• blad nr 12
  • 25-6-2011
  • auteur A. Vink 
  • Redactioneel

 

Grondige aanpak van taalachterstand in Zuid-Limburg

In Zuid-Limburg is een begin gemaakt met het volgen van alle leerlingen van twee tot zestien jaar. Uit deze monitor die is opgezet voor de vve-pilot ‘Moelejaan’ blijkt dat er meer leerlingen uit een achterstandsmilieu zijn dan volgens de gewichtenregeling. Daarnaast is de scheiding tussen arme en rijke leerlingen in Zuid-Limburg net zo groot als in Rotterdam. Maar er is hoop: sommige scholen leveren de kansarme leerlingen beter af dan andere.

In Brunssum lijkt het even of de wereld ophoudt. De straten met de huizen van de voormalige kompels ogen verlaten. Een op de tien huizen staat leeg. De borden ‘Te koop’ zijn al lang weer weggehaald want de huizen verkopen niet. De blinden voor de ramen hangen scheef en het gras schiet tussen de tegels omhoog. Een paar straten verderop een ander gevolg van de leegloop van Zuid-Limburg: een verlaten schoolgebouw. Het Zuid-Limburgse onderwijs kampt met krimp door vergrijzing van de bevolking en het wegtrekken van hoogopgeleiden naar banen elders in Nederland. En daardoor heeft Zuid-Limburg, samen met andere regio’s langs de grens van Nederland zoals Oost- Groningen, Zuidoost-Drenthe en Zeeuws-Vlaanderen, een oververtegenwoordiging van autochtone achterstandsleerlingen. Deze groep leerlingen, zo bleek al in 2003 uit het onderzoek ‘Autochtone achterstandsleerlingen, een vergeten groep’ van het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP), is ondergesneeuwd in het onderwijsbeleid van de afgelopen dertig jaar. En met de leerprestaties van deze vergeten groep gaat het ook niet best.

Dubbel betalen
In 2008 kwam Sharon Dijksma, de toenmalige staatssecretaris van Onderwijs met kinderopvang en basisonderwijs in haar portefeuille, met 4,5 miljoen naar Zuid-Limburg om de taalachterstand van Limburgse peuters in een vroeg stadium aan te pakken. Dat was het begin van de pilot voor voor- en vroegschoolse educatie (vve) Moelejaan, Limburgs voor praatjesmaker. Zestig peuterspeelzalen in de kleine gemeenten in de regio Zuid-Limburg doen eraan mee. Er kwamen 56 nieuwe vve-groepen bij (een speelzaal kan meerdere groepen hebben) en bijna honderd nieuwe peuterspeelzaalleidsters werden aangenomen. Alle peuterspeelzaalleidsters, de oude en de nieuwe, kregen een uitgebreide training in de vve-methodes ‘Puk en Ko’ of ‘Speelplezier’. Daarnaast leerden ze omgaan met de Cito-toetsen waarin de ontwikkeling van de kinderen wordt gevolgd. De toetsen worden ook weer gebruikt voor de overdracht naar het basisonderwijs.
De peuterspeelzalen verschillen onderling zeer. In Kerkrade zijn bijvoorbeeld meerdere zalen waar veel kinderen met een taalachterstand naar toe komen. In kleinere gemeenten zoals de dorpskern Amstenrade in de gemeente Schinnen zitten de doelgroepkinderen tussen de kinderen zonder taalachterstand. De leidsters zijn dan ook getraind om deze kinderen te herkennen. Bijkomend probleem is dat veel kinderen met een taalachterstand nu nog niet naar de voorschool komen en er pas in groep 1 van de basisschool iets aan die taalachterstand wordt gedaan. Met de consultatiebureaus zijn daarom afspraken gemaakt: zij moeten meer kinderen gaan doorverwijzen naar de peuterspeelzaal.
Voor Moelejaan werd een stuurgroep opgezet met daarin de onderwijswethouders van Valkenburg, Kerkrade en Beek. Zij vertegenwoordigen de zestien deelnemende gemeenten. Daarnaast namen de provincie Limburg, een vertegenwoordiger van de drie grote gemeenten Maastricht, Heerlen en Sittard-Geleen en de Universiteit Maastricht zitting in de stuurgroep. Onderwijswethouder Thijs van Es van de gemeente Beek is lid van de stuurgroep en is zeer doordrongen van het belang van het project, omdat hij naast zijn werk als wethouder nog steeds een ochtend lesgeeft aan een mbo-opleiding. “Ik zie wat de gevolgen zijn van die nooit ingehaalde leerachterstand. Die achterstand sjouwen de jongeren al veertien jaar met zich mee. De keus is helder: je betaalt of aan de voorkant of je betaalt dubbel aan de achterkant in de vorm van voortijdig schoolverlaten en dreigende werkloosheid”.
In de stuurgroep zit ook een afgevaardigde van de Universiteit Maastricht omdat een klein deel van het geld is ingezet om het effect van de pilot te meten. Dat doet een onderzoeksinstituut bij de School of Business and Economics: Kaans (inderdaad, Limburgs voor kans). De provincie Limburg betaalt mee aan dit onderzoek net als de universiteit. Behalve de evaluatie van Moelejaan krijgt ook de uitstroom van de basisscholen veel aandacht. En in een later stadium heeft het voortgezet onderwijs in Limburg ook budget ingezet om onderzoek te doen onder alle 15-jarige scholieren. Daardoor ontstaat de mogelijkheid om een helder beeld van de staat van het Zuid-Limburgse onderwijs te geven en een monitor van 2-16 jaar op te zetten.

Lager schooladvies
Het onderzoek wordt onder leiding van onderwijssocioloog Paul Jungbluth uitgevoerd. Jungbluth is geen onbekende in het onderzoek naar onderwijsachterstanden. Hij was meer dan dertig jaar onderzoeker bij het ITS van de Radboud Universiteit met als specialiteit onderwijsachterstanden: eerst die van meisjes, daarna de allochtone leerlingen en de laatste jaren de autochtone achterstandsleerlingen. Jungbluth heeft ook korte tijd voor GroenLinks in de Tweede Kamer gezeten.
Bij de start van de vve-pilot Moelejaan was een zogenoemde nulmeting nodig: hoe staan de Zuid-Limburgse leerlingen er voor? De nulmeting is nodig om later te kunnen vaststellen of er effect optreedt bij de kinderen die naar de voorschool gaan. Daarvoor hebben de onderzoekers metingen gedaan bij leerlingen in groep 1, 2 en 3. Bijna alle basisscholen in Zuid-Limburg deden mee. Voorwaarde was dat de resultaten van de individuele school niet herkenbaar waren voor de buitenwereld maar wel voor de school zelf, zodat de scholen ook iets met de resultaten konden doen. Daarna kreeg dit onderzoek een vervolg naar de uitstroom van het basisonderwijs op basis van de Cito-scores.
Jungbluth deed uitgebreid onderzoek naar de sociaal-economische status (ses) van de leerlingen. Die koppelde hij aan thema’s als aanwezigheid van sociaal en cultureel kapitaal, werkloosheid, grootte van het gezin, zelfbeeld, vertrouwen in de toekomst en gezondheid. Daarnaast is er gekeken naar de concentratie van de kinderen uit dezelfde sociale groep en de afstand tot de cultuur en leefwereld van kansrijken.
Uit het onderzoek komt duidelijk naar voren dat de sociale tweedeling in Zuid-Limburg groot is. Jungbluth: “Kansrijke leerlingen komen nauwelijks in aanraking met de kansarme leerlingen in het basisonderwijs, want de segregatie in Zuid-Limburg is vergelijkbaar met de tweedeling in Rotterdam. Een derde van de basisscholen in Zuid-Limburg heeft een opmerkelijk zwakke sociale samenstelling. Daartegenover heeft een derde een hoge concentratie van kansrijke leerlingen.”
In eerder onderzoek werden achterstandsleerlingen altijd als een groep gezien, maar Jungbluth ontdekte dat het wel degelijk uitmaakt in welke regio een kind woont. “In regio’s met veel armoede hebben kinderen met een leerlinggewicht een nog lagere ses-score (sociaal-economische status). Vooral in de impulsgebieden (postcodegebieden op basis van de armoedemonitor) is het negatieve effect het grootst”, aldus Jungbluth. Daarnaast zijn er volgens het onderzoek meer achterstandsleerlingen dan nu in de boeken van het ministerie van Onderwijs staan. Slechts de helft van de door Jungbluth gemeten achterstandsleerlingen komt in aanmerking voor een extra gewicht. Op veel basisscholen wordt de drempel niet bereikt om als school in aanmerking te komen voor extra geld voor deze leerlingen. “Daarmee is deze groep leerlingen niet zichtbaar en dat vermindert het bewustzijn van hun problemen”, aldus Jungbluth.
Opmerkelijk is ook dat een leerling uit een achterstandsmilieu bij dezelfde Cito-score in groep 8 een lager schooladvies blijkt te krijgen dan een leerling uit een kansrijk milieu. In het onderzoek in het Limburgse voortgezet onderwijs vallen vooral de prestatieverschillen tussen de scholen op. Het onderzoek in zowel basis- als voorgezet onderwijs steunt het vermoeden dat vooral de lage verwachtingen van de ouders en de leerkrachten deze groep leerlingen de das om doen. Tegelijkertijd is daar volgens Jungbluth ook weer hoop: “Er is nog veel potentie onder de groep achterstandsleerlingen waardoor ze wel degelijk beter kunnen presteren als leerkrachten en ouders daar maar oog voor hebben ”.

Betuttelen
Sinds eind 2010 is de pilot Moelejaan voorbij. De vve staat wel stevig, maar het vervolg is van een andere orde. Het geld moet nu van de gemeenten en de schoolbesturen komen. Het gevaar bestaat dat de extra impuls voor een regiodekkende pilot weer wegvalt als ales regionaal wordt geregeld. Yvon Prince is voorzitter van het bestuur van Kindante, een kersvers schoolbestuur ontstaan uit een fusie van vijftig basisscholen in de Westelijke Mijnstreek. Prince is doordrongen van het belang van Moelejaan: ”De kwaliteitsimpuls en de professionalisering in de vve drukken het basisonderwijs met de neus op de feiten, namelijk dat we meer aandacht moeten besteden aan de vve. Wat daar gebeurt moet niet in de latere jaren van de basisschool verloren gaan.” Daarnaast vindt Prince dat het onderwijs in Zuid-Limburg meer opbrengstgericht moet gaan werken. “We hebben meerjarengetallen nodig om een strategische en duurzame lijn te bepalen. En dat lukt niet met een jaartje onderzoek.”
Ron Bonekamp is lid van het college van bestuur van het Limburgs Voortgezet Onderwijs (LVO) met zeventien scholen in Zuid-Limburg. Daarnaast is hij lid van de raad van toezicht van een peuterspeelzaal. Bonekamp heeft samen met de andere besturen van voortgezet onderwijs het onderzoek gestimuleerd van Kaans. Voor hem is daardoor duidelijk geworden dat de kijk op de groep kansarme jongeren moet veranderen. “De allerzwaksten betuttelen we teveel. We proberen alles zo goed mogelijk voor ze te regelen en denken voor ze. Tegelijkertijd geven we ze daarmee geen kans. We brengen ze letterlijk naar het einde van de schooldag. We zullen daarom veel meer op hun prestaties moeten gaan letten. En dat is een veranderingsproces. We moeten kijken naar wat deze jongeren kunnen en niet naar wat ze niet kunnen.”

{noot}
De resultaten van Moelejaan zijn 22 juni gepresenteerd tijdens een congres van de Universiteit Maastricht. Meer informatie op www.kaans.nl

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.