- blad nr 8
- 23-4-2011
- auteur L. Douma
- Redactioneel
Veteranen voor de klas
Zelf zou ik nooit het leger ingaan, veel te eng
Om te beginnen wil Ad Aarts (62 jaar) een misverstand uit de weg ruimen: veteranen zijn niet altijd grijsaards als hij. “Mijn neefje van 23 heeft in Afghanistan gediend. Hij is ook veteraan. Een veteraan is iemand die op missie is gestuurd.”
Aarts was al sinds 1966 in dienst bij de luchtmacht toen hij in 1996 als explosievenopruimer naar Bosnië moest. “In Bosnië woonden bevolkingsgroepen naast elkaar die elkaar gingen haten”, legt Aarts uit. Hij geeft begin april een gastles op het Bouwens van der Boijecollege in Panningen. Aarts doet zijn verhaal gedurende twee lesuren voor 3-vwo. In drie andere lokalen doen veteranen uit Afghanistan, Srebrenica en Nieuw-Guinea hun relaas.
Het is het tweede jaar dat oud-militairen op de Limburgse school hun verhaal doen. “Voorheen kwamen er in het voorjaar altijd verzetsstrijders, onderduikers of oud-kampgevangenen van de Stichting Herinneringscentrum Kamp Westerbork langs. Maar die werden te oud”, vertelt geschiedenisdocent Hans Koningsveld.
De 4/5-meiviering krijgt langzaamaan een andere lading. Niet meer alleen de Tweede Wereldoorlog staat centraal. Verdraagzaamheid in het algemeen is vaker het thema. In die trend gaat het Bouwens van der Boijecollege mee. ‘Veteranen voor de klas’ is in 2005 ontwikkeld door de Stichting Leerplan Ontwikkeling in samenwerking met het Veteraneninstituut voor de groepen 7 en 8 en de eerste drie klassen van het voortgezet onderwijs. Inmiddels worden de gastlessen ook gegeven in de bovenbouw en in het mbo en hbo. Het Veteraneninstituut kan putten uit een groep van ruim 180 oud-militairen, variërend van een Tweede Wereldoorlogveteraan tot Uruzganveteranen.
Elke gastles is anders. De docent overlegt met de veteraan wanneer, hoe lang en vanuit welke invalshoek het verhaal van de veteraan wordt ingepast. Zo is het ook mogelijk de gastlessen onderdeel te maken van een projectweek.
Daar hebben ze in Panningen niet voor gekozen. Deze dinsdagochtend wordt de gastles gegeven tijdens uren waarin normaal gesproken geschiedenis en levensbeschouwing wordt gedoceerd.
Hel
“Jullie waren misschien nog niet eens geboren toen ik naar Bosnië ging”, vertelt Aarts. In 1996 was de burgeroorlog net afgelopen. Een troepenmacht van bijna 60 duizend militairen van de Nato, onder de naam Ifor, werd naar voormalig Joegoslavië gestuurd om daar het vredesakkoord te bewaken. Onder hen waren vijfduizend Nederlanders, waarvan zes explosievenopruimers. Die zes kregen de opdracht alle wegen en gebieden waar Ifor zich zou bewegen, explosievenvrij te maken.
Wat Aarts het meeste bijstaat uit Bosnië is de geur. “Het land stonk naar hel. Er lag veel dood vee in de wei. Soms lagen er zelfs nog lijken. Huizen waren kapotgeschoten, een uitgebrande bus kon zomaar midden op een weg staan. Niemand ruimde de zooi op.” Hij laat foto’s zien van gebouwen waar de kogelgaten en bloedvlekken nog zichtbaar zijn, een minaret is verwoest.
Aan de hand van een foto legt Aarts uit hoe gevoelig de toestand in 1996 was in Bosnië. Op de foto is een plaatsnaambord van Sanski Most afgebeeld. Eerst staat de naam er in het Servisch op, daarna in het Engels. De Servische letters zijn ondergekalkt. “Op onze voertuigen stond ook altijd tekst. Bewust was die tekst in zowel het Servisch als in het Kroatisch, de letters waren even groot, de teksten stonden naast elkaar, zodat niemand daarover kon vallen.”
De leerlingen zijn opvallend stil wanneer hij zijn verhaal doet. Als hij vertelt hoe hij aan zijn ietwat slepende been komt, kun je een speld horen vallen. “Wij moesten een mijnenveld in, ik zette mijn been naast de markering. BOEM. Er ontplofte een klein plastic mijntje. Ik plofte in de krater neer en was de kluts kwijt. Toen ik om me heen keek zag ik dat mijn rechterbeen eraf lag. Gek genoeg voelde ik de eerste minuut geen pijn. Mijn stomp bloedde niet omdat mijn been zo verkrampt was. Die spierverkramping houdt een uur tot anderhalf uur aan. Dat noemen ze de golden hour. Binnen die tijd moet je in een ziekenhuis zijn.”
Dat lukte. Aarts was inderdaad zijn linkerbeen tot onder de knie kwijt, zijn rechterbeen was ook zwaar gewond. Maar na de nodige revalidatie loopt hij weer.
Aarts gaat op een tafel zitten. “Willen jullie het zien?” Het enthousiasme in de klas is niet hoorbaar, maar de nieuwsgierigheid wint. Rustig koppelt Aarts zijn prothese los en legt hij uit hoe het werkt.
Indrukwekkend
Sinds zijn vijftigste heeft Aarts een militair invalidenpensioen. “Er was natuurlijk wel meer kapot dan mijn been en mijn knie”, vertelt hij na de gastles.
Twee jaar na het ongeluk mocht hij op kosten van defensie met zijn vrouw terug naar Bosnië. Een deceptie. Hij zag daar dat er sinds zijn vertrek weinig tot niets was gebeurd. Zelfs het mijnenveld waar hij zijn been kwijtraakte bestond nog. “Dat was een kater.”
Eentje waarmee hij zijn les niet wil eindigen. “Ik heb de mooiste job gehad die de luchtmacht had. Van de militairen die worden uitgezonden heeft 99 procent een dijk van een tijd. De kameraadschap is uniek als je in een enge situatie op elkaar bent aangewezen. Dat had ik niet willen missen.”
De leerlingen geven applaus. “Ik vond het heel indrukwekkend”, vertelt een leerlinge later. “Het was zo persoonlijk. Zelf zou ik nooit het leger ingaan. Veel te eng.”
De docent levensbeschouwing vindt het belangrijk dat leerlingen oorlogsverhalen niet alleen kennen van de televisie, dat ze een reëler beeld krijgen van wat een militair doet. “Het leven gaat verder na een ongeluk, tegenslagen horen erbij. Dat is wat mij betreft de belangrijkste les van vandaag.”
Meer informatie? Ga naar www.veteraneninstituut.nl > erkenning > onderwijsproject
Zelf een veteraan uitnodigen? Mail projectleider Erik Kuiper: e.j.kuiper@veteraneninstituut.nl