- blad nr 4
- 26-2-2011
- auteur Y. van de Meent
- Onderwijs & Onderzoek
Onderwijs & Onderzoek
Vmbo’ers beseffen heel goed dat ze onder aan de maatschappelijke ladder staan en dat ze keihard moeten knokken om hogerop te komen, blijkt uit het onderzoek waarop Lenie van den Bulk deze maand promoveerde aan de Universiteit Utrecht. Zij vindt dat het onderwijssysteem deze leerlingen geen faire kans biedt.
Zij heeft het maatschappelijk tij tegen: sociale ongelijkheid en verschillen in onderwijskansen zijn geen belangrijke thema’s meer. Toch heeft Lenie van den Bulk de afgelopen vijf jaar een groot deel van haar vrije tijd opgeofferd om uit te zoeken hoe vmbo-leerlingen de lage maatschappelijke status van hun opleiding ervaren.
Van den Bulk is unitmanager Onderzoek en ontwikkeling bij de Rotterdamse onderwijsadviesdienst CED-groep. En ze is een stapelaar: vanuit het lager beroepsonderwijs is ze opgestoomd naar een universitaire opleiding sociologie. De frictie tussen de ideologie van de gelijke kansen en de ongelijke mogelijkheden houdt haar bezig. “Gelijke kansen zijn de norm. Maar het paradoxale is dat we wel accepteren dat mensen met grotere cognitieve mogelijkheden, meer verdienen, een hogere sociale status bereiken en meer maatschappelijke waardering krijgen”, stelt de kersverse doctor. Op twaalfjarige leeftijd ligt al vast wie arts of advocaat kan worden en voor wie dat hoogstwaarschijnlijk niet is weggelegd. “Ik wilde weten hoe jongeren daarmee omgaan. Vmbo’ers worden gezien als de lagere klasse. Wat betekent dat voor hun gevoel van eigenwaarde? Hoe zien zij hun eigen toekomst?” Belangrijke vragen omdat bekend is dat een negatief toekomstbeeld voor een hogere schooluitval zorgt.
Om erachter te komen hoe jongeren de statusverschillen beleven, ontwikkelde Van den Bulk een eigen methode. Leerlingen kregen foto’s voorgelegd van mensen van verschillende sociale en etnische achtergrond die aan het maatschappelijk verkeer deelnemen. Van zakenmannen die uit een vliegtuig stappen tot een zwarte man achter een machine, en van een lezende vrouw die vanuit haar penthouse over Rotterdam uitkijkt tot een junk die op straat zwerft. In groepjes van drie kregen ze de opdracht die foto’s in een cirkel te plaatsen die de maatschappij voorstelt. Tijdens het plaatsen moesten ze hardop uitleggen wat ze aan het doen waren.
Van den Bulk koos expres voor een cirkel omdat ze wilde vaststellen of leerlingen sociale hiërarchie waarnemen en of vmbo’ers daarin verschillen van vwo’ers en havisten. Na het plaatsen van de foto’s werd leerlingen gevraagd waar ze zichzelf in de cirkel zouden plaatsen. In totaal deden er 177 Rotterdamse scholieren van 15 tot 17 jaar oud mee, gelijk verdeeld over schooltypen, etnische achtergrond en sekse.
Zakenman
Jongeren weten statusverschillen feilloos bloot te leggen. De meerderheid brengt binnen de cirkel hiërarchie aan: de zakenmannen bovenaan in de cirkel, of in het middelpunt, en de junk helemaal onderaan. Maar vwo’ers doen dat veel vaker dan vmbo’ers. Een deel van de vmbo’ers zet de maatschappelijke ladder bewust op zijn kop. De harde werkers die weinig verdienen, komen bovenaan en ‘de meneren die de hele dag praten en verder niks doen’ eindigen onder aan de ladder.
Hun eigen plaats op de maatschappelijke ladder kennen de jongeren ook. Vwo’ers plaatsen zichzelf op grond van hun opleidingsniveau al bij de maatschappelijke bovenlaag. Vmbo’ers weten dat ze zich op de onderste sport bevinden, maar hopen door heel hard te knokken hogerop te komen. “Vmbo’ers hebben hoge ambities. Ze willen naar het mbo en vervolgens doorstromen naar het hbo. Een jongen vertelde dat hij voor de richting zorg en welzijn had gekozen omdat hij arts wilde worden.” Vmbo’ers kiezen daarom een positie in de cirkel die nog perspectief biedt. ‘Omdat ik nog op school zit, heb ik me bewust onder de leraar en de studenten gezet, later kan ik altijd nog worden wat ik wil’, schrijft een vmbo’er. “Ze stellen hun teleurstelling over hun lage maatschappelijke positie dus nog even uit”, concludeert Van den Bulk.
Schooluitval
Uit de statistische analyses die Van den Bulk heeft uitgevoerd, blijkt dat de verschillen tussen leerlingen geheel zijn toe te schrijven aan het opleidingsniveau en niet aan etnische verschillen. Daaruit trekt ze de conclusie dat schooluitval een onderwijsprobleem is en geen integratieprobleem. Door jongeren al op twaalfjarige leeftijd de boodschap te geven dat ze niets kunnen en daarom niet veel zullen bereiken, draagt het schoolsysteem eraan bij dat vmbo’ers afhaakgedrag gaan vertonen. Het wordt een self fulfilling prophecy.
Van den Bulk is daarom een warm voorstander van gemengde brugklassen. Het liefst zou ze leerlingen tot hun veertiende of vijftiende bij elkaar houden. “Maar dat gaat niet lukken”, denkt ze. “Ouders willen het niet omdat ze denken dat de betere leerlingen minder gaan presteren als ze met leerlingen van vmbo-niveau in de klas zitten. Wat overigens aantoonbaar onjuist is.” Bovendien legt het onderwijsbeleid de laatste jaren steeds meer nadruk op selectiviteit en prestatiegerichtheid waardoor tweejarige dakpanbrugklassen uit de mode zijn geraakt. “Ik ben bang dat we daarmee aan het verkeerde eind van de kluwen trekken. Door extra nadruk op prestaties te leggen, wordt de kloof tussen cognitief sterken en cognitief zwakkeren, nog groter. Dat leidt tot meer uitval. Met die nadruk op cognitieve prestaties doen we veel vmbo’ers tekort. Uit mijn onderzoek blijkt dat deze leerlingen andere kwaliteiten hebben. Ze voelen zich bijvoorbeeld meer betrokken bij mensen die het niet zo getroffen hebben in het leven. Ze verplaatsen zich meer in andere mensen. Dat zouden we in het onderwijs meer moeten waarderen en belonen.”
{noot}
‘Later kan ik altijd nog worden wat ik wil. Statusbeleving, eigenwaarde en toekomstbeeld van leerlingen in het voortgezet onderwiijs’, door Lenie van den Bulk. Proefschrift Universiteit Utrecht. Handelseditie Garant uitgevers 2011, ISBN 978-90-441-2731-7.
<3 kortjes>
Werkplekleren mbo-docenten
Zelfgestuurd werkend leren levert een belangrijker bijdrage aan kwaliteitsverbetering van het mbo dan salarisverhogingen. Leren op de werkplek heeft bij mbo-docenten een groter leereffect dan het volgen van een cursus en draagt bij aan de ontwikkeling van het team waarvan de docent deel uitmaakt. Dat blijkt uit onderzoek waarop Bert van Veldhuizen begin deze maand promoveerde aan de Universiteit Utrecht. Van Veldhuizen is programmamanager onderwijsontwikkeling bij het Regio College in Zaandam. Hij deed onderzoek naar het traject ‘Werkend leren, lerend werken’ waaraan 34 docenten van het Regio College van 2005 tot 2007 deelnamen. Ook evalueerde hij het Focus-programma waarbij alle docenten een persoonsgebonden scholingsbudget kregen van 4000 euro.
{noot}
‘Werkend leren, lerend werken. Professionele ontwikkeling van docenten in een persoonlijk en organisatieperspectief’, door Bert van Veldhuizen. Proefschrift Universiteit Utrecht, februari 2011.
iPhone
Je richt je iPhone op de Utrechtse Dom en in het beeldscherm verschijnt informatie over de ontstaansgeschiedenis van het bouwwerk. Of je slaat een boek open dat - dankzij de speciale bril die je op hebt - tot leven komt. Augmented reality, een techniek waarbij een virtuele laag over de werkelijkheid wordt gelegd, is hot, en dankzij de groei van het aantal smartphones op steeds grotere schaal toepasbaar. Tijd om uit te zoeken wat het onderwijs met deze techniek kan, vonden twee hbo-studenten multimedia design. Veel educatieve toepassingen zijn er nog niet en de twee konden ook geen wetenschappelijk bewijs vinden waaruit blijkt dat augmented reality een positief leereffect heeft. Geen aantoonbare meerwaarde dus, maar de geïnterviewde leraren herkennen de hoge ‘wow-factor’ van de techniek. Augmented reality zal leerlingen dus zeker boeien en motiveren en heeft dus toch een toegevoegde waarde, vinden de studenten.
{noot}
‘Augmented reality & didactiek’, Jenny de Bever en Bram van Rens, www.bramvanrens.com/blog
Islam en schoolsucces
Is het islamitische geloof een hulpbron of een hindernis voor de Turkse en Marokkaanse tweede generatie in Noordwest-Europa? Fenella Fleischmann vergeleek de onderwijsprestaties van Turken en Marokkanen van de tweede generatie in België, Nederland, Duitsland en Zweden. In Duitsland lijkt een hogere religiositeit samen te gaan met een grotere onderwijsachterstand. In Nederland, België en Zweden is dat verband niet te ontdekken. Maar de achterstand van de Duitse moslims wordt niet veroorzaakt door de islam, maar door ongunstige leefomstandigheden, analyseert Fleischmann. Ze wonen vaker in achterstandsbuurten dan moslims in Nederlandse, Zweedse en Belgische steden. Religiositeit is dus geen belemmering voor schoolsucces en integratie, concludeert zij.
{noot}
‘Second-generation muslims in European societies: Comparative perspectives on education and religion’, door Fenella Fleischmann. Proefschrift Universiteit Utrecht, februari 2011.