- blad nr 14
- 17-9-2011
- auteur R. Voorwinden
- Redactioneel
Verkorte lerarenopleidingen booming
Lesbevoegdheid cadeau bij twee pakken wasmiddel?
Het project Eerst de klas gaat het derde jaar in, het aantal kopopleidingen wordt uitgebreid en de educatieve minor wordt ook in het hbo ingevoerd: er komen meer snelle mogelijkheden om leraar te worden. Hoe zit het met de kwaliteit, en waar houdt het op? Tekst Rob Voorwinden Beeld Wim Stevenhagen Stel: je bent afgestudeerd aan een universiteit. Je haalde goede cijfers (je was geen zesjesjager) en je hebt tijdens de studie ook nog een paar interessante bijbaantjes gedaan. Kortom: je bent een high potential, zoals ze dat in het bedrijfsleven noemen. Een goede baan bij Shell of een ander groot bedrijf ligt voor je klaar. Maar dan hoor je dat de mogelijkheid bestaat om een managementcursus te gaan volgen bij zo’n groot bedrijf, en daarnaast een tijdje parttime als leraar te werken. Is dat een interessante aanbieding? Zo’n 250 pas afgestudeerde high potentials vonden van wel, en schreven zich dit voorjaar in voor de derde lichting van het project Eerst de klas. De deelnemers die worden toegelaten (de selectie is streng, van de 250 gingen er slechts 31 van start) staan twee jaar parttime voor de klas, waarbij ze hun eerstegraads lesbevoegdheid halen. Daarnaast volgen ze een managementopleiding bij bedrijven als Shell, Siemens en ING. Cazimir ten Brink had er wel oren naar, zo vertelt hij tegen het blad Intermediair. Want hij had na zijn masterstudie moleculaire wetenschappen geen idee wat hij wilde gaan doen. Hij staat nu tijdelijk voor de klas als leraar scheikunde, en dat bevalt prima. ‘Ik ga er voor de volle 100 procent voor, net als de andere deelnemers. Ik denk dat we zijn geselecteerd omdat we strebertjes zijn.’ De eerste lichting deelnemers van Eerst de klas heeft het project inmiddels doorlopen, staatssecretaris Halbe Zijlstra reikte vlak voor de zomervakantie negentien diploma’s uit. En het lijkt er op dat het project inderdaad een bijdrage levert aan het terugdringen van het lerarentekort: een aantal van de geslaagden blijft in het onderwijs, fulltime of parttime. Voor Ten Brink blijft het bedrijfsleven echter toch lokken. ‘Over acht jaar zit ik hopelijk voor Shell in een ver land, liefst Hawaï’, zegt hij in Intermediair. Educatieve minor Naast Eerst de klas zijn er meer projecten die het tekort aan leraren moeten verminderen. Zo kunnen studenten van – tot nu toe – universiteiten bijvoorbeeld al tijdens hun studie een zogenoemde educatieve minor van enkele maanden volgen. De studenten werken tijdens hun minor de helft van de tijd op een school voor voortgezet onderwijs. De andere helft van de tijd is bestemd voor zelfstudie en colleges, onder andere in pedagogiek en didactiek. Het Montessori Lyceum Amsterdam en het Stedelijk Gymnasium Leiden toonden zich vorig jaar in het Onderwijsblad enthousiast over de minorstudenten: de ‘jonge honden’ brengen ‘een ander elan’ in de school. De educatieve minor is volgens staatssecretaris Zijlstra zo succesvol dat hij wordt uitgebreid: naast universiteiten zouden ook hbo-opleidingen de minor kunnen gaan aanbieden. Begin volgend jaar komt de staatssecretaris met een uitgewerkt plan daarvoor. Ook een derde mogelijkheid om via een alternatieve route leraar te worden – de zogenoemde kopopleiding – wordt verruimd. Met een kopopleiding kunnen studenten in hbo en wo die hun bachelordiploma hebben gehaald, in een jaar tijd hun tweedegraads bevoegdheid krijgen. In totaal zijn er nu ruim honderd kopopleidingen, die gevolgd worden door ruim vierhonderd studenten. Om dat aantal te verhogen heeft Zijlstra ruim dertig nieuwe bacheloropleidingen aangewezen die recht geven op instroom in zo’n kopopleiding. Zo kunnen afgestudeerden in ‘talen en culturen van Latijns-Amerika’ terecht in de kopopleiding tot leraar Spaans, en bachelors sociologie en bestuurskunde in de kopopleiding tot leraar maatschappijleer. Studenten die aan de kopopleiding beginnen lopen vaak allang rond met de vraag of lesgeven iets voor hen zou kunnen zijn, zegt Willem Nijenhuis, coördinator van de voltijd kopopleiding van de Hogeschool van Amsterdam. “Meestal komen ze binnen op aanraden van een familielid. En vaak merken ze dat een baan als leraar inderdaad heel leuk is, na afloop blijven ze vaak in het onderwijs werken.” Lapmiddel Dat er steeds meer wegen komen om leraar te worden is mooi, want er ontstaan de komende jaren forse tekorten. Maar hoe zit het met de kwaliteit van die nieuwe, steeds kortere opleidingen? Uiteindelijk kan je de lesbevoegdheid ook bij een kilo waspoeder cadeau doen, wat ongetwijfeld heel veel nieuwe leraren oplevert. Maar hoe goed zijn die dan toegerust voor het uitvoeren van hun vak? De AOb vindt de kopopleidingen een prima manier om leraar te worden. Ook Eerst de klas lijkt niet verkeerd, al gaat het nog om kleine aantallen studenten. Maar AOb-voorzitter Walter Dresscher zet wel heel grote vraagtekens bij de educatieve minors. Die minors van enkele maanden vormen geen stevige pedagogisch-didactische basis voor een baan als leraar, en leveren de deelnemers bovendien maar een beperkte tweedegraads bevoegdheid op. Afgestudeerden mogen alleen lesgeven in de theoretische leerweg van het vmbo en de eerste drie leerjaren van havo en vwo. De beroepsgerichte vakken in het vmbo en het hele mbo vallen buiten de bevoegdheid. “Het is geen goed beleid om bij dreigende lerarentekorten de entree-eisen tot het vak te verlagen”, vindt Dresscher. “Dat is een lapmiddel dat uiteindelijk tot een slechte kwaliteit leraren leidt, waardoor het beroep op de lange termijn onaantrekkelijker wordt.” De universiteiten werpen echter tegen dat de educatieve minor vooral dient om bij de studenten interesse voor het leraarschap te wekken. En als dat is gelukt, zouden de studenten na afloop van hun studie nog een volwaardige eerstegraads lerarenopleiding moeten volgen. Op veel universiteiten krijgen de studenten die de educatieve minor hebben gevolgd nadrukkelijk ‘tot ziens’ te horen. Al zijn er geen garanties dat die studenten zich later inderdaad weer melden voor hun vervolgopleiding. Het hbo redeneert volgens hetzelfde principe, denkt coördinator Nijenhuis van de kopopleiding van de Hogeschool van Amsterdam. “Ik verwacht dat de studenten na hun studie gaan instromen in onze kopopleiding.” Garanties zijn er, ook hier, echter niet. “Maar met die kopopleiding kunnen ze hun bevoegdheid uitbreiden tot het volledige tweedegraadsgebied”, redeneert Nijenhuis. Dat geeft dus echt een meerwaarde. “Bovendien hebben wij als hbo-lerarenopleiding een steviger contact met het voortgezet onderwijs dan veel universiteiten. Ik denk dat wij die educatieve minor, vanuit de bestaande kopopleiding, heel goed vorm kunnen geven in het hbo.”