• blad nr 17
  • 17-10-2000
  • auteur O. Bosma 
  • Commentaar

 

Basisvorming

Veel later dan gepland heeft staatssecretaris Adelmund haar beleidsreactie op het inspectierapport over de evaluatie basisvorming gepubliceerd. Zoals altijd met een politiek stuk over dit onderwerp was het een zware bevalling. Adelmund geeft scholen ruimte bij het invullen van de kerndoelen, handhaaft de vijftien vakken, schaft de verplichting van de afsluitende toets basisvorming af en blijft, in afwijking van het inspectierapport, bij het aantal van 32 leerlinglessen.
Op dit laatste element concentreerden zich de eerste, teleurgestelde, reacties van de onderwijsorganisaties.
Een vermindering met twee uur zou de scholen formatieruimte hebben opgeleverd. De inspectie wilde de werkdruk ermee verminderen. Het is echter de vraag of de scholen er zo gelukkig mee zouden zijn geweest. Minder leerlinguren betekent weer een verandering in de schoolorganisatie, een nieuwe strijd om het aantal uren per vak, nieuwe gewetensconflicten bij de vakdocenten over te veel leerstof die ze in te weinig tijd moeten aanbieden. Minder leerlinguren zou zeker niet alle docenten minder lessen hebben opgeleverd, zodat ze meer leerlingen zouden moeten bedienen. Dit alles slechts voor een beperkte periode, want in 2004 moet de hele basisvorming weer op de schop. Het is bovendien in de kennissamenleving oneigenlijk om werkdrukvermindering voor leraren te realiseren door leerlingen minder lessen te geven. Dat geldt zeker voor de vbo/mavo-leerlingen, die het van de lestijd moeten hebben.
Adelmunds voorstellen bieden scholen perfecte mogelijkheden om de gegroeide praktijk gewoon voort te zetten en dat zal ongetwijfeld ook gebeuren. Daarom is het beter om nu alle aandacht te richten op de middellange termijn dan de energie te verspillen aan dit zoveelste compromis rond een concept dat geen toekomst meer heeft.
De basisvorming beoogde een gemeenschappelijk aanbod te realiseren, zonder veranderingen in de structuur. Zo moesten onoverbrugbare politieke tegenstellingen, ontstaan tijdens het debat over de middenschool, worden verzoend. Het is duidelijk dat deze meesterzet¹, ooit bedacht door de Wetenschappelijke raad voor het regeringsbeleid, niet werkt. Er is wel degelijk veel veranderd in de twee hoofdstromen van de eerste fase, zoals de aanzienlijke verbreding van het aanbod in het vbo. Maar afgezien van de vraag of dit nu dankzij of ondanks de basisvorming gebeurde, de tweedeling tussen beroepsonderwijs en algemeen vormend onderwijs is er niet door opgeheven.
De eerste vraag die in het debat moet worden beantwoord is: Legt de samenleving zich neer bij de tweedeling, of is die misschien zelfs gewenst? Als het antwoord bevestigend luidt, kan voor elke hoofdstroom de optimale invulling worden gekozen. En in geval van een ontkenning moet duidelijk worden hoever een gemeenschappelijk onderwijsaanbod kan gaan. Vervolgens moet daarvoor de optimale structuur worden ontworpen. Wat de keus ook is, in 2004 mag het onderwijs niet nog eens worden opgezadeld met onuitvoerbare politieke compromissen.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.