- blad nr 1
- 15-1-2011
- auteur G. van der Mee
- Redactioneel
Vakdocenten vinden Nederlands niet zo belangrijk
Slimme studenten stranden op de taal
Aan het eind van het gesprek zegt ze peinzend: “Onderwijs is een black box, niemand weet wat er nou precies in die klas gebeurt, maar iedereen heeft er een mening over.” Vandaar dat Marja van Knippenberg, zelf een ervaren docent, voor haar onderzoek naar het onderwijzen en leren van Nederlands in het mbo, in 2006 en 2007 het hele schooljaar lang de lessen van één groep volgde. December vorig jaar promoveerde ze*.
De klas bestond uit 22 studenten van verschillende leeftijden en nationaliteiten op mbo niveau-2 van de basisberoepsopleiding helpende zorg van het Hollandia College**. Met dat diploma kun je bijvoorbeeld in een verpleeghuis werken. “Er zaten deelnemers bij die van het vmbo kwamen, maar ook studenten uit een inburgeringstraject. Sommigen waren in hun land van herkomst hoog opgeleid en zaten alleen op zo’n laag niveau omdat hun Nederlands niet toereikend was. Er waren maar drie studenten in Nederland geboren. Vooral in het mbo komen dit soort heterogene klassen vaak voor.”
In 2010 volgden 496.227 studenten een beroepsopleiding, daarvan zijn er 128.743 allochtoon, blijkt uit cijfers van het Centraal Bureau van de Statistiek. “Het gaat prima”, zegt Van Knippenberg, “zolang iemand niet verder wil komen dan niveau-2. Maar veel van deze studenten willen door en hebben dan een groot probleem, want ze stranden op de toets Nederlands die ze moeten maken om op niveau-3 te komen.”
Taalonderwijs is de rode draad in haar loopbaan. Van Knippenberg begon als docent Engels en Nederlands in het vmbo. Gaf cursussen Engels in het bedrijfsleven, hield zich bezig met onderwijs in Nederlands als tweede taal, maar besloot ook om taalwetenschap te gaan studeren. In 2003 werd ze op Roc Mondriaan in Den Haag aangenomen als beleidsmedewerker taalbeleid.
Geen hamer
Nederlands was jarenlang een apart vak in het mbo-onderwijs. In de jaren tachtig klaagde het bedrijfsleven dat de mbo-opleidingen niet voldoende praktijkgericht waren. Leerlingen konden nog geen hamer vasthouden.
In commissies ging het bedrijfsleven zich direct met het onderwijs bemoeien. Zij vonden de oplossing: vakken als Nederlands en Engels moesten niet langer apart gegeven worden, maar geïntegreerd in de vaklessen.
“Waar Nederlands in het beroep belangrijk is, zoals administratie, bleef het een stevige component. Maar in een richting als de zorg werden de eisen voor het niveau helemaal opgehangen aan de vaardigheden die je nodig hebt voor dat beroep. Je moet dan bijvoorbeeld kunnen overleggen met je collega’s. Op die manier verdwijnt de aandacht voor Nederlands heel makkelijk.”
Toen Van Knippenberg haar onderzoek in 2006 startte, begonnen de klachten over het niveau van mbo-studenten luider te worden. “Ik ben hier al vanaf 2003 mee bezig. Toen was er al veel discussie over de taalvaardigheid van de studenten. Hier op het Mondriaan ontdekten we bijvoorbeeld dat de taal van veel toetsen te ingewikkeld was, waardoor leerlingen niet op de inhoud zakten, maar op de taal. Wij hebben toen voor het hele roc 150 toetsen gescreend, ook die van de brancheorganisaties.”
Volgens de onderzoeker zijn vooral de heterogene groepen erg ingewikkeld. Vandaar dat ze vindt dat het onderwijzen aan een meertalige klas extra bagage vraagt van de docent. “Docenten Nederlands moeten specifieke kennis hebben van het Nederlands als tweede taal en tweede taaldidactiek. Vakdocenten moeten doorkrijgen wat hun leerlingen wel en wat ze niet begrijpen en hoe ze abstracte onderwerpen toch goed kunnen overbrengen.”
Voor Van Knippenberg was het al snel duidelijk dat er een groot gat gaapte tussen de ideologie dat studenten moeten doorstromen en de werkelijkheid. “De doorlopende leerlijn vond je in het curriculum alleen terug bij de beroepsvaardigheden, maar niet bij Nederlands.”
Zelfvertrouwen
Cruciaal in haar onderzoek is de rol van de docent. Die is bepalend voor wat de studenten leren. “Vakdocenten zijn gefocust op het opleiden voor het beroep, daar hebben ze natuurlijk gelijk in. Dus richten ze zich bij de opleiding helpende zorg op de eindtermen die voor dat niveau gelden en kijken niet verder. Veel mbo-docenten komen zelf uit een beroep als kapper, beveiliger of monteur en hebben dan vaak niet meer dan een mbo-opleiding niveau-3 of 4 gehad. Daardoor hebben ze zelf ook niet altijd veel met taal gedaan, evenals met didactiek.”
Wat haar opviel, was dat docenten lage verwachtingen hadden van hun studenten. “Ze stelden geen hoge eisen, omdat ze erg bezorgd waren over het welbevinden van hun leerlingen. Ze hebben het al zo moeilijk, je moet ze niet lastig vallen met teveel lesstof. Dat gold ook voor de regel dat er alleen Nederlands gesproken mag worden. Plannenmakers moeten zich realiseren dat ook deze regel in de praktijk niet zo makkelijk uitvoerbaar is. Het is namelijk heel logisch dat ze in de pauzes in hun eigen taal met elkaar praten en dat het in de klas ook wel eens gebeurt. Dan gaat het onder andere over de lesstof, bijvoorbeeld over de betekenis van een woord.”
Over de hele linie vindt Van Knippenberg wel dat er teveel mededogen is met studenten, terwijl het effect averechts uitpakt. “Zelfs het lezen van een hoofdstuk wordt al een hele opgave gevonden. Dat gebeurt dan ook al bijna niet meer. Helemaal als een docent weinig zelfvertrouwen heeft en niet weet hoe hij het moet aanpakken, heeft hij de neiging om taken naar zich toe te trekken en de studenten te sparen. Op die manier wordt de lat steeds lager gelegd. Ik hoor het ook van collega’s, die zeggen dat het vergeleken bij een paar jaar terug steeds moeilijker is om een student wat te laten lezen. Zelfs een korte tekst is vaak al teveel.”
Tenenkrommend
In de periode van het onderzoek, vanaf 2006, werd het probleem van de slechte taalontwikkeling ook gesignaleerd door het Hollandia College. Daarom werd er besloten een aparte docent aan te trekken voor de taalles. De lessen staan beschreven in het onderzoek en zijn tenenkrommend, want de docent, vers van de pabo, blijkt zelf van veel woorden de betekenis niet te weten. “Het heeft natuurlijk weinig zin om iemand zonder enige kennis van de doelgroep taalles te laten geven. Er was geen leerlijn, geen methode en haar eigen taalvaardigheid liet ook te wensen over. Het is een grote onderschatting van de kennis die zo’n groep vraagt, want je moet echt iets afweten van onderwijs in Nederlands als tweede taal.”
De neiging om bij een stagnerend niveau aparte lessen Nederlands te gaan geven, is volgens Van Knippenberg dus niet altijd een oplossing. “Er zijn in de afgelopen jaren wel modellen ontwikkeld om taal en vak zo te integreren dat studenten veel meer woordkennis opdoen. Soms werkten de vakdocent en de taaldocent samen aan de didactiek voor het onderwijs.”
Wat ook niet werkt is studenten zomaar digitale oefeningen laten doen. “Het lijkt ideaal, ze kunnen zonder docent aan de slag met lesmateriaal, maar het werkt niet. Dikwijls zijn het namelijk meer toetsen dan oefeningen. Je kunt ze pas maken als je al een bepaalde taalvaardigheid hebt en dan is het alleen nuttig om je kennis te onderhouden. Wat vergeten wordt, is dat je taal vooral ook leert in interactie met de docent en medestudenten. Dus dit is ook een valkuil, het lijkt efficiënt, helemaal in een tijd waarin het allemaal met minder moet, maar het werkt echt niet. Ik hoor trouwens ook van veel docenten dat leerlingen gewoon papier willen in plaats van alles digitaal.”
Ze is erg blij dat de aandacht voor Nederlands terug is op de agenda en dat er vanaf schooljaar 2013/2014 centrale examens komen in het mbo voor lezen en luisteren. Voor het taalbeleid op het Hollandia College is dit een nieuwe impuls. Ze vreest alleen dat met deze eis de werkelijkheid nog niet direct veranderd is. “Al jaren wordt dit probleem gesignaleerd, maar het mbo kan dat niet alleen oplossen. We hebben nu door de commissie-Meijerink referentieniveaus, maar als er in het voortraject, dus het vmbo, niets gedaan wordt, dan is het een ondoenlijke opgave.”
Uit de toets die leerlingen bij de instroming in het mbo moeten maken, blijkt dat de overgrote meerderheid ver onder het niveau zit van wat ze uiteindelijk moeten halen. “Dat is dus een grote zorg. Het is goed dat het gaat gebeuren, maar je moet er wel op rekenen dat het nog jaren duurt voordat het niveau ook echt op peil is. Wat in al die jaren verwaarloosd is, kun je niet ineens ongedaan maken. Helaas zitten we in een maatschappij waarin de oplossing van een probleem er ook direct moet zijn.”
In de aanbevelingen van haar onderzoek hamert Van Knippenberg op de noodzaak van lesmateriaal waarin de woordenschat een belangrijke component is. Studenten waren zelf niet tevreden over de lessen Nederlands. In het onderzoek vertellen ze in gebrekkig Nederlands dat ze nooit iets schriftelijk hoefden te doen.
Van Knippenberg zou de docenten wat meer rust en ruimte gunnen, maar de hectiek van alledag overheerst de werkelijkheid in de klas. “De organisatie van de instelling en steeds weer nieuwe landelijke eisen en maatregelen eisen iedere dag hun tol.”
{noten}
*)Nederlands in het middelbaar beroepsonderwijs.
Een casestudy in de opleiding helpende zorg, Marja van Knippenberg, uitgever Eburon.
**)Het Hollandia College is een fictieve naam voor de bestaande zorgopleiding. Alle namen in het onderzoek zijn, omwille van de bescherming van informanten, geanonimiseerd.