• blad nr 1
  • 15-1-2011
  • auteur R. Voorwinden 
  • Redactioneel

Nieuw en populair 

Zeven academische pabo’s in twee jaar tijd

De eerste academische pabo opende twee jaar geleden haar deuren. Nu zijn er al zeven, en het einde van de groei is nog niet in zicht. Maar wat is eigenlijk een ‘academische’ pabo? Want de ene is heel anders opgezet dan de andere. En is er straks wel werk voor alle afgestudeerden?

Utrecht begon. Nijmegen, Leiden, Rotterdam, Groningen, Deventer en Amsterdam volgden, en er staan er meer in de steigers: de academische pabo rukt op. De studenten van zo’n pabo combineren een universitaire studie met een opleiding tot leraar basisonderwijs.
De eerste academische pabo opende twee jaar geleden de deuren. De nieuwe opleiding is bedoeld voor studenten onderwijskunde die ook op praktisch niveau ‘iets met kinderen’ willen. Want dat zijn er nogal wat, zegt Theo Wubbels, vicedecaan van de faculteit sociale wetenschappen van de Universiteit Utrecht. “Toen ik eens in een collegezaal met driehonderd studenten informeerde wie er belangstelling zou hebben voor combinatie van een universitaire studie en de pabo, ging de helft van de vingers omhoog.”
Voor de studenten van de academische pabo is in Utrecht een compleet nieuwe onderwijsroute opgesteld. De studenten volgen vakken in de gebouwen van de hogeschool en de universiteit, die dicht bij elkaar in de buurt liggen. De studenten blijven als groep bij elkaar, en schuiven dus niet aan bij reguliere lessen en colleges van de pabo en de studie onderwijskunde.
De deelnemers worden streng geselecteerd. Zo moeten de geïnteresseerden een aanbevelingsbrief meesturen van iemand uit het onderwijs, en aangeven welke ervaring ze al hebben in het omgaan met kinderen. Er wordt ook geselecteerd op bijvoorbeeld cijfers voor Engels en wiskunde, belangrijke vakken in de universitaire wereld. En ten slotte is er een toelatingsgesprek. Van de 150 belangstellenden mochten er zo’n vijftig aan het eerste jaar van de eerste academische pabo beginnen.
Een van hen is Ellewies Harleman, die inmiddels in het derde jaar van haar studie zit. Het gaat goed, al was het de eerste twee jaar wel wat saai op de universiteit, met vakken als statistiek en onderwijskunde. “Dit jaar zijn we begonnen met orthopedagogiek, met de ontwikkeling van het individuele kind. En dat is heel interessant. Ik dacht: dit vak hadden ze gelijk moeten aanbieden, twee jaar geleden. Maar goed, ik snap wel dat je eerst een basis moet leggen.”
De pabo vindt ze niet moeilijk. “Persoonlijk vind ik de vakken die op de universiteit worden gegeven iets interessanter: wat je op de pabo leert, spreekt vaak voor zich. Maar het leuke van de pabo is wel dat je veel met kinderen bezig bent.”
Zoals alle studenten van de academische pabo loopt Harleman een dag per week mee op een basisschool, en dat bevalt prima. “Bij het vak orthopedagogiek komen bijvoorbeeld autisme en adhd aan bod. En die zaken zie ik op school ook in de praktijk. De lesstof gaat zo meer leven, dat is het leuke van deze opleiding.”

Denkvermogen
Ed Booms, clusterdirecteur van de basisscholen Torenuil en de Trekvogel in IJsselstein, is blij met de stagiairs van de academische pabo. “Ik ben een warm voorstander van de academische pabo. Niets ten nadele van pabo’s, maar deze nieuwe studie trekt toch mensen met meer denkvermogen.” Het grote voordeel daarvan is dat de nieuwe studenten onderzoek kunnen uitvoeren, vindt Booms. “Als directeur van enkele basisscholen krijg ik elke week tussen de tien en twintig verzoeken om mee te doen aan onderzoeken. Maar het zijn altijd onderzoeken van anderen.”
En Booms zou zelf graag zoveel zaken laten uitzoeken. “Wat is de opbrengst van het vak burgerschap, hoe verhoog ik de prestaties bij taal en rekenen, wat is het effect van een nieuwe methode, wat kan ik doen om de werkdruk te verminderen? Ik gun elke school een student van de academische pabo om dat soort dingen eens uit te zoeken.”
Ondanks de strenge selectie aan de poort is de uitval bij de academische pabo vrij hoog. Eigenlijk is die uitval net zo hoog of laag als bij veel andere opleidingen in het hoger onderwijs: zo’n 25 tot 35 procent. Misschien hebben de studenten zich toch verslikt in het zware programma? Want studenten van een universitaire opleiding besteden gemiddeld zo’n 27 uur per week aan hun studie, terwijl er voor de academische pabo zo’n veertig uur nodig is. “We gaan nog beter benadrukken hoe zwaar deze opleiding is”, belooft vicedecaan Wubbels.
Veel studenten die stoppen met de academische pabo stappen over naar een van de twee studies waaruit deze opleiding is opgebouwd: onderwijskunde of de pabo. Zo koos Mariëlle van Maren voor de pabo. “Ik heb de propedeuse van de academische pabo wel gehaald, maar ik vond onderwijskunde heel saai: ik zag niet direct het verband met de lessen op school. Daarom doe ik nu de pabo. Als je contact hebt met kinderen is elke dag anders.”
“Als je van de academische pabo overstapt naar een andere studie zie ik dat niet als uitval”, betoogt Dick de Wolff, directeur educatie bij de Hogeschool Utrecht, partner in de eerste academische pabo. “De functie van de propedeuse is uitvinden of je op de goede plek zit. Als een andere studie dan toch leuker lijkt: prima. Daar kun je beter na een jaar achter komen dan na drie jaar.”

Valse vlag
Inmiddels zijn op andere plaatsen ook academische pabo’s begonnen. Die hebben niet allemaal dezelfde opzet als de pionier in Utrecht. Zo wordt de pabo niet altijd gekoppeld aan de studie onderwijskunde, maar ook aan pedagogiek. En soms vindt de koppeling tussen de pabo en de universiteit pas later in de studie plaats: in het tweede of derde jaar. De studenten beginnen dan aan de pabo of aan de universiteit, en gaan later de vakken van de andere studie erbij volgen. In het uiterste geval volgen de studenten eerst vrijwel de gehele pabo om daarna een vervolgstudie onderwijskunde te gaan doen.
Maar die laatste mogelijkheid bestaat allang: dat is gewoon de bestaande praktijk waarop de sticker ‘academische pabo’ wordt geplakt, vindt De Wolff van de Hogeschool Utrecht. “De kracht van een academische pabo ligt in de optelsom van de twee studies. Bij de nieuwe academische pabo’s zie ik dat niet altijd terug: soms is het gewoon een doorstroomprogramma. Er wordt dan onder valse vlag gevaren. Ik ben bang dat scholen straks niet meer weten wat ze precies voor afgestudeerden in huis halen.” De Wolff wil met de Utrechtse universiteit gaan overleggen over deze kwestie. “Misschien kunnen we een keurmerk oprichten. En we willen een gezamenlijke inschrijving in het Centraal Register hoger onderwijs.”
In Utrecht blijft de belangstelling voor de academische pabo groot: vorig jaar zijn er 65 nieuwe studenten begonnen, dit jaar 85. De instroom aan de andere pabo’s komt ondertussen ook op gang. Is er straks wel werk voor alle afgestudeerden? Wubbels van de universiteit verwacht geen problemen. “Straks leveren alle academische pabo’s bij elkaar misschien zo’n driehonderd afgestudeerden per jaar af. Hoeveel studenten komen er jaarlijks van de pabo? Toch zeker zevenduizend. Dan is driehonderd niet zo veel.”
Schoolleider Booms ziet ook geen problemen. Want hij wil zeker niet alleen maar afgestudeerden van de universitaire pabo’s gaan aannemen. “We hebben ook gewoon goede leraren nodig. Maar daarnaast dus een paar mensen die onderzoek kunnen uitvoeren, die antwoord kunnen geven op de vraag waarom wij als school doen wat we doen.”
Maar wanneer komen die afgestudeerden eigenlijk op de markt? Want in de Utrechtse praktijk is al wel duidelijk geworden dat vrijwel alle studenten van de universitaire pabo een masterdiploma willen halen. En dat was niet de opzet: de opleiding stopt zodra de studenten de bachelordiploma’s van de pabo en van de studie onderwijskunde hebben behaald. Want voor lesgeven en onderzoek doen in het basisonderwijs is geen mastergraad nodig, zo is de gedachte.
Daar blijken de studenten toch anders over te denken. “We zijn nu aan het onderzoeken of we voor die masteropleiding een duaal traject kunnen starten”, zegt De Wolff. Dan hoeven de studenten in elk geval niet nog een vol jaar aan de universiteit door te brengen, waarin de ervaring die ze voor de klas hebben opgedaan weer wegzakt. En waarin ze wellicht helemaal voor het onderwijs verloren gaan. Dat laatste zou een rampscenario zijn. De Wolff: “Ik hoop echt dat de studenten na de academische pabo zo snel mogelijk de praktijk in gaan.”


Dit bericht delen:

© 2026 Onderwijsblad. Alle rechten voorbehouden
Het auteursrecht op de artikelen in dit archief berust bij het Onderwijsblad, columnisten of freelance-medewerkers. Het citeren van delen van artikelen is toegestaan, mits met bronvermelding. Volledige overname, herplaatsing of opname in andere publicaties is slechts toegestaan na overleg met de hoofdredacteur via onderwijsblad@aob.nl Indien het gaat om artikelen van freelancers zal hiervoor een bedrag in rekening worden gebracht.