• blad nr 4
  • 26-2-2011
  • auteur W. de Lange, de 
  • Column

 

Bij Lobith

Een kleine vijftig jaar geleden leerde ik op de lagere school dat rond 50 voor Christus de Batavieren in holle boomstammen bij Lobith ons land binnenvoeren. Ik leerde meteen ook dat de Batavieren meer en raardere goden hadden dan wij op de St. Theresia van Lisieuxschool voor mogelijk hielden. Deze Batavieren en andere Germanen verdobbelden hun vrouwen, ook niet onbelangrijk. Ik was meteen verkocht.
Het stond allemaal op de eerste bladzijden van een afgeleefd schoolboek dat al vele jaren in gebruik was geweest, toen ik er de tijdelijke beheerder van werd. De erin afgedrukte zwart-witprent van een woedende oppergod Wodan die eenogig over de wolken reed, was ondanks de vele dienstjaren indrukwekkend gebleven.
Ik vond het een fijne kennismaking met het idee dat de mensenwereld ooit echt volkomen anders was geweest. Ik werd er niet bang van. Bang werd ik van het plaatje van de Dood die op de borst van de keizer van China zat, in een boek met sprookjes van Hans Christian Andersen. De kans te De Bilt verdobbeld te worden voelde kleiner aan dan de kans ‘s nachts in het donker wakker te worden met de Dood op je borst.
Zo zag geschiedenis op school er dus uit, zoals dat boek. Niet gek. Ik wist toen al dat er af en toe apekool in stond, daar was ik door wijsneuzige zussen al op voorbereid. Maar kool en apekool, ik vond het allebei lekker. Jaartallen, Friezen, keizers, hofmeiers, stadhouders, regenten, kom maar op.
Vijftig jaar later, op school. “Zijn er dan twee wereldoorlogen geweest”, vraagt Susan (vijftien jaar) me stomverbaasd. Terwijl we al drie weken bezig zijn met de Eerste, waarbij ik het verschil met de Tweede voortdurend benadruk. Zucht.
In het gemiddelde vmbo-schoolboek van nu (voor twaalf jaar en ouder) staat veel minder tekst dan in de lagere schoolboeken van toen (voor acht jaar en ouder). Minder tekst, minder apekool, minder kennis, minder romantiek. De boeken van nu zijn wel kleuriger en hebben mooiere plaatjes. Docenten doen bovendien de gekste dingen met films, kleurplaten en rollenspelen om het vak leuker te krijgen. En toch is er altijd als de toets wordt aangekondigd, de boze vraag: “Waarom moeten wij over vroeger leren?”
Twee taboes spannen tegen het vak geschiedenis samen. Ze heten ‘lezen’ en ‘aandacht’. Lezen en aandacht zijn voor slome donders, niet cool. Het leven moet snel van hot naar her flitsen. Even een truc leren toepassen bij wiskunde of ontleden, dat kan er nog tussendoor. Maar in je hoofd een beeld van vroeger construeren op grond van wat losse gegevens? Dat is een te vage klus, eentje die niet zonder toewijding en rust kan worden geklaard. Dan zijn er wel bloedigere verhalen, beeldender games, luidruchtiger goden, woestere volken op de i-Pods van de leerlingen voorhanden, meeslepender dan geschiedenisdocenten ooit met goed fatsoen kunnen worden.
Soms lijkt wat een vmbo-docent geschiedenis doet geen lesgeven, maar roepen uit het graf van een gestorven wereld. Dat geeft op zich niet. Het is boeiend. En leerlingen blijven deugen. Maar kerndoelen haal je er niet mee.

Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.