemende taalvaardigheid onder leraren. Op het werk speelt het dan geen rol. Leraren en schoolleiding hebben het druk met andere zaken dan een zorgvuldige omgang met kennis. En dat zegt vooral iets over de scholen.
Kortom, wethouder De Jonge doet een weinig doordacht voorstel, wat ook nog eens zijn taak niet is. Leraren vallen namelijk onder het bevoegd gezag. Niet de wethouder, maar de Rotterdamse schoolbesturen leggen die taaltoets op. En dat maakt de kwestie bepaald onsmakelijk. Bestuurders nemen hoog opgeleid personeel aan, vinden dat kennelijk incompetent, doen daar zelf niks mee, maar springen wel gretig in het wiel van de mediageile wethouder.
De Rotterdamse leraar kan bij dit stuitend opportunisme maar één conclusie trekken, die taaltoets maak ik niet! Nooit!