- blad nr 5
- 12-3-2011
- auteur R. Voorwinden
- Redactioneel
In China is een voldoende niet voldoende
Help, de Aziaten rukken op! Met beter onderwijs, wel te verstaan. Of in elk geval: met hogere scores op internationale reken- en taaltoetsen, de zogenoemde Pisa-onderzoeken. Sjanghai deed vorig jaar voor het eerst mee en kwam meteen binnen op de eerste plaats. Tweede plaats: Korea. In de rest van de top vijf vinden we nog twee andere Aziatische deelnemers: Singapore en Hong Kong.
Ondertussen daalt Nederland in de scorelijsten. Nederlandse scholieren zakten bij het onderdeel wiskunde van de vijfde naar de elfde plaats, en die trend zet zich door op het gebied van taal: daar staan we inmiddels op een tiende plaats.
En dat is slecht nieuws als Nederland tot de mondiale top vijf van kenniseconomieën wil behoren. Om onze plaats op de ranglijst terug te winnen moet het onderwijs volgens minister Marja van Bijsterveldt terug naar de kern. Meer les in de kernvakken Nederlands, Engels en wiskunde en minder doorstroomprofielen (twee in plaats van vier) in de bovenbouw van havo en vwo.
Die back to basics-benadering lijkt op het eerste gezicht logisch. Want een borreltafelverklaring voor de hoge Chinese scores is dat China een autoritair onderwijsstelsel heeft. “Zo van: de leerlingen scoren goed omdat ze tot goede resultaten geslagen worden”, zegt Jaap Dronkers, hoogleraar internationaal onderwijsonderzoek. Maar is dat ook echt een goede verklaring? Dronkers besloot dieper in de zaak te duiken, en dat leidde tot zijn onderzoek naar de leerprestaties van Chinese kinderen binnen en buiten Azië*.
Door de onderwijsprestaties van Chinese kinderen binnen en buiten Azië te vergelijken, redeneerde Dronkers, zal duidelijk worden hoe groot de invloed van het Chinese onderwijsstelsel is. Kinderen van Chinezen die naar – bijvoorbeeld – Australië zijn geëmigreerd, volgen immers Australisch onderwijs. Scoren zij dan slechter, beter of net zo goed op de internationale toetsen als de kinderen die in China zijn gebleven?
Dronkers ging aan het rekenen met de scores van het Pisa-onderzoek uit 2006, en kreeg resultaten die hij op het eerste gezicht niet kon verklaren. “Chinese kinderen blijken buiten China, in andere onderwijsstelsels, ook beter te scoren op internationale testen.” Hun voorsprong ligt dus niet aan het Chinese onderwijs.
En het werd gekker: “De beste scores worden behaald door Chinese kinderen van de tweede generatie migranten, die thuis nog wel Chinees praten.” Pardon? Sinds wanneer is het praten van de taal van je land van herkomst positief voor je onderwijsprestaties in een nieuw land? Dronkers: “Vervang ‘Chinees’ door ‘Turks’ en je wordt uitgelachen.”
Karakterschrift
Een mogelijke oorzaak voor de hoge scores van Chinezen, bedacht Dronkers, is hun karakterschrift. “De Chinese geschreven taal bestaat uit karakters. Om op minimaal niveau te kunnen meedraaien in de maatschappij moet je er zo’n vijfduizend kennen. De kinderen moeten die al op vroege leeftijd leren.”
Voor Chinese kinderen dus geen zelfwerkzaamheid, projectonderwijs of leerlinggestuurd onderwijs: er worden gewoon karakters gestampt. En wie goed leert stampen, heeft daar waarschijnlijk in de latere schoolcarrière baat bij.
Dit zou meteen mooi verklaren waarom leerlingen buiten China die thuis toch de moedertaal praten, beter scoren dan leerlingen die niet de moeite nemen om al die karakters uit hun hoofd te leren. “Ik beschik niet over gegevens waarmee ik die verklaring kan onderbouwen”, zegt Dronkers. Maar het klinkt in elk geval logisch.
Maar er is meer. Want een minstens net zo belangrijke verklaring voor de Chinese voorsprong is volgens Dronkers dat het Aziatische getallenstelsel veel simpeler is dan het Europese en Amerikaanse. Een verklaring die wordt onderschreven door Amerikaanse wetenschappers (zie kader).
En dan is er nog meer. Want de belangrijkste verklaring van de Chinese voorsprong is waarschijnlijk dat onderwijs daar al eeuwenlang voorbereidt op een goede baan in de ambtenarij. Wie hard leert, kan ontsnappen aan een leven van armoede. Cruciaal is dat daarbij een afvalsysteem geldt: alleen de besten van een dorp gaan door naar de provinciale examens, en alleen de besten daarvan gaan door naar de landelijke examens. “Vergelijk het met het toelatingsbeleid van Oxford, Cambridge of de Franse Grandes Ecolés”, zegt Dronkers. “Die nemen een bepaald aantal leerlingen per jaar aan, zeg vijftig. Op basis van hun examenscores. Ben jij nummer 51? Jammer dan.”
Dat maakt dat het halen van een voldoende in China totaal niet interessant is. Dronkers: “De vraag is niet: hoe goed ben ik? De vraag is: hoeveel anderen zijn er beter?” En om ervoor te zorgen dat je als leerling net even beter scoort dan een ander, is er in Azië een complete bedrijfstak van schaduwonderwijs ontstaan, met bijlessen en examentrainingen. En brengen vader en moeder vaak veel uren met hun kind aan de keukentafel door, gebogen over de schoolboeken.”
Slechte prestaties
Uit de Pisa-gegevens blijkt dan ook dat Chinese kinderen veel meer uren aan onderwijs besteden dan hun Westerse collega’s. En interessant: hoe meer uren Westerse leerlingen aan onderwijs besteden, hoe slechter hun resultaten zijn. Pardon? “Dat komt omdat leerlingen hier pas hard gaan werken als het echt slecht met hun prestaties gaat”, zegt Dronkers. “Ja, u lacht nu – en dat toont aan dat u Westers denkt.”
Dronkers maakte zelf kennis met de Aziatische werklust toen hij drie maanden college gaf in Japan. Een land waar, net als in China, veel afhangt van strenge toelatingsexamens. “De studenten moesten bij mij een presentatie in het Engels houden, hun eerste ooit. Ik gaf commentaar, zij verwerkten het en daarna keurde ik het goed. Maar dan kwamen ze nog eens met verbeteringen, om te checken of ze het wel echt goed begrepen hebben. Dat kom je in het Nederlandse onderwijs niet zo vaak tegen.”
Kopiëren
Goed, Chinese studenten scoren dus hoger op de internationale tests door een combinatie van hun karakterschrift (stampwerk) en een diepgeworteld besef dat onderwijs cruciaal is om vooruit te komen in de maatschappij.
Als wij in Nederland de Chinese draak van de eerste plaats in de ranglijst willen stoten, weten we dus wat ons te doen staat: deze factoren kopiëren, in plaats van een back to basics-benadering en het verkleinen van het aantal doorstroomprofielen. Ho ho, vindt Dronkers. “Daar doe ik als wetenschapper geen uitspraak over. Maar realiseer je wel dat alles zijn prijs heeft. Want het Aziatische onderwijssysteem legt een enorme druk op de kinderen en hun familie. Het aantal zelfmoorden onder bijvoorbeeld Japanse leerlingen is erg hoog.”
Misschien is die tiende plek in de Pisa-ranglijst dan toch zo gek nog niet.
{Kader}
‘Goed zijn in wiskunde is een mentaliteit’
Dat Aziatische leerlingen veel beter scoren op onder andere rekentesten is ook de Amerikaanse wetenschapsjournalist Malcolm Gladwell opgevallen. Volgens hem ligt het in de eerste plaats aan de manier waarop de cijfers worden benoemd.
In het Nederlands zeggen we ‘elf’ en niet ‘tien-een’ en ‘twaalf’ en niet ‘tien-twee’, maar als we boven de twintig komen zeggen we weer wel ‘eenentwintig’, ‘tweeëntwintig’, enzovoort. Bij de honderdtallen zetten we het honderdtal vooraan en de eenheid achteraan (‘honderdenvier’), maar bij de tientallen doen we het weer andersom: (‘achtentwintig’). En wat die tientallen betreft: we zeggen ‘zestig’ en ‘zeventig’, maar niet (wat consequent zou zijn) ‘drietig’ en ‘viertig’: daar maken we ‘dertig’ en ‘veertig’ van. Ook tellen in het Engels heeft een boel eigenaardigheden, om nog maar te zwijgen van de arme Fransen, die het getal ‘99’ aanduiden met quatre-vingt-dix-neuf.
Nee, dan het telsysteem van China, Japan en Korea. Het cijfer elf is ‘tien-een’, twaalf is ‘tien-twee’, vierentwintig is ‘twee-tien-vier’, enzovoort. Een Westers kind dat 36 en 22 bij elkaar moet optellen, moet de woorden eerst in zijn gedachten omzetten in getallen. Een Aziatisch kind hoeft alleen maar ‘drie-tienen-zes’ op te tellen bij ‘twee-tienen-twee’, en dat is dus ‘vijf-tienen-acht’. Eitje. Dit eenvoudige cijfersysteem is er volgens Gladwell de reden van dat Aziatische kinderen gemiddeld een jaar eerder kunnen tellen dan Amerikaanse kinderen.
Maar ook hier is er meer. Want Amerikaanse leerlingen maken, samen met leerlingen uit een heleboel andere landen, regelmatig de internationale Timms-test: een test die hun vaardigheden op het gebied van wiskunde meet. Die test wordt vergezeld van een vragenlijst waarin de onderzoekers de leerlingen het hemd van het lijf vragen: over hun ouders, vrienden, en wat ze van wiskunde vinden. De lijst is zo langdradig dat leerlingen vaak vragen overslaan.
Wat blijkt? Het aantal beantwoorde vragen van die lijst verschilt, gemiddeld, per land. En wat blijkt nog meer? Die ranglijst komt precies overeen met de ranglijst van de wiskundescores per land. In 2003 vulden de leerlingen in bijvoorbeeld Singapore, Korea, Taiwan en Japan de meeste vragen van de lijst in. En die landen haalden ook de hoogste scores op de wiskundetoets.
De verklaring van Gladwell: “Landen waar de leerlingen bereid zijn zich lang genoeg te concentreren en stil te zitten om een eindeloze rij vragen te beantwoorden, zijn dezelfde landen waarvan de leerlingen de wiskundeproblemen het beste oplossen.” Goed zijn in wiskunde vergt dus toewijding en ijver, zo trekt Gladwell in feite dezelfde conclusie als Dronkers. Gladwell verklaart die ijver overigens niet uit het besef dat onderwijs cruciaal is om vooruit te komen in de samenleving, maar - via een ingenieuze redenering - uit de manier waarop rijst wordt verbouwd. Maar zijn conclusie is dezelfde: om goed te zijn in wiskunde moet je hard willen werken. “Goed zijn in wiskunde is een mentaliteit.”
{noot}
@T8:*)The higher educational achievement of Chinese pupils, inside and outside of Asia, J. Dronkers & M. de Heus,
Maastricht University, Netherlands; University of Stockholm, Sweden. http://www.eui.eu/Personal/Dronkers/English/Heus3.pdf