- blad nr 13
- 3-9-2011
- auteur L. Douma
- Redactioneel
Beroepsopleidingen sluiten niet aan op arbeidsmarkt
De econoom en de acrobaat
Vroeger had je bedrijfseconomie. Nu zijn er opleidingen als international business and languages, international business and management studies en small business management. Knappe jongen die de verschillen tussen al die studies uit kan leggen. Er is een wildgroei aan beroepsopleidingen. Voor hbo’ers is de schade te overzien, voor mbo’ers niet.
Neem een studie als journalistiek. Voor de vier hbo-opleidingen journalistiek - in Utrecht, Zwolle, Tilburg en Ede - geldt al jaren een numerus fixus. Studenten moeten loten of een bekwaamheidstoets afleggen. Maar van mbo tot universiteit komen er steeds meer opleidingen journalistiek. Ze noemen zich alleen net wat anders, en onttrekken zich op die manier aan de numerus fixus. Sinds vorig jaar biedt Saxion Hogescholen in Enschede bijvoorbeeld de opleiding media, informatie en communicatie aan. Volgens de website van de opleiding leren studenten er schrijven, presenteren, vormgeven en camerawerk.
Tien jaar geleden waren er drie universitaire kopstudies journalistiek in Nederland. Nu zijn dat er negen. Daarnaast bieden LOI, NTI en NHA thuisstudies aan. Voor vijftig euro per maand kan bij de LOI een eenjarige opleiding journalistiek en nieuwe media gevolgd worden.
En dat terwijl er dus al een tekort aan journalistieke banen was. Die numerus fixus is niet voor niets in het leven geroepen. “Er is een wildgroei aan beroepsopleidingen”, meent Rik Mooijweer, secretaris hoger onderwijs bij werkgeversorganisatie VNO-NCW. “Groei op zich is niet verkeerd, ook vanuit de arbeidsmarkt is er vraag naar nieuwe opleidingen. Wat is ontstaan is een onstuimige groei van minder relevante opleidingen.” En daarmee bedoelt hij opleidingen waarmee geen werk te vinden is.
Publiekstrekker
Volgens de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) zijn er in Nederland 2969 hbo-opleidingen geaccrediteerd. Zo’n 35 procent daarvan heeft dertig of minder studenten. Nieuwe opleidingen schieten als paddenstoelen uit de grond. Met hippe namen hopen instellingen dé nieuwe publiekstrekker gevonden te hebben. In het mbo is dat nog erger. Uit cijfers van de Onderwijsinspectie valt op te maken dat er in 2008 maar liefst 10.493 mbo-opleidingen met ten minste één ingeschreven deelnemer geregistreerd waren. Aangezien een half miljoen scholieren kiest voor een mbo-opleiding, leert een simpele rekensom dat er gemiddeld nog geen vijftig studenten per opleiding zijn. “Instellingen denken zich te kunnen profileren door een aparte niche in het leven te roepen: een opleiding tot rockartiest, gameontwikkelaar of podiumprogrammeur”, vertelt Rolf van der Velden, hoogleraar bij het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) van de Universiteit Maastricht. “Maar wanneer zo’n opleiding een paar jaar bestaat en handenvol geld kost, trekken instellingen de handen er ook snel weer vanaf.”
Bij het opleidingenaanbod gaan instellingen niet af op waar de arbeidsmarkt om vraagt, maar op de interesse van deelnemers. “Een belangrijke oorzaak daarvan is de financiering van hogescholen”, weet Mooijweer van VNO-NCW. “Nog steeds is de financiering te sterk gericht op studentenaantallen, niet op kwaliteit of arbeidsmarktrelevantie.” Vandaar dat staatssecretaris van Onderwijs Halbe Zijlstra het financieringsmodel zo wil aanpassen dat kwaliteit ook mee gaat tellen. Verder wil hij in navolging van de commissie-Veerman, die het hoger onderwijs onderzocht, dat het aantal hbo-opleidingen afneemt en de bachelor breder wordt. Ook moeten studenten betere voorlichting krijgen over de inhoud en het toekomstperspectief dat opleidingen bieden. Voor het mbo zijn er ook dergelijke plannen. Het aantal opleidingen en kwalificaties moet worden verminderd.
Komen er dan allemaal jongeren de arbeidsmarkt op die geen baan vinden? Nee, zegt Van der Velden van het ROA. “Hoogopgeleiden komen over het algemeen wel goed terecht, ook als ze een opleiding hebben gevolgd die niet zo perspectiefrijk is.” Anderhalf jaar na het afstuderen werkt 82 procent van de hbo’ers in een aan hun studie verwante sector. Maar voor ‘minder perspectiefrijke’ studies ligt dat percentage tussen de 43 procent (vrijetijdsmanagement) en 65 procent (communicatie). Bij deze studies ligt de werkloosheid iets boven het hbo-gemiddelde van 4,2 procent, met als uitschieter media en entertainmentmanagement (11,2 procent). Het bruto maandsalaris blijft tot 300 euro achter bij het gemiddelde van 2153 euro. “Bij deze hbo’ers komt de carrière meestal later op gang, maar na een paar jaar hebben ze wel een baan op niveau.”
Bij de mbo’ers is dat anders. Van der Velden: “Je ziet dat in het mbo de economische studies enorm populair zijn. Die hebben hun status ontleend aan de goede banen die te krijgen zijn als je economie op het hbo hebt gedaan. Maar met mbo-economie op zak kom je te werken op een secretariaat of administratieve afdeling: banen die in aantal alleen maar afnemen. Terwijl je als je mbo-techniek had gedaan echt een goede baan had kunnen krijgen. In het mbo wordt verkeerd gekozen. En een mbo’er die verkeerd kiest komt in de ongeschoolde arbeid terecht, van waaruit geen carrièremogelijkheden zijn.”
Lege termen
Toch is het momenteel niet zo dat een hbo’er die iets economisch heeft gedaan, wel per se die goede baan in de economie krijgt. Volgens Mooijweer van VNO-NCW zijn er zelfs te veel economische opleidingen. En de inhoud van die opleidingen is voor werkgevers vaak ondoorzichtig. ‘In economische studies is een wildgroei ontstaan’, zegt Jan van der Valk, opleidingsdirecteur bij Hogeschool Van Hall Larenstein in Leeuwarden, in Recourse, het tijdschrift van Wageningen Universiteit. ‘Vroeger was er bedrijfseconomie; nu zijn er opleidingen als international business and languages, international business and management studies en management, economie en recht. De verschillen tussen veel van die opleidingen zijn doorgaans onduidelijk.’
Dit probleem heeft in het hbo weerklank gevonden. “Wij kregen klachten over de herkenbaarheid van onze bachelors”, vertelt Ad van Bemmel, secretaris economie van de Hbo-raad. “En dus hebben wij besloten om vanaf volgend jaar voor circa vijftien economische opleidingen tot één internationaal herkende bachelorgraad te komen: de bachelor of business administration. Deze titel moet titels als bachelor of commerce of economics vervangen. Die titels zijn niet goed herkenbaar. De weg naar een bachelor of business administration zal per opleiding wel verschillen. De bedoeling is dat op het officiële diplomasupplement, dat een afgestudeerde bij zijn graad ontvangt, behalve diens eigen naam, ook de naam van de hogeschool, de naam van de specifieke economieopleiding – bijvoorbeeld bedrijfseconomie – de gevolgde minors, stages en dergelijke worden vermeld: een soort van gewaarmerkte portfoliobeschrijving dus.”
Voor Sjef van Hoof, onderwijsassistent bij de Universiteit Utrecht en voorheen als docent werkzaam op verschillende hbo-instellingen, mogen al die “lege”, Engelstalige termen in opleidingsnamen geschrapt worden. “Noem het gewoon economie. Van de circusopleiding is tenminste duidelijk waartoe die opleidt. Bij managementopleidingen is dat heel anders. Volgens mij kun je als student naast je studie beter leiding geven over de groenteafdeling van Albert Heijn en je daarnaast richten op inhoudelijke competenties, dan een vage managementopleiding volgen. Een opleiding als vrijetijdsmanagement bijvoorbeeld valt onder het profiel economie. Studenten denken een leuke, vrij makkelijke opleiding te kiezen. Maar lopen vervolgens op tegen boekhoudkunde; ze hadden geen idee dat ze dat ook zouden krijgen. Mijn mening is dat je beter gewoon al die studenten een economieopleiding kunt aanbieden, met een vrijetijdscomponent, dan vinden ze vervolgens ook makkelijker een baan – in de vrijetijdsindustrie of daarbuiten.”
Versimpelen
“Werkgevers moeten als ze iemand aannemen bepalen of diegene geschikt is voor een bepaalde functie. Ze gaan bij die afweging voornamelijk af op de opleiding. Dat is het anker waaraan de werkgever zich vasthoudt. Vandaar dat hij baat heeft bij duidelijkere profielen”, zegt ook Van der Velden van het ROA. Door het aantal opleidingen terug te dringen en namen te versimpelen, wordt het voor de werkgever al duidelijker waarvoor een studie staat. Daarmee is echter de slechte aansluiting op de arbeidsmarkt nog niet opgelost. Nog steeds kiezen te veel jongeren voor een beroepsopleiding waarin te weinig werk te vinden is. Neem het mbo. Uit recent onderzoek van technisch opleidingsinstituut ROVC blijkt dat ruim 88 procent van de technische bedrijven een tekort heeft aan geschoolde technici. Tegelijkertijd is in vijf jaar tijd het aantal leerlingen techniek op roc’s met een kwart gedaald, stelt een rapport van de Stichting Platforms vmbo. ‘Je ziet bijvoorbeeld dat veel mbo-leerlingen kiezen voor opleidingen als sport, beweging en recreatie. Maar daar is amper vraag naar’, zegt Ton Wilthagen, arbeidsmarktdeskundige aan de Universiteit van Tilburg, in de Volkskrant.
Dit probleem tackelen is ingewikkelder. In het hbo is geen enorme verschuiving nodig, zegt Van der Velden. “Als daar 5 tot 10 procent een andere studiekeuze zou maken, ziet de arbeidsmarkt er al heel anders uit.” In het mbo zouden echter grotere groepen niet voor sport, recreatie en toerisme, economie of paardenhouderij moeten kiezen. Moet er een numerus fixus komen voor deze mbo-opleidingen? Van der Velden: “In de jaren zestig dacht men te kunnen plannen hoeveel leraren, ingenieurs en doktersassistenten er nodig zouden zijn. Daar is men wel van teruggekomen. Nu is het van belang dat scholen duidelijk en eerlijk zijn over arbeidsmarktperspectieven. We merken in onderzoek dat afgestudeerden heel kritisch zijn op dit punt. Zij vinden dat zij niet altijd even goed zijn voorgelicht. Dat leidt ertoe dat ze achteraf spijt van hun keuze hebben.”
Bovendien is er bijvoorbeeld op de eerder genoemde hbo-opleidingen journalistiek een numerus fixus die wildgroei niet tegengaat. “Een numerus fixus is een optie voor wildgroei aan studentenaantallen binnen een opleiding, maar het is de vraag of dit een algemeen toepasbare en sluitende oplossing is voor het brede hbo”, zegt ook Mooijweer van VNO-NCW. “Met een numerus fixus loop je het risico op een varkenscyclus zoals we die bij geneeskunde kennen. Jarenlang ging men er vanuit dat er een x aantal doktoren nodig zou zijn, en nu is er een tekort aan artsen. Dat is paradoxaal.” Dan maar vertrouwen op het inschattingsvermogen van tieners.