- blad nr 9
- 14-5-2011
- auteur . Overige
- Redactioneel
Kleedgedrag van docenten
De verpakking moet niet tegen je werken
Tekst Andrea Holwerda
Wat stralen we als lerarenteam eigenlijk uit, vroeg directeur Lizzy Heistek van basisschool de Eendragt in Wormer zich een tijd geleden af. Ze was aan het nadenken over de devaluatie van het leraarschap en dat zorgde voor een
kritische blik op het kleedgedrag van haar team. “Je bent het visitekaartje van de school, naar de leerlingen toe maar ook naar de ouders. Je moet er representatief uitzien. Maar hoe ziet dat er dan uit? Ik vond het tijd daar eens over te praten.”
Heistek besloot daarom een kledingworkshop te regelen voor haar team. “We hebben toen met z’n allen gepraat over hoe je je presenteert, over wat je met bepaalde kleding zegt, over de voorbeeldfunctie die je als leerkracht hebt”, schetst de directeur. “Ik ga niet in een code vastleggen dat een vale spijkerbroek niet kan. Ik wil dat iedereen bij zichzelf nagaat of die broek past bij wat hij wil uitstralen voor de klas.”
De ene leerkracht deed actiever mee aan de discussie dan de ander. “Maar bij de meesten van ons zorgde het ervoor dat we weer even goed gingen nadenken over wat we aantrekken”, stelt Anita Schoen, leerkracht van groep 1/2 van de Eendragt.
Uit een rondgang langs verschillende scholen – van het basisonderwijs tot aan het hbo – blijkt dat er goed wordt gelet op het kleedgedrag van docenten. De kleding moet netjes en verzorgd zijn, zeggen directeuren en leraren stellig. Maar over hoe dat er dan in de praktijk uitziet, ligt weinig vast.
Scholen mogen zelf bepalen of ze een kledingcode voor leerlingen of docenten opstellen. Ter ondersteuning is daar in 2003 door toenmalig Onderwijsminister Maria van der Hoeven een kledingleidraad voor opgesteld. Eventuele regels moeten
ondubbelzinnig zijn, voor iedereen gelden en bij iedereen bekend zijn. Ongelijke behandeling is de grens.
Maar in de praktijk zijn die codes er nauwelijks voor docenten. “We hebben wel eens gesproken over wat we van bepaalde kleding vinden”, vertelt Liseth Kuijs, adviseur
HRM binnen het Koning Willem I College in Den Bosch. “Maar het is moeilijk daar wat over vast te leggen. Waar trek je de grens en hoe ga je het controleren? Het is ook heel privé.”
Enkele schoolbesturen zoals de Katholieke Scholenstichting Utrecht en de Vereniging voor protestants-christelijk onderwijs de Oorsprong, hebben in een code wel een aantal algemene punten geformuleerd. Zo behoren leraren ‘bij de
schoolomgeving passende’ kleding te dragen, hun voorbeeldfunctie moet ‘herkenbaar zijn in hun kleding, make-up en andere lichaamsversieringen’ en medewerkers moeten zich realiseren dat kleding ‘ook hun autoriteit dient te
ondersteunen’. Maar vervolgens is het aan de scholen van het bestuur zelf om die punten in te vullen.
Ongeschreven regels
Het enige wat echt vast blijkt te liggen is of docenten wel of niet een hoofddoek mogen dragen. Voor de rest wordt wat wel en niet kan voor de klas bepaald door ongeschreven regels. En dat gaat volgens de betrokkenen gewoon goed. Het
spreekt voor zich dat korte rokjes, diep uitgesneden shirtjes, witte sokken in sandalen en tongpiercings niet kunnen, stellen ze keer op keer.
Maar of een verwassen shirt of oud pak nou wel of niet kan? Daar is toch niet iedereen het over eens. Een waar struikelblok blijkt de korte broek te zijn. Er is een groep die vindt dat in korte broek voor de klas staan echt niet kan, dat je niet op de camping bent maar op je werk. Ook is er een groep die vindt dat capri–, halflange broeken een mooie compromis zijn. En er is een groep die het geen probleem vindt
als docenten een korte broek dragen als het buiten echt heel erg warm is of als de docent bijvoorbeeld meegaat op excursie.
Dat de discussie over de korte broek hoog op kan lopen blijkt uit het feit dat de Commissie Gelijke Behandeling er zelfs twee keer een uitspraak over heeft gedaan. De commissie oordeelde dat twee scholen een mannelijke docent niet hadden
mogen verbieden een korte broek te dragen terwijl vrouwelijke collega’s dit wel mochten. Het onderscheid is niet noodzakelijk of functioneel, stelde de commissie
en dus werden er onterecht hogere eisen gesteld aan mannelijke collega’s.
Maar vaak komt het niet zo ver. “Wij vinden het een kwestie van gezond verstand”, stelt Alice van der Mark, coördinator sociale veiligheid en integriteit van het Roc Mondriaan in Den Haag. “Het is wel eens voorgekomen dat een leerkracht zei: Waar staat in mijn arbeidsovereenkomst dat ik niet in een korte broek mag lopen? Mijn vraag is dan: Waar staat beschreven dat dat wel mag? Uiteindelijk komt het na een goed gesprek dan wel goed.”
Ouwe zeur
Een goed gesprek. Dat schijnt op veel scholen hét middel te zijn als er discussie ontstaat over wat iemand aan heeft. Daar wordt in teamverband dan gewoon even over van gedachten gewisseld, zeggen onder andere Els van Riel van het Roc van Twente en Steffy Praamstra van de Hanzehogeschool Groningen.
Smaken verschillen, iedereen heeft een eigen stijl: de een is wat formeler dan de ander, jong kleedt zich anders dan oud, maar op het moment dat iemands kleding meer aandacht trekt dan de lesstof, is het tijd om er eens over te praten. “Ik zat een keer bij een biologiedocent in de klas. Een knappe jongeman met stoppeltjesbaard. Hij had een net overhemd aan, maar dat hemd stond iets te ver open. Zijn borsthaar kwam er bovenuit. Hij was helemaal gefocust op zijn les, maar de klas - 4-havo met heel veel meiden – was totaal afgeleid”, vertelt
docentenbegeleider Jan Ausum van het Meridiaan College in Amersfoort.
Toch zijn oudere docenten vaak wat huiverig om wat over kleding tegen jongere docenten te zeggen, stelt rector Jan van de Rijdt van het Varendonck College in Asten. “Ze zijn bang om voor ouwe zeur te worden uitgemaakt.” Tegelijkertijd schijnen jonge leerkrachten het ook lastig te vinden om wat tegen oudere docenten te zeggen over bijvoorbeeld een afgedragen jasje. “Maar ik had het juist wel prettig gevonden als ik als beginnend docent wat tips had gekregen”, stelt Jasmijn Jordens die als lio Spaans op het Roc Asa in Maarssen lesgaf. “Eerst stond ik gewoon met een net shirt en een rokje voor de klas, maar na een tijdje ben ik speciaal de stad ingegaan voor twee jasjes en heb ik mijn rokje ingeruild voor een nette broek. De leerlingen zagen me namelijk als een gelijke, iemand om gezellig mee te kletsen na de les, en dat is natuurlijk niet helemaal de bedoeling.”
Het is inderdaad belangrijk te voorkomen dat je eruitziet als een uitvergrote leerling, overkomt als een grote broer of zus, stelt onderwijskundige Victor de Geel en schrijver van onder andere het boek Lichaamstaal. Praktijkboek voor de leraar*. “Ik zeg altijd: Je kunt er beter uitzien als de directeur dan als een medescholier. Je hebt die status nodig om goed les te geven, het helpt je bij het verwerven van gezag.”
Docentenbegeleider Ausum beaamt dat. “Kleding bepaalt voor een deel echt hoe leerlingen omgaan met dat wat je zegt. Het is de eerste indruk en die is heel bepalend.” Je moet een bepaalde afstand creëren, stelt Ausum die naast docentenbegeleider al tien jaar trainer is bij onderwijsbureau CPS. “Het is goed om
gelijkwaardig te zijn in de zin dat de mening van leerlingen ertoe doet. Maar jij bent uiteindelijk degene die de touwtjes in handen heeft. Het is goed daar via je kleding een signaal over af te geven.”
Imago
Omdat het altijd om de inhoud van het onderwijs gaat, stellen meerdere directeuren en leraren dat het uiteindelijk niet per se nodig is om in de laatste mode te lopen. Het moet gewoon niet te afwijkend zijn, is de conclusie. Want dan gaat de verpakking tegen je werken. “Je kleding moet aan de leerling laten zien dat je dat wat je voor de klas staat te
Doen, serieus neemt”, schetst Jorn Hahn, docent Engels, muziek en ckv op het Haemstede-Barger vmbo in Heemstede. “Je krijgt dan ook reacties als: Meneer, wat ziet u er netjes uit vandaag.”
De invloed van kleding op het imago van de docent is volgens directeur Marik Bal van het Stedelijk College Zoetermeer en collega-directeuren ook waarom representativiteit nu ook ter sprake komt in de discussie over de devaluatie van het leraarschap. “Je vertegenwoordigt als docent een school, je zit niet alleen op een kamer, maar staat elke dag voor de klas, hebt een voorbeeldfunctie. Je kunt kortom ’s ochtends niet zomaar even wat aanschieten.”