• blad nr 15
  • 1-10-2011
  • auteur W. de Lange, de 
  • Column

 

Fiets

In de proefles was hij er niet, Jeremy. Dat was nog vóór de zomervakantie, op een hete middag in juni. Alle aankomende eersteklassers stonden toen klaar in de schoolkeuken om bitterballen te maken, met een plastic keukenschort voor en handschoenen aan. Kliederend probeerden we de aspirant-leerlingen en onszelf ongedwongen te krijgen. Dat ging heel goed. Ook de bitterballen werden heel ongedwongen.
Toen waren ze nog trots op die plastic schorten. Nu kijken ze er al diep op neer. Want inmiddels hebben ze allemaal een koks- oftewel bakkersbroek, een bakkers- oftewel koksmuts en een jasje dat door de ware professional ‘buis’ wordt genoemd. Op iedere buis is de naam van de leerling geborduurd. Hoe ouderwets en toch hoe cool!
Jeremy was er niet bij, bij die allereerste kennismaking. De eerste keer na de vakantie was hij er wel. Stil, vooraan, zijn grote en rustige ogen alsmaar op mijn voorhoofd gericht, niet op mijn mond of ogen. Er zat geen afwijzing, geen verlegenheid of angst, maar ook geen amusement of goedkeuring in die blik. Hij leek vooral niet helemaal wakker. Hij onderging het samenzijn van mentor en klas zonder iets te zeggen of te vragen, het rooster, mededeling zus, spelletje zo, het gestuntel met namen, de modeshow van kersverse buizen, broeken en mutsen. Jeremy had die spullen niet. Die moesten de ouders nog bestellen, althans zoiets meende ik uit zijn gefluister te kunnen opmaken.
De volgende ochtend fietste ik, Jeremy’s nieuwe mentor, naar school. Ik was één en al startblok. Misschien dat ik daarom te laat opmerkte dat hij even heel dichtbij was, op zijn fiets. Hij fietste harder dan ik, maar in tegenovergestelde richting, weg van school. Was ik hem maar achterna gefietst. Die is zeker iets vergeten, dacht ik. Hij heeft nog drie kwartier. Maar hij kwam de hele dag niet. De eerste dag van zijn middelbareschoolcarrière.
Was het angst? Ik kwam er niet achter, toen we het er over hadden. “Mijn fiets was stuk”, zei Jeremy sloom. “De ketting liep eraf.” Ik heb je zien fietsen, zei ik. Ik probeerde de verdachtmaking zoveel mogelijk uit stem en blik te houden. “Bij de Nieuwmarkt? Ja, toen deed hij het nog.” Waarom fietste je naar Noord, in plaats van naar school? Hij legt het moede hoofd op zijn armen, die op tafel uitgespreid liggen. “Ik wist niet meer waar de school was.”
We praatten nog even door, maar schoten niks op. Ik ga met je moeder overleggen hoe we ervoor kunnen zorgen dat het niet meer gebeurt, zei ik. “Alle telefoons zijn stuk”, zei Jeremy. Dát bleek in ieder geval te kloppen.
Jeremy is sindsdien iedere dag naar school gekomen. Wel vaak te laat. Hij heeft het wel leuk, zegt hij. Bij het broodjes bakken en boterkoek maken zag ik met eigen ogen dat hij het leuk had. Dat is het allerbelangrijkste. Maar klasgenoten dreigen deze slaapkop niet serieus te nemen. De eerste pesterijtjes zijn genoteerd en ‘behandeld’. Afspraak met voogd is gemaakt.

Dit bericht delen:

© 2023 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.