• blad nr 14
  • 17-9-2011
  • auteur G. van der Mee 
  • Redactioneel

De andere kant van de prestatiemedaille 

Even blokken om te scoren

Scoren op rekenen en taal. Bijles- en huiswerkinstituten schieten als paddenstoelen uit de grond. Gaat het in het onderwijs alleen nog maar om het halen van hogere cijfers? Hoogleraar Monique Volman waarschuwt voor de gevolgen daarvan. “Goed, dan ligt die lat hoger, wat dan, duw je de leerlingen er overheen?”

“Een toets is nodig, maar tegelijkertijd is het een magere afspiegeling van waar het echt om moet gaan. Verantwoordelijkheid is bijvoorbeeld moeilijk te toetsen.” Monique Volman, de kersverse hoogleraar onderwijskunde van de Universiteit van Amsterdam heeft veel reacties gehad op haar pleidooi* om niet alleen te focussen op hogere cijfers. “Vooral van docenten die blij waren dat er eens iemand de keerzijde van de prestatiemedaille liet zien.”
Uw voorganger, Wim Meijnen, was toch juist een groot voorstander van toetsing en standaardisering en van het eindniveau voor taal en rekenen?
“Maar ik ben ook niet tegen presteren. Sinds mijn oratie moet ik dat vaak uitleggen. Wat ik wil is meer dan alleen letten op hogere scores. Ik zie in mijn eigen omgeving waar dat toe leidt. Elfjarigen die voor de Cito-toets naar huiswerkinstituten gaan en zeventienjarigen die voor het eindexamen stoomcursussen volgen. Even blokken om te scoren en dan weer vergeten wat je geleerd hebt. Dat kan toch niet de bedoeling zijn? Mijn zoon heeft dit jaar de Cito-toets gedaan, hij wist de scores van alle kinderen in zijn klas. Wat voor signaal geef je dan? Dat je een loser bent als je niet de hoogste score hebt. Als je jongeren wilt betrekken bij de samenleving, dan moeten ze het gevoel hebben dat alle leerresultaten op elk niveau van belang zijn en niet alleen individuele topprestaties in een beperkt aantal vakken.”
Tegelijkertijd vindt ze dat toetsen een goed hulpmiddel kunnen zijn als spiegel voor de school. “Hoe staan we ervoor? Halen we uit de leerlingen wat erin zit? Ik heb de petitie Red het basisonderwijs (tegen de ‘afrekencultuur’ van de Onderwijsinspectie, red.) na lang aarzelen niet getekend. Ik ben het wel eens met de kritiek dat de inspectie hun oordelen op te beperkte informatie baseert, maar ik heb er moeite mee als zwakke scholen zeggen ‘wij kunnen het niet helpen dat we zwak zijn, het ligt aan onze leerlingen’. Ik zou zeggen: zoek creatieve oplossingen om die kinderen te helpen.”

Ontevredenheid
In Nederland sloeg de stemming vijf jaar geleden om. Er was grote ontevredenheid over het niveau. In het vorige kabinet begon staatssecretaris Sharon Dijksma (PvdA) met de campagne rekenen en taal. Focussen op de kernvakken, dat was het devies. Het huidige kabinet doet daar nog een schepje bovenop met de introductie van veel extra toetsen, Michelinsterren en prestatiebeloning. Volman verwijt de media meegedaan te hebben aan het hypen van Beter Onderwijs Nederland door columnisten als Martin Sommer (de Volkskrant), die elke vernieuwing met de grond gelijk maakten. Zeker, ook zij kan zich ergeren aan de zesjescultuur en de spelfouten in de werkstukken van studenten. “Maar kijk dan waar dat vandaan komt, zoek er een oplossing voor, in plaats van alles in het onderwijs verdacht te maken. Er was bijvoorbeeld ook kritiek op realistisch rekenen, het klopt dat daar het een en ander is misgegaan, maar dan hoeft niet meteen die hele aanpak overboord. Natuurlijk zijn er scholen waar het niet goed gaat, maar doe niet net of het Nederlandse onderwijs is losgeslagen. Wij hebben wel als een van de weinige landen een centraal eindexamen.”
De media zijn ook een spiegel van een samenleving waarin ‘scoren’ heel belangrijk is.
“Ja, dat is waar. Het wonderlijke is dat het ministerie ieder jaar een tevredenheidsonderzoek doet onder ouders, waaruit de laatste jaren steeds blijkt dat hun eigen school een 8 krijgt, maar het onderwijs in het algemeen niet deugt. De commissie-Dijsselbloem constateerde dat het er slecht voorstond met het onderwijsniveau, terwijl daarover in de bijlagen van het rapport eigenlijk niets dramatisch te vinden was. Zo wordt er een stemming gecreëerd alsof ze in het onderwijs maar een beetje aan het lanterfanten zijn. Mensen praten elkaar gemakkelijk na. Minister Marja van Bijsterveldt gebruikt graag stoere slogans als ‘aan de slag’ en ‘de basis op orde, de lat moet omhoog’. Goed, en als die lat dan hoger ligt, duw je die leerlingen er dan overheen? ‘Opbrengst gericht werken’, nog zo’n slogan. Prima. Natuurlijk willen we allemaal meer leerlingen op een hoger niveau brengen, maar hoe? Door ze steeds meer taal en rekenen te geven en ze de creatieve vakken te onthouden? Dat is erg voor leerlingen die daar juist thuis niet veel van meekrijgen en niet goed voor de kenniseconomie, waarvoor creativiteit ook van groot belang is.”
Volgens u leidt louter aandacht voor prestatiescores ook tot een tweedeling onder leerlingen.
“Ik heb in de vakantie het boek Schoolpijn gelezen van Daniel Pennac. Hij was een slechte leerling en beschrijft hoe zo’n leerling zich voelt. Uit een onderzoek van socioloog Lenie van den Bulk onder vmbo’ers blijkt dat ze heel goed beseffen dat ze onderaan de ladder staan. Vwo-leerlingen zien zichzelf als mensen die een bijdrage aan de samenleving gaan leveren, veel vmbo’ers denken niet zo over zichzelf. Ze kunnen niet eens noemen waar ze goed in zijn. Dat vind ik hartverscheurend. Hoge leerprestaties zijn niet voor alle leerlingen haalbaar, maar op school moeten ze ervaren dat ze zelf van betekenis kunnen zijn. Dat ligt binnen het bereik van alle leerlingen.”
Hoe pak je dat dan aan?
“In ieder geval niet door de hele tijd te roepen dat hun rekenniveau beneden de maat is.”
Volmans recept is zo oud als het onderwijs zelf. Leerlingen onthouden de stof of vinden het belangrijk als ze het kunnen toepassen in de praktijk of kunnen verbinden met hun eigen ervaringen. Ze geeft voorbeelden van praktijkgericht onderwijs dat al op veel vmbo-scholen wordt toegepast. Leerlingen die zelf een koffieochtend verzorgen voor bejaarden of spelletjes organiseren voor groep 1 van de basisschool. “Het geeft ze een kick verantwoordelijk te zijn: met echte mensen te werken, kleuters die tegen hen opkijken. Oké, ze hebben vaak geen zin in rekenen of spellen, maar in dit soort opdrachten zijn heel veel leerdoelen te verwerken en als ze door hebben waar ze het voor doen willen ze best sommen maken en taalfouten verbeteren. Voor vwo’ers geldt eigenlijk hetzelfde, die kunnen bijvoorbeeld heel veel leren als ze hun eigen schoolreis naar Frankrijk organiseren. Dat is echt betekenisvol lesgeven.”
Tegelijkertijd merkt u op dat het niet makkelijk is om leerlingen uit hun eigen wereldje te krijgen.
“Ja, dat klopt. Jongeren hebben sterk de neiging op te gaan in hun eigen wereld. Daar kun je je bij neerleggen, maar je kunt ze ook prikkelen ergens anders voor te gaan. Het organiseren van projecten waarbij ze met concrete sociale praktijken in aanraking komen. Voor leraren is het misschien wel veel werk, aan de andere kant houdt het het beroep leuk. Het mooiste is natuurlijk wanneer je vakken integreert bij zo’n project. De paradox van het naar een hoger niveau brengen van het onderwijs door middel van toetsen van de standaardstof, is dat het de hele jeu van het beroep weg haalt. Je hoeft niet meer na te denken over wat de essentie is van het vak.” In haar oratie geeft Volman nog even mee wat volgens haar het doel van het onderwijs zou moeten zijn ‘(…) een nieuwe generatie zaken bijbrengen die hen in staat stellen het stokje van de vorige generatie over te nemen’.

{noot}
*)Monique Volman: Kennis van betekenis. Betrokkenheid als kwaliteit van leerprocessen en leerresultaten. De oratie is te vinden op www.kohnstamminstituut.uva.nl

{kader}
Kritiek

In Amerika en Engeland is er inmiddels veel kritiek op het onderwijsbeleid waarbij scholen en leraren afgerekend worden op de scores van de verplichte lees- en rekentoetsen. Deze aanpak, die tien jaar geleden startte, is rigoureuzer dan de Nederlandse en leidde tot veel gesjoemel en strategisch gedrag. Heeft het geholpen? Helaas. Amerikaanse en Engelse wetenschappers hebben aangetoond dat het uitsluitend leren van tests en toetsen kinderen het plezier in leren ontneemt. De kwaliteit van het onderwijs is er niet op vooruitgegaan. Diane Ravitch hielp in Amerika als assistent van twee verschillende Onderwijsministers mee aan de campagne No child left behind. Nu is ze hoogleraar en betuigt ze haar spijt in het boek The death and life of the great American school system. Daarin laat ze zien dat het bedrijfsmodel, met gestandaardiseerde toetsen en verplichte resultaten niet helpt om een school te verbeteren. Ze vindt inmiddels dat de beslissingen over de lesstof niet overgelaten moeten worden aan politici en bedrijven. Leraren moeten normaal betaald worden en niet afhankelijk zijn van bonussen op grond van onbetrouwbare testscores. Haar collega van Stanford University, Deborah Stipek, vraagt zich af wat er met de motivatie van leerlingen gebeurt als ze alleen nog worden klaargestoomd voor toetsen en ze nooit leren om vragen te stellen bij de stof. In Engeland is het de wetenschapper Robin Alexander die met een heel grootschalig onderzoek aantoont dat de aandacht voor andere vakken dan taal en rekenen is verminderd. Leraren zijn er ontevreden en er is meer stress in het onderwijs. Alexander, hoogleraar in Cambridge, noemt het eind augustus in Trouw ‘teleurstellend, dat een volwassen land als Nederland, Engeland en de Verenigde Staten achterna wil gaan’. Volgens hem is er inmiddels genoeg bewijs dat deze aanpak niet leidt tot het gewenste niveau, maar juist de kwaliteit vermindert.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.