- blad nr 7
- 9-4-2011
- auteur L. Douma
- Redactioneel
Actieplan mbo
Doener loopt straks minder stage
Het middelbaar beroepsonderwijs moet naar een hoger plan getild worden. Om die reden kwam minister van Onderwijs Marja van Bijsterveldt half februari met haar Actieplan mbo. De maatregelen worden in 2013 van kracht.
Om de doorstroom naar het hbo te verbeteren moet er meer aandacht besteed worden aan theorie, stelt de minister. Vandaar dat voor het eerste leerjaar de onderwijstijd wordt verhoogd naar ten minste 1000 klokuren, waarvan minimaal 750 uur begeleide onderwijsuren moeten zijn. De jaren daarna moet de onderwijstijd minimaal 850 klokuren per leerjaar bedragen. Hiervan mag 250 uur worden besteed aan beroepspraktijkvorming, oftewel stage. ‘Dit pakket is een aanzienlijke aanscherping ten opzichte van de huidige 850 klokuren onderwijstijd waarvan tot 60 procent aan beroepspraktijkvorming mag worden besteed’, schrijft de minister.
Een aanscherping die niet ten goede komt aan de leerlingen, denken onderwijsmanager Wendela Dutman en docent Mareike Schimmel van de opleiding helpende zorg en welzijn van het Rotterdamse Albeda College. Dutman heeft zitten rekenen. “Het is bij ons gebruikelijk in het tweede en derde jaar drie dagen stage te lopen. Dit plan betekent dat wij in die jaren negentien uur per week aan theorie moeten besteden. Dat krijg je niet in twee dagen gepropt, dus zullen die uren ten koste gaan van de stage. Met dit plan slaat de balans tussen theorie en praktijk om naar de theorie. Van ons wordt verwacht dat we competentiegericht onderwijs geven. Dat lukt niet op deze manier.”
De minister wil de uitval op het mbo verkleinen. Ze zal het tegenovergestelde bereiken als de theorie zo’n grote plek in de opleiding krijgt, zeker op de lagere niveaus, denkt docent Schimmel. “Ik geef les op niveau 2. Daar haken ze af op theorie. Het zijn doeners.”
Geen havo
“Het is en blijft een beroepsopleiding”, benadrukt Dutman. “De minister maakt onderscheid tussen twee groepen mbo’ers: de doorstromers en de oefenaars. Die laatste groep komt er in haar plan niet goed vanaf. Je moet van het mbo niet een soort havo willen maken.”
“De minister maakt de aansluiting op de beroepspraktijk ondergeschikt aan de doorstroom”, vindt ook Andre Steenhart, sectorbestuurder van de AOb.
Omdat het onderwijs intensiever wordt, kunnen leerlingen op niveau 4 hun opleiding best in drie in plaats van vier jaar afronden, denkt Van Bijsterveldt. Een uitzondering hierop kunnen de techniekstudies zijn. Een kortere opleidingsduur zou extra geld opleveren. Maar veel mbo-opleidingen op niveau 4 zijn al driejarig, zoals de welzijnsopleidingen. De opleiding helpende zorg en welzijn op niveau 2 duurt maar anderhalf tot twee jaar. Dus moet het geld voor de extra lesuren ergens anders vandaan komen, vrezen Dutman en Schimmel.
Van Bijsterveldt wil het bekostigingssysteem op de schop nemen. Roc’s krijgen voortaan meer geld voor deelnemers die voor het eerst staan ingeschreven. Tweedejaars leveren minder geld op dan eerstejaars, maar meer geld dan derdejaars, en zo verder. Deze maatregel moet tevens een goede studiekeuzebegeleiding bevorderen.
Om het mbo betaalbaar te houden en voldoende lessen te kunnen bieden, zullen roc’s de groepen groter gaan maken, vreest Dutman. “Met meer uitval als gevolg. Je kunt leerlingen in een klas van dertig nu eenmaal niet net zoveel aandacht geven als in een klas van 24.”
Selectiebeleid
De Mbo-raad is tevreden. Al tijden wilde de werkgeversorganisatie af van de drempelloze instroom. Van Bijsterveldt heeft die wens gehonoreerd. Vanaf 2013 kunnen jongeren die geen niveau-1-diploma of vmbo-diploma hebben, niet meer terecht op niveau 2. Zij kunnen alleen bij het laagste niveau van het mbo terecht. Maar ook daar worden de eisen hoger: het kabinet voert een bindend studieadvies in voor jongeren boven de achttien jaar.
“Met het verdwijnen van de drempelloze instroom ben ik wel blij”, zegt Schimmel. “Er worden hogere eisen gesteld aan Nederlands en Engels. Niveau 2 wordt best een zware opleiding en dan kun je niet iedereen toelaten. Wanneer leerlingen het niveau niet aankunnen, stoppen ze en raak je ze misschien voor altijd kwijt voor het onderwijs. Terwijl ze via niveau 1 het tweede niveau misschien wel aankunnen.” Maar ze maakt zich zorgen over het bindend studieadvies. “Als niveau 1 ze niet wil hebben. Waar blijven die leerlingen dan?”
“Je zult zien dat er een stringenter selectiebeleid komt”, vreest Steenhart. “Hoe langer een leerling over een opleiding doet, hoe minder bekostiging de opleiding krijgt voor die leerling. En dus zullen de roc’s liever geen risico’s nemen. Ik ben bang dat ze niet meer hun nek zullen uitsteken voor leerlingen op het laagste niveau. Wie is er straks verantwoordelijk voor niveau 1”, vraagt hij zich af.
Omdat op dit moment een mbo-diploma behaald aan de ene instelling niet hetzelfde voorstelt als een diploma van een ander roc, wil de minister een centrale examinering van Nederlandse taal, rekenen en Engels. Dit moet de doorstroom naar het hbo makkelijker maken. Een goede zaak, vindt docent Schimmel. “Nu is het vaak ondoorzichtig waar een diploma voor staat.”
De professionalisering van de docent is eveneens een belangrijk aandachtspunt voor Van Bijsterveldt. Er komt voor mbo-leraren een verplichting tot bij- en nascholing. In een lerarenregister worden de nascholingsinspanningen bijgehouden. Schimmel: “Bijscholing is natuurlijk goed, maar dat doen we nu ook al.” Ook teamleider Dutman is voorstander van bij- en nascholing, maar: “Hoe wordt de vervanging bekostigd als een docent een dag per week zelf naar school moet? Daar rept de minister niet over.”