• blad nr 10
  • 28-5-2011
  • auteur R. Sikkes 
  • Redactioneel

 

De lat kan hoger

Het ministerie bombardeert het onderwijs de afgelopen maanden met plannen. Het hele onderwijs gaat op de schop, van basisschool tot aan universiteit. Het moet allemaal anders en beter. De lat hoger, weg met de zesjescultuur. Het onderwijspersoneel vindt ook dat het beter kan, maar vindt wel dat minister Marja van Bijsterveldt te veel tegelijk wil en soms verkeerde keuzes maakt. In de panelenquête geven AOb-leden haar daarom het rapportcijfer 4, het laagste dat een minister ooit haalde.

Het hele onderwijs gaat op de schop. Nieuwe samenwerkingsverbanden voor passend onderwijs, schrappen van rugzakjes. Voor het basisonderwijs komt er een verplichte eindtoets, meer aandacht voor taal en rekenen. In het voortgezet onderwijs wordt het aantal profielen verminderd, de examens aangescherpt. Het mbo ziet de vierjarige opleidingen omgebouwd tot drie jaar en er komen centrale examens. Het hbo krijgt te maken met intensiever onderwijs aan het begin en een langstudeerdersboete aan het einde.
De inkt van het ene actieplan is nog niet droog of het volgende wordt alweer aangekondigd. Binnenkort verschijnt het Actieplan beter presteren voor het voortgezet onderwijs, in december aangekondigd door de minister. Er zit ook een nieuwe ideologische boodschap onder alle plannen. De lat moet hoger. Scholen, leraren, leerlingen moeten excelleren. Weg met de zesjescultuur en op naar het opbrengstgericht werken.

Het laagste cijfer
Het Onderwijsblad vroeg in een uitvoerige panelenquête de AOb-leden hoe zij daar tegenaan kijken. Op zich valt het basisidee goed. Bij het onderwijspersoneel vinden ongeveer acht van de tien mensen dat het beter kan. Alleen zijn ze niet erg tevreden met de maatregelen die daarbij horen. En wat hen helemaal stoort is de beleidshaast die het ministerie aan de dag legt.
Onder druk van de financiële kant van alle maatregelen - voor een groot deel hangen de plannen samen met bezuinigingen - heeft de minister grote haast om alle maatregelen in te voeren. Ze is daar al een paar keer voor op de vingers getikt. Zo vond de Raad van State dat zij zittende studenten ten onrechte al confronteerde met de langstudeerdersboete. De Onderwijsraad noemt de invoeringstermijn van de plannen voor het mbo kort. Het uitstel voor passend onderwijs kwam er toen duidelijk werd dat de planning van nieuwe samenwerkingsverbanden onhaalbaar was.
Het AOb-panel deelt die mening. Meer dan driekwart vindt dat het ministerie te veel tegelijk wil. Samen met de bezuinigingsopdracht die aan de plannen hangt, zal dat voor het lage rapportcijfer van Marja van Bijsterveldt zorgen: een 4. Het laagste cijfer dat een minister ooit kreeg van het panel.

Lessen vergeten
De beleidshaast is vooral verbazingwekkend voor wie terugblikt op het rapport van de commissie-Dijsselbloem. Daarin werd duidelijk gemaakt dat vernieuwingsplannen in het voortgezet onderwijs mislukten vanwege de scoringsdrift van ministers.
De CDA’er Jan Jacob van Dijk vond dat de belangrijkste les uit het rapport Tijd voor onderwijs, zei hij in het debat in 2008. ‘Er is onzorgvuldig overgegaan tot grote, majeure onderwijsvernieuwingen en men heeft onvoldoende tijd en financiële ruimte geboden om die onderwijsvernieuwingen verantwoord in te voeren.’
De VVD ging nog een stapje verder en prees het rapport de hemel in. ‘Het rapport van de commissie-Dijsselbloem mag niet en nooit achter de rododendrons verdwijnen’, zei het liberale Kamerlid Ineke Dezentjé Hamming-Bluemink. Wat de VVD’ster betreft moest er een nieuwe wind gaan waaien, die zij ‘de kunst van het loslaten’ noemde. ‘Daarmee doel ik op een nieuwe verdeling van verantwoordelijkheden, waarbij de overheid het vertrouwen teruggeeft aan de scholen, waarbij leraren hun vak terugkrijgen, schoolleiders de dialoog aangaan met een schoolteam en docenten de boeken kunnen kiezen waaruit zij les geven.’
Maar CDA en VVD lijken de lessen van het rapport-Dijsselbloem helemaal vergeten te zijn. Niet alleen is er opnieuw haastige invoering, ook grijpen veel maatregelen in op het ‘hoe’ van het onderwijs, terwijl de Kamerbrede commissie zei dat de overheid zich moest beperken tot het ‘wat’.

Draagvlak
Het Onderwijsblad vroeg daarom hoe het onderwijspersoneel aankijkt tegen hoofdlijnen en details van alle plannen. Over twee weken worden de resultaten gepubliceerd van de specifieke maatregelen, nu spreekt het panel zich uit over de ideologie van de nieuwe prestatiegerichte koers.
Op zich geven de AOb-leden de verschillende onderwijssectoren gemiddeld een voldoende. Over het basisonderwijs is het panel het meest positief, over het mbo het meest negatief. Maar eensgezind zijn alle deelnemers aan de enquête dat het onderwijs in hun eigen sector beter kan. Voor het basisonderwijs vindt 69 procent dat, in het voortgezet onderwijs 82 procent. Van de werknemers in de bve vindt 86 procent dat het beter kan, in het hbo zelfs 91 procent.
Dat verklaart dan ook dat een meerderheid positief reageert op actieplannen om het niveau in hun sector te verbeteren. Het idee dat er een zesjescultuur heerst, wordt echter afgewezen door een grote groep van 45 procent. Integendeel, zou je bijna zeggen, als acht van de tien vinden dat ze ‘alles uit een kind willen halen wat er in zit’. Tweederde vindt ook dat ze nu al hoge eisen stellen aan leerlingen. Vier van de tien vinden dat er op school al een ambitieus klimaat heerst. Toch kan er nog een schepje bovenop: 42 procent vindt dat er op de eigen school hard gewerkt moet worden aan een opbrengstgerichte cultuur.
Voor de nieuwe koers van het ministerie lijkt daarom draagvlak te bestaan, al is dat niet op alle punten. Prestatiebeloning wordt resoluut afgewezen (zie de volgende pagina’s). De deelnemers zien ook een keerzijde: het vragen van hogere prestaties betekent ook een hogere uitval, zo vreest 45 procent.
Wat de deelnemers duidelijk missen is aandacht voor de klassengrootte. De stelling ‘voor beter onderwijs moet mijn klas kleiner’ krijgt de steun van 79 procent. Over de effecten van ict op de leerlingprestaties bestaat een gemengd beeld. Een derde denkt dat dat helpt, een vijfde verwacht er niets van, de anderen zijn neutraal. Ook het sneller sluiten van zeer zwakke scholen, zoals dat door het ministerie wordt gepropageerd, valt bij een meerderheid slecht.

[grafic]
Het onderwijs in mijn sector kan beter

Basisonderwijs 69%
Voortgezet onderwijs 82%
Mbo 86%
Hbo 91%

[kader]
Resultaten op een rij

Op een aantal stellingen was het mogelijk om te antwoorden met oneens, neutraal of eens. In dit overzicht de opvallendste uitkomsten.

Voornamelijk eens:
Ik wil alles eruit halen wat er in een kind zit 83%
Voor beter onderwijs moet mijn klas kleiner 79%
Het ministerie wil te veel tegelijk 78%
Ik stel hoge eisen aan leerlingen 67%
Beter onderwijs krijg je met beter opgeleide leraren 54%
Het werd hoog tijd voor een actieplan beter presteren 43%
Op mijn school heerst een ambitieus klimaat 41%

Voornamelijk oneens:
Prestatiebeloning kan mij stimuleren om het beter te doen 68%
Zwakke leerlingen hebben meer aandacht nodig dan slimme 52%
Van een dubbeltje kun je geen kwartje maken 47%
Er heerst een zesjescultuur op onze school 45%
[kader plus grafics]

Rapportcijfers bewindslieden

Weg met de zesjescultuur, zegt het kabinet, maar het onderwijsbeleid komt volgens het onderwijspersoneel niet eens boven de 5 uit. Minister Marja van Bijsterveldt krijgt van het AOb-panel een 4, het laagste cijfer dat een minister ooit heeft gekregen.

Minister Marja van Bijsterveldt 4
Staatssecretaris Halbe Zijlstra 4,2
Premier Mark Rutte 5,1
Onderwijsbeleid CDA-VVD 3,7
Kabinetsbeleid CDA-VVD 4

Rapportcijfers onderwijsministers in het verleden

Jo Ritzen 5,2
Loek Hermans 5,1
Maria van der Hoeven 4,7 (2002)
Maria van der Hoeven 4,4 (2006)
Ronald Plasterk 4,8


[streamer onderaan]

@C1:In het volgende Onderwijsblad: de specifieke maatregelen uit de verschillende actieplannen per sector.

[kader]

Deelnemers enquête

De panelenquête werd uitgevoerd onder werkende en studerende AOb-leden. Bijna 5000 begonnen aan de enquête, bijna 3900 vulden de complete vragenlijst in. De uitvoering was in handen van Nico van Kessel van het ITS van de Radboud Universiteit Nijmegen. Van de deelnemers kwam 46 procent uit het po, 35 procent uit het vo, 13 procent uit de bve en 6 procent uit het hbo. Kijkend naar de functies ging het in hoofdzaak om leraren (80 procent), gevolgd door oop (10 procent), management (6 procent) en studenten (4 procent). De sekseverdeling: 63 procent vrouw, 37 procent man. De leeftijdsverdeling: onder 25 (6 procent), 25-34 (21 procent), 35-44 (18 procent), 45-54 (31 procent), 55-65 (24 procent). Daarmee vormen de deelnemers een goede afspiegeling van het ledenbestand van de AOb. Een klein deel van de gegevens (die over prestatiebeloning) werd eerder ter beschikking gesteld aan Uitgesproken VARA en onderzoeker Kilian Wawoe.

Dit bericht delen:

© 2021 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.