- blad nr 1
- 15-1-2011
- auteur N. van Dam
- Redactioneel
Dr. juf beschrijft de geschiedenis van meesters en juffen
Pabo is een beschamende opleiding
In haar vriendenkring oogstte ze meewarige blikken toen ze naar de pabo ging. “Ze reageerden vol ongeloof dat ik juf wilde worden.” Want ze studeerde cum laude af in de sociale geografie en promoveerde in 2005 aan de Universiteit van Amsterdam op een proefschrift over de stedelijke ideaalbeelden van Amsterdam en Rotterdam, wat haar tot stadsgeograaf bracht. Tijdens haar promotieonderzoek gaf ze onder meer met Geert Mak Engelstalige colleges aan buitenlandse studenten over de historie van de hoofdstad. Vervolgens verliet ze de universiteit, omdat daar alleen onderzoekbanen beschikbaar waren.
Daarna werd ze fulltime schrijver. In rap tempo schreef ze achtereenvolgens Alles moest nog uitgevonden worden, de geschiedenis van de computer in Nederland en Waterwolven, een geschiedenis van stormvloeden, dijkenbouwers en droogmakers. Haar nieuwste boek past in deze rij. Ook in Grootvader Piepestok vertelt ze de geschiedenis aan de hand van mensen die er een belangrijke rol in hebben gespeeld. Zo lees je hoe de arts Maria Montessori, die nog druk bezig was haar onderwijstheorie te ontwikkelen, een kijkje kwam nemen op de Haagse school van Jan Ligthart. En je leest over koningin Wilhelmina die dezelfde school bezocht, omdat zij met eigen ogen zijn aanpak wilde bekijken, voordat zij hem zou vragen haar dochter Juliana te onderwijzen.
Cordula Rooijendijk beschrijft niet alleen de meer persoonlijke kanten van haar historische figuren, ze plaatst hen ook in hun tijd, zodat je je realiseert dat het twee eeuwen geleden in Amsterdam erg stonk in de Jordaan. En dat de tram in Den Haag veel lawaai maakte, welke oorlog in Europa woedde en wie er stemrecht hadden. Je leest ook hoe Theo Thijssen in een verre voorloper van het Onderwijsblad een onvriendelijk stukje schreef na het overlijden van tijdgenoot Jan Ligthart.
Zesjescultuur
Omdat het schrijversbestaan eenzaam is, gaf Rooijendijk als vrijwilliger les bij Technika 10 in Amsterdam, een project om meisjes warm te maken voor techniek. “Dat leek me nuttig en misschien ook wel leuk.” Ze bleek het meer dan leuk te vinden. “De leerlingen luisterden ademloos en ze waren zo leergierig. Ze hebben nog geen last van de zesjescultuur waar ik zo’n hekel aan heb. Ik blies paprika’s op met een fietspomp om het bestaan van luchtdruk te illustreren, dat spat zo lekker. Ik liet de leerlingen boeken stapelen op een plankje, waaronder vier eieren lagen. Pas als de stapel heel hoog en heel zwaar was, braken de eieren, waarna we samen concludeerden dat ronde vormen wel heel sterk moesten zijn.”
Ooit had ze haar ouders gezworen nooit het onderwijs in te gaan. Haar broers en zus wisten het ook zeker. “Mijn ouders werkten in het onderwijs. Net als verschillende ooms en tantes. Op verjaardagen ging het er in de familie altijd over. Wij als kinderen besloten toen dat we zeker niet voor de klas gingen, want dan moest je veel te hard werken.”
De kinderen Rooijendijk zijn alle vier van gedachten veranderd. “Mijn zus heeft psychologie gestudeerd en als psycholoog gewerkt, maar staat nu ook voor de klas. Mijn oudste broer studeerde culturele antropologie, maar is de deeltijdpabo gaan doen. Alleen mijn jongste broer is rechtstreeks naar de pabo gegaan.”
Dus gaat het bij familiefeestjes weer vooral over onderwijs. “De aanhang wordt het wel eens te veel.” Meestal zijn het de sociaal-emotionele gebeurtenissen die een van hen toch even wil vertellen. Over hoe ze een onwillige leerling geïnteresseerd hebben gekregen in de leerstof of over van die smeltmomenten die ze met de kinderen meemaken. “Mijn broer vertelde over een onhandig jongetje dat ook nogal zwak presteerde op leergebied. Hij kreeg een heel lang sinterklaasgedicht op een groot vel dat hij bijna niet kon vasthouden en iedereen wist dat hij het nauwelijks zou kunnen voorlezen. Toen gingen twee meisjes zomaar uit zichzelf naast hem zitten om hem te helpen.” En als zij zelf van een jongen een gepunnikt kussentje cadeau krijgt, waar hij weken aan gewerkt moet hebben, moet ze dat toch echt even aan haar broers en zus vertellen. “Ik wist niet eens dat kinderen nog punnikten.”
Over de pabo hebben ze met z’n vieren ook veel gepraat. “Dat was meer schelden en je hart luchten: wat een beschamende opleiding. Je krijgt heel veel vakken die je moet ondergaan alsof je zelf nog een basisschoolleerling bent, onnozele proefjes zelf doen alsof je een klein kind bent. Je leerde niet hoe je het je leerlingen moest leren. Dat kwam pas tijdens de stage, daar heb ik wel veel van geleerd.”
Dieptepunt
Over het niveau van de pabo kan Rooijendijk nog verontwaardigd raken. “Ik heb maar twee toetsen hoeven doen, een voor rekenen en een voor taal en die waren beide op het niveau van groep 8. Verder moest ik alleen in mijn portfolio laten zien dat ik de competenties gedaan had, maar dat werd niet getoetst, op geen enkele manier.”
Het dieptepunt op de pabo was wat haar betreft de les bord schoonmaken. “De lerares ging voordoen hoe je van links naar rechts moet gaan, wanneer je de spons moet uitwringen en hoe zo’n wissertje te gebruiken. Dat ging maar door, een hele les lang, niets anders dan alleen het bord schoonmaken. En wij waren de verkorte deeltijd opleiding, niemand kwam rechtstreeks van de havo. We waren allemaal mensen die eerst iets anders gestudeerd hadden en werkervaringen elders hadden opgebouwd: artsen, advocaten.”
Een paar goede leraren, zoals die van Nederlands, niet te na gesproken, concludeert ze: “De pabo is erbarmelijk. We moeten die opleiding echt veranderen, zodat het niveau weer komt op dat van de vroegere kweekschool, die ook wel de universiteit van de armen werd genoemd. Als je daarin slaagt, zul je zien dat het beroep vanzelf ook weer meer status krijgt.”
Nu werkt ze op de Amsterdamse basisschool Steigereiland, een montessorischool light die lang niet meer alles doet zoals Maria Montessori het ooit bedacht heeft. “We gebruiken gewoon het Cito-volgsysteem.”
Rooijendijk vindt geweldig van Montessori dat zij de wereld wilde verbeteren, maar van alle figuren die ze in haar boek beschrijft, voelt ze zich het meest verwant met Jan Ligthart. “Hij was een onderwijsvernieuwer, maar verzette zich niet tegen het klassikale systeem, zoals Montessori.”
Ze kan zeer enthousiasmerend vertellen over Ligthart, die bij het grote publiek bekend is als de schrijver van Ot en Sien. Bijvoorbeeld dat hij als schoolhoofd elke dag met een stok zwaaiend in de hand het lokaal van de kleintjes binnenrende en kwam waarschuwen dat het tijd was om buiten te gaan spelen, luid roepend ‘Grootvader Piepestok’, de naamgever van haar boek. “Vooral de zaakvakken deed hij heel aanschouwelijk. Toen ik dat aan de kinderen vertelde, vroegen ze ‘Waarom doen wij het eigenlijk niet zo’. Dus nu proberen we het een en ander. Ik denk niet dat we net als hij nog een kleioventje om stenen te bakken, op het plein zullen bouwen, maar we zijn wel met een schooltuintje begonnen.” Voor de meer bewerkelijke aanpak die Lighart bij praktisch alle zaakvakken toepaste ontbreekt tegenwoordig helaas de tijd.
Een middag in de week rouleren de leerkrachten op Rooijendijks school tijdens een zogeheten carrousel en geeft ieder zijn specialiteit aan een andere groep. “Ik doe techniek en probeer dat zo aanschouwelijk mogelijk te doen. We hebben onlangs een brug van rietjes gebouwd.”
Rampspoed
Het slothoofdstuk van haar boek behandelt de leraar van nu en haar mening over de toestand van het onderwijs. Ze bewaarde er jaren krantenknipsels vol rampspoed over het dalende niveau voor, en schreef voor de Volkskrant een opiniestuk. “Als je de kwaliteit van het onderwijs wilt verbeteren, zul je eerst een visie moeten ontwikkelen en je vervolgens daarop focussen. In de Middeleeuwen wilden ze de leerlingen goede christenen maken en daarom leerden kinderen de Bijbel lezen.” Nu is de aandacht te versnipperd, vindt ze. Toen minister Marja van Bijsterveldt een soortgelijk geluid liet horen, klonk haar dat als muziek in de oren. Daarover schreef ze een opiniestuk voor Trouw.
Basisschooljuf mag ze dan het mooiste beroep van de wereld vinden, ze werkt maar een halve werkweek als zodanig. Alleen op maandag, dinsdag en woensdag in groep 6/7/8. De andere dagen van de week besteedt ze aan het al even mooie beroep van schrijver van historische boeken die zij literaire non-fictie noemt. “Ik wil elke twee jaar een boek schrijven.” Ze vordert al weer flink in haar volgende titel over de handel. “Voor mijn boek over de waterwerkers heb ik een heel belangrijke dijkgraaf uitgebreid beschreven, Vierling, uit de vierde eeuw. Maar van hem is geen enkele plaatje bewaard gebleven. Kooplieden waren meestal rijke mensen en die lieten zich portretteren, zodat ik kan beschrijven hoe ze eruit zagen. Dat is het leuke van dit boek.”
{noot}
Grootvader Piepestok, een geschiedenis van Nederlandse schoolmeesters, Cordula Rooijendijk, Uitgeverij Atlas,
ISBN 9789045016672, € 19,95.