• blad nr 17
  • 17-10-2000
  • auteur O. Bosma 
  • Redactioneel

Nog niet de helft van de AOb1ers vindt zich voldoende ict-vaardig 

De computer is goed voor het onderwijs, maar het moet wel van de armen

Meer dan driekwart van de in het onderwijs werkzame AOb-leden vindt dat de computer een bijdrage levert aan de kwaliteit van het onderwijs. Over de betekenis van die bijdrage verschillen de meningen en nog niet de helft dicht zichzelf voldoende vaardigheden toe op ict-terrein. Slechts een op de vijf leden vindt het aantal computers op school toereikend en ook over de andere randvoorwaarden heerst grote ontevredenheid. In het hbo is ict het verst gevorderd, het voortgezet onderwijs toont de meeste scepsis. Een en ander blijkt uit een enquête van Het Onderwijsblad waaraan bijna duizend leden meewerkten.

Investeren in informatie- en communicatietechnologie in het onderwijs kreeg bij het aantreden van het tweede paarse kabinet grote prioriteit. Het regeerakkoord bevatte voor de post ict in het onderwijs bijna een miljard gulden. De eerste regel in de toelichting bij minister Hermans1 begroting voor 2001 gaat over de digitalisering van Nederland. Groot enthousiasme dus bij de overheid, maar uit het onderwijs zelf komen al geruime tijd andere signalen. Veelgehoorde klachten luiden dat de investeringen in machines en programma1s te langzaam gaan en dat het onderwijspersoneel niet of nauwelijks de gelegenheid krijgt zich op ict-terrein te ontwikkelen. Toen een jaar of twee geleden het e-mailverkeer tussen scholen goed op gang kwam, was het gemopper over het ontbreken van formatieruimte voor systeembeheer niet van de lucht.
Directe aanleiding voor Het Onderwijsblad om de stand van zaken onder AOb-leden te peilen waren de antwoorden op een sinds het begin van dit jaar in de lezersenquête meelopende vraag over de bekendheid met de website van de bond. Steevast laat tussen de dertig en veertig procent van de respondenten weten geen toegang te hebben tot internet, geen computer te hebben of, als dat wel het geval is, geen tijd of belangstelling te hebben voor digitale media. Altijd zitten er wel een paar mensen bij die een uitgesproken afkeer demonstreren. Deze resultaten maakten nieuwsgierig naar de vraag hoe het zit met de computervaardigheden, het computergebruik op school en thuis en de waardering van het medium voor het onderwijs. Begin september ontvingen drieduizend in het onderwijs werkzame AOb-leden een vragenlijst. Een derde (986) stuurde het formulier ingevuld terug. De samenstelling van de groep respondenten correspondeert naar leeftijd en geslacht met het ledenbestand van de AOb, het voortgezet onderwijs is iets oververtegenwoordigd, het primair onderwijs iets ondervertegenwoordigd.

De computer thuis
De speciale ict-enquête bevestigt het beeld uit het lezersonderzoek dat zeven op de tien AOb-leden thuis een internetaansluiting hebben. Zes procent heeft geen computer. Vergelijking met alle Nederlanders met minimaal een hbo-opleiding is onmogelijk omdat de meest recente cijfers per opleidingsniveau twee jaar oud zijn. Toen had volgens het Sociaal en cultureel planbureau driekwart van de hoger opgeleiden thuis een computer en veertig procent toegang tot internet. Sindsdien nam het aantal aansluitingen razendsnel toe. Vorig jaar kwamen er alleen al van juli tot en met september 300.000 huishoudens bij.
Uit de gegevens van 1998 blijkt wel dat de digitale achterstandsgroepen1 bij de AOb dezelfde zijn als bij de hele bevolking: vrouwen en ouderen. Mannen hebben thuis dertien procent vaker een internetaansluiting dan vrouwen, jongeren bijna twintig procent vaker dan ouderen. Van de AOb-vrouwen computert ruim dertig procent thuis niet of nauwelijks, bij de mannen is dat maar zeventien procent. Vrouwen gebruiken vaker dan mannen de computer alleen maar als tekstverwerker.
De vrouwen zijn ook onzekerder dan de mannen over de vraag of ze voldoende digitale vaardigheden hebben voor computergebruik in het onderwijs. Slechts veertig procent van hen antwoordde ronduit bevestigend op deze vraag, bij de mannen was dat bijna zestig procent. Omgekeerd noemde ruim een kwart van de vrouwen zich onvoldoende vaardig, tegen vijftien procent mannen. De overige respondenten vinden hun kwalificaties Rtwijfelachtig1. Bij beide seksen loopt het vertrouwen in het eigen kunnen af naarmate de respondenten ouder zijn.

Achterop
Op grond van de verschillen per sekse ligt het voor de hand te veronderstellen dat het gebruik van de computer in het primair onderwijs achterblijft: daar bestaat meer dan zeventig procent van het personeel uit vrouwen. Zoals in de tabel te zien is, blijkt dit te kloppen wanneer het gaat om de situatie thuis: weinig computeruren, relatief weinig internetaansluitingen. Maar op school liggen de verhoudingen heel anders. Niet het primair onderwijs, maar het voortgezet onderwijs is veruit het minst gevorderd op de digitale snelweg. De respondenten uit deze sector, van wie ruim zestig procent mannen, gaven de laagste percentages voor de frequentie van het computergebruik op hun werk. Ook de waardering voor de computer als kwaliteitsverbeteraar is het geringst. Deze scores kunnen samenhangen met het feit dat het aantal computers per leerling in het voortgezet onderwijs sterk achterblijft bij de andere sectoren (zie grafiek). Maar de betrokken AOb1ers zijn over deze aantallen niet ontevredener dan hun collega1s elders. De naar verhouding positieve scores voor het primair onderwijs vallen temeer op, daar in deze sector meer dan de helft van de scholen geen betaalde systeembeheerder heeft. In de andere takken van onderwijs heeft minder dan tien procent er geen.
Het hbo is koploper: de meeste computers per student, de hoogste waardering voor het medium, het meeste gebruik op het werk en thuis, het grootste vertrouwen in de eigen vaardigheden. De AOb-leden in de bve volgen op korte afstand, alleen thuis zijn ze duidelijk minder bezig met de computer.
Docenten tonen zich niet zo ict-minded als de 79 schoolleiders en zeventig onderwijsondersteuners onder de respondenten. Ze verwachten er minder van voor de kwaliteit van het onderwijs (73 procent positief tegen 89 procent van de schoolleiders en 77 procent van de oop1ers) en gebruiken de computer veel minder frequent op het werk (dagelijks 51 procent, tegen 85 en 74 procent). Ook het feit dat docenten wat minder ontevreden zijn over het aantal computers op school dan andere functionarissen wijst op een lager ambitieniveau.

Goed, maar waarom?
Driekwart van de AOb1ers vindt dat de computer bijdraagt aan de kwaliteit van het onderwijs, maar er heerst geen consensus over de vraag waarom dat zo is. Dat blijkt uit de toelichtingen die de respondenten konden geven bij dit item. Tegenover elke mening staat wel een totaal andere. RVeel interactiemogelijkheden, prachtige demo1s. Bovendien raken de studenten en leerlingen ermee vertrouwd, wat in deze it-maatschappij noodzakelijk is1, schrijft de een. RJa, maar de echte omwenteling moet nog komen1, meent een ander. Heel wat reacties noemen de computer onmisbaar, maar anderen waarschuwen dat Rhet niet té moet worden1, of dat de betekenis Rdanig wordt overschat1. Tegenover de velen die de computer beschouwen als middel voor individualiserend leren, als informatieverschaffer voor leerlingen, staan anderen die het instrument alleen Rbeheersmatig1 van betekenis vinden, Rniet voor het feitelijke onderwijs1, Rvoornamelijk voor automatiseringsprogramma1s voor leerlingen1, of Ralleen als zoethoudertje voor onze leerlingen, waarvan het niveau heel laag is1. Nogal wat respondenten zijn blij met de tekstverwerker, omdat het leerlingenwerk nu tenminste te lezen is.
De ruim twintig procent AOb1ers die aan de computer thans nog geen positieve bijdrage toekennen, vinden zo1n machine soms maar niets: RAlles blijft plat, het ervaren wordt uitgeschakeld. Bloem ruikt niet op computer. Alleen maar kennisoverdracht, verder geen menselijke aspecten.1 RMet de kwaliteitsverbetering van onderwijs heeft dat niets te maken, integendeel het creëert een fakewerkelijkheid, die door sommige collega1s verafgood wordt.1 RAls de stroom uitvalt, missen we de computer niet, behalve die voor de leerkrachten zelf misschien.1 RWaar blijft de persoonlijke benadering? Kunnen de mensen straks nog schrijven?1 REr gaat toch nog niets boven een goed boek (naslagwerk) en de overdracht van docent op leerlingen.1 RDe viva vox van de leraar is onvervangbaar.1

Te weinig en te oud
Grote unanimiteit heerst er over de stand van zaken. De randvoorwaarden waaronder gewerkt moet worden met computers deugen van geen kant, vinden de AOb1ers die positief oordelen over de betekenis van ict in het onderwijs. En onder de negatief gestemden zijn er, naast degenen die principieel weinig voelen voor computers, velen die de marginale voorzieningen als reden opgeven. De reacties op de open vraag over de betekenis van computers ademen dezelfde geest van armoede en achterstallig onderhoud als die welke doorklonk in de actie Onderwijs presenteert de rekening. Te weinig en verouderde apparaten, gebrekkige programma1s, het ontbreken van deskundigheid en systeembeheer, te weinig of geen tijd voor scholing, geen netwerk - al deze klachten komen om de haverklap voor. RDe computer goed voor het onderwijs? Ja, maar alleen als het geen half werk is met hier en daar een sponsorgift, oud-papierwerk en andersoortige liefdadigheid.1 RIct is oké, ik kan alleen niet met mijn leerlingen in het computerlokaal, omdat er reguliere klassen in zitten. Jammer van de programma1s die ik heb gekocht.1 ROp onze school staan er maar twee met cd-rom.1 RAbsoluut belachelijk dat ik geen computer met minimaal Word in mijn lokaal heb. Ik heb nu een 3861er in mijn lokaal.1 RHelaas hebben we geen internet en door het verschil in groepsgrootte en het aantal computers duurt het tijden voor een leerling opnieuw kan werken met een programma.1 RVeel te lange wachttijden bij storing.1 RHet staat duidelijk nog in de kinderschoenen.1 REr ontbreekt altijd wel iets.1 RJe moet een grote hobbyist zijn.1 RIk wil zelf meer faciliteiten, geen bijscholing van een instituut.1 RHet grootste probleem is naast het ontbreken van gestandaardiseerde apparatuur het gemis aan behoorlijke technische ondersteuning.1 RJe betaalt dit vak zelf!1 RTe weinig eigen kennis van computers. Na schooltijd nakijken, koken, gezinsleven, af en toe sporten. Tijd tekort!1
Bestaat er ook puur enthousiasme over de nieuwe technologie? Ja zeker, een flink aantal respondenten meldt veel goeds over deze informatieverstrekker, maker van lesmateriaal, cijferverwerker en intermediair tussen collega1s in en buiten de school. Maar de onvoorwaardelijke adepten vormen toch een minderheid. Hun mening wordt kort en bondig verwoord door het AOb-lid dat opschreef: Zonder de computer kan ik de gewenste kwaliteit niet meer leveren.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.