- blad nr 7
- 9-4-2011
- auteur R. Sikkes
- Redactioneel
Waar/niet waar
‘Nee, mevrouw Van Bijsterveldt, met deze kinderen is niets mis’, schreef AOb-bestuurder Liesbeth Verheggen in een ingezonden brief in Trouw. ‘Deze kinderen hebben het moeilijk met de steeds hogere eisen die het onderwijs en de maatschappij aan ze stelt. In het onderwijs doen leerkrachten er alles aan om ervoor te zorgen dat ze toch zo goed mogelijk terechtkomen en hun weg kunnen vinden.’
Bezwaarlijk is dat het ministerie goochelt met cijfers. Door de boodschap te herhalen dat de zorgindustrie eigen klanten kweekt, hoopt het kabinet begrip te krijgen voor de bezuinigingsoperatie. Maar hoeveel leerlingen hebben nu echt een ‘labeltje’?
Volgens Van Bijsterveldt gaat het om bijna 10 procent in het basisonderwijs. Maar dat zijn er veel minder. De minister telt daarbij ook de ‘eigen leerlijn’ mee, waar het gaat om kinderen die gewoon door hun eigen juf of meester op de eigen school vanwege achterstanden worden bijgespijkerd. Vaak met taal en rekenen, tijdelijk of langer. Die ook als zorgleerlingen benoemen, gaat veel te ver, omdat het gaat om activiteiten die binnen de bekostiging van de school blijven. Maatwerk voor wie dat nodig heeft.
Deze groep leerlingen groeit in de basisschoolperiode van ongeveer 1 procent in groep 3 tot bijna 6 procent in groep 8, als het vervolgonderwijs in zicht komt. Oftewel: als de selectiedruk toeneemt, krijgt een deel van de leerlingen extra hulp op school. Oftewel: leraren doen hun werk.
En er zit daarnaast in de opsomming van de minister een kleine dubbeltelling van leerlingen in het sbao die met een bijzondere indicatie daar nog eens extra hulp krijgen. In totaal komt het aantal zorgleerlingen volgens de AOb daarom op 6 procent (sbao + so + bao rugzak). In plaats van de 9 procent die in de beleidsbrief van Van Bijsterveldt staat, die de minister voor het gemak vertaalt naar ‘ruim 10 procent’ van de leerlingen in het primair onderwijs waar ‘iets mis’ mee is.
Spuigaten
Verder valt op dat het aantal leerlingen uit het sbao absoluut en relatief gedaald is, een succes van het beleid. Meer kinderen gaan de afgelopen jaren – enkelen met een rugzak – naar het gewone onderwijs. Dat aandeel steeg van 94,8 procent in 2003 naar 95,2 procent in 2009. Zo was het beleid ook bedoeld: zoveel mogelijk kinderen naar het reguliere onderwijs. De verschuivingen zijn procentueel klein, maar gaan over grote groepen leerlingen. Het aandeel van het speciaal onderwijs is vrijwel gelijk gebleven. Verrassend is dan ook dat ondanks die positieve trend 300 miljoen wordt bezuinigd op passend onderwijs.
In het voortgezet onderwijs lijkt het helemaal de spuigaten uit te lopen. In de beleidsbrief schrijft de minister dat het om bijna 20 procent aan gelabelde zorgleerlingen gaat. Een op de vijf, het moet niet gekker worden. Ook daar zijn nuanceringen bij aan te brengen. Het lwoo is grotendeels in het leven geroepen om plaats te maken voor het individueel beroepsonderwijs, de praktijkscholen kwamen meestal in plaats van vso-mlk. Beide proberen om zoveel mogelijk leerlingen – die vaak kampen met achterstanden op taal en rekenen – toch aan een vmbo-diploma te helpen of een plek op een roc te bezorgen. Zeg maar een voortzetting van de eigen leerlijn uit het basisonderwijs. Praktijkonderwijs en lwoo zijn dan ook geen speciaal onderwijs, maar maken deel uit van het gewone voortgezet onderwijs. Samen vormen ze de grootste groep (13,1 procent) die op basis van objectieve criteria (mate van leerachterstand en IQ) met relatief lichte hulp binnen het gewone voortgezet onderwijs worden geholpen, om toch zoveel mogelijk te voldoen aan de steeds zwaardere eisen die het voortgezet onderwijs stelt. De zware leer- en opvoedingsproblemen zien we terug in het vso (cluster-3 en -4), een groep die absoluut en relatief inderdaad sterk is gegroeid, maar die ook maatschappelijke ontwikkelingen weerspiegelt. Om al die groepen en de rugzakleerlingen zomaar bij elkaar op te tellen, is wel erg creatief omgaan met de cijfers.
Interessant is daarom de Factsheet passend onderwijs die het ministerie vorig jaar november zelf uitbracht. Daar definiëren de ambtenaren als zorgleerlingen alleen het so, het sbao en de rugzakleerlingen als echte zorgleerling. Leerlingen met een eigen leerlijn in het basisonderwijs, of die gaan naar lwoo en pro, worden daar niet als zorgleerling aangemerkt. In de beleidsbrief worden die allemaal wel meegerekend als kinderen waar ‘iets mis’ mee is, maar dat lijkt dus vooral bedoeld voor de beeldvorming die de bezuinigingen op het speciaal onderwijs moet rechtvaardigen.
{kadertje}
Afkortingen
Basisonderwijs bao
Speciaal onderwijs so
Speciaal basisonderwijs sbao
Leerweg ondersteunend onderwijs lwoo
Praktijkonderwijs pro
Voortgezet speciaal onderwijs vso
Moeilijk lerende kinderen mlk
{graphic}
Zorgleerlingen primair onderwijs
Praktijk Volgens Van Bijsterveldt
sbao 2,7% sbao 2,7%
so 2,1% so 2,1%
rugzak 1,2% rugzak 1,2%
eigen leerlijn 2,9%
totaal 6% totaal 8,9%
Zorgleerlingen voortgezet onderwijs
Praktijk Volgens Van Bijsterveldt
vso 3,5% vso 3,5%
rugzak 1,4% rugzak 1,4%
lwoo 10,3%
praktijkonderwijs 2,8%
totaal 4,9% totaal 18%