- blad nr 1
- 15-1-2011
- auteur E. Went
- Redactioneel
Help! Een ouder!
Elke docent is zich ervan bewust dat achter vrijwel iedere leerling meerdere ouders kritisch meekijken in het klaslokaal. En of een leerkracht dat nu wil of niet, hij moet daar iets mee. Want voordat je het weet is er gezeik aan het schoolhek.
Goed communiceren, daar begint het allemaal mee. Zodat alle neuzen dezelfde kant op blijven staan. Maar hoe doe je dat? Zijn daar universele tips voor, of is dat maatwerk? Ofwel: hoe ga je om met de ouders van jouw leerlingen?
Frederik Smit is als coördinator van het Expertisecentrum Ouders, school en buurt verbonden aan het ITS van de Radboud Universiteit Nijmegen. Vijf jaar geleden ontwikkelde hij in opdracht van het ministerie van Onderwijs de poster ‘Herken de ouder’. Op die poster definieert hij zes typen ouders: de supporter, de afwezige, de politicus, de carrièremaker, de kwelgeest en de superouder. Met een handige gebruiksaanwijzing vol benadertips voor scholen. Zo is de supporter vooral geschikt voor hand- en spandiensten, maar niet voor de medezeggenschapsraad en het schoolbestuur, stelt Smit. En met de kwelgeest is het altijd oppassen geblazen. “Dit type ouder stelt graag als kritische consument het feilen van de school aan de kaak, is voor het schoolteam een ongeleid projectiel en is vaak pas tevreden als de school door het stof moet.” Beste benaderwijze volgens Smit: “Blijf zakelijk, maar zorg ervoor dat de kwelgeest op zijn gemak is. En houd je doel voor ogen, bereid je goed voor en stel de goede vragen.”
Pochen
De poster was destijds nog niet gedrukt of Smit kreeg al een berg kritiek over zich uitgestort. In De Telegraaf kwalificeerde Daphne Deckers zijn indeling als stigmatiserend. ‘En waar blijft in deze typologie de gewone ouder’, zo vroeg zij zich af. Columnist Aleid Truijens deed daar in de Volkskrant een schepje bovenop: ‘Het is onprettig als ouder te worden ingedeeld naar opleidingsniveau. Bovendien zijn de bijgeleverde adviezen om de ouders te benaderen niet gericht op betere samenwerking of onderling begrip, maar op manipulatie. Zo kun je de carrièremaker lekker maken voor de medezeggenschapsraad door te pochen over interessante personen die daarin participeren. De superouder krijg je in beweging door slijmerig “warme belangstelling” te etaleren; de sukkelige supporter is gevoelig voor “bondgenootschap”.’ Het Netwerk Landelijke Ouder Organisatie (NLOO) kwam zelfs met een tegen-poster. Titel: ‘Herken uw leerkracht’ en ‘Herken de manager/bestuurder’. De kwelgeest onder de leerkrachten wordt daarop door het NLOO weggezet als ‘ongevoelig, theatraal, conflicterend en ongeduldig, geschikt voor vervroegd pensioen of een andere baan en ongeschikt om gesprekken met ouders te voeren.’
Feest der herkenning
Inmiddels is de storm gaan liggen. Maar de gewraakte poster blijft nog altijd een eigen leven leiden. Smit: “Op veel scholen waar ik kom, hangt hij nog steeds op een prominente plek in de lerarenkamer.” Bovendien heeft Smit de afgelopen jaren over de halve aardbol gezworven om lezingen over zijn oudertypen te geven, onder andere in Brussel, op Cyprus, in Zwitserland en in Canada. “De poster maakt zelfs onderdeel uit van de lerarenopleiding in Quebec.” En nog regelmatig wordt hij uitgenodigd om zijn zienswijze toe te lichten. Zoals laatst in Rotterdam, waar leden van de gemeenteraad, vertegenwoordigers van scholen en Tweede Kamerleden bijeen waren voor een discussie over allochtone ouders. “Voor veel deelnemers waren mijn tips een feest der herkenning.”
Het succes van zijn poster is voor Smit eenvoudig te verklaren: “Overal herkennen ze de indeling. De typologie staat als een huis. Je mag het alleen niet opschrijven, want dan duw je ouders in hokjes.” De kritiek schuift hij dan ook lachend terzijde: “Deze poster is natuurlijk expres in een overdreven vorm gegoten om de discussie op gang te brengen. In de praktijk komt deze indeling uiteraard nooit voor. Ik snap eigenlijk niet goed waar iedereen zich zo druk over maakt.”
Daar komt bij dat de poster in zijn ogen wel degelijk aanknopingspunten biedt voor docenten om het dagelijkse contact met ouders te vergemakkelijken. “Maar daarmee zijn we er natuurlijk nog niet. Want het begint natuurlijk met dat je als team moet weten wat je van ouders wilt. Ouderbetrokkenheid is belangrijk, maar nooit een doel op zich. Dat doel moet je met elkaar definiëren. Spreek je bijvoorbeeld af dat de school verantwoordelijk is voor de opvang en voor het onderwijs van het kind en dat de ouders eindverantwoordelijk zijn voor de opvoeding, dan kunnen daar geen misverstanden meer over bestaan. En dan kan je daar jouw communicatie op inrichten. En vindt een team bijvoorbeeld ouderbetrokkenheid belangrijk, dan moet daar uiteraard ook contacttijd voor ingeruimd worden.”
Verder is van belang dat scholen al heel vroeg duidelijk zijn over wat zij met ouders communiceren en wat niet. “De intake is het geëigende moment om boven water te halen wat ouders op dit vlak van een school kunnen verwachten. Dat kan je zelfs in de schoolgids zetten. Dat voorkomt misverstanden halverwege.”
Komt het dan toch daadwerkelijk tot een confrontatie met een ouder, kies dan voor minder toespraak en meer inspraak, stelt Smit. “Docenten zijn gewend om altijd te praten. Luisteren vinden ze doorgaans een stuk lastiger. En vragen stellen doen ze ook veel te weinig. Laat zo’n ouder maar eens aan het woord. Dat zou al een enorme winst zijn.”
Schroom ook niet ouders regelmatig te consulteren of het contact nog op orde is, stelt Smit daarnaast. “Is deze contactvorm wel handig voor jullie? Slaat dit aan? En creëer vooral ook veel contactmomenten. Via de telefoon, de website, twitter. Daar hebben ouders behoefte aan. Bovendien maak je de school daarmee meteen veel interessanter voor ouders. En het is leuker en spannender voor jezelf om te doen.”
Oorlog
Marianne Hop is oud-leerkracht in het basisonderwijs en ouder van schoolgaande kinderen. Zij heeft een adviesbureau en werkt voor het Seminarium voor Orthopedagogiek van de Hogeschool Utrecht dat onder andere studiedagen en schoolbegeleidingstrajecten ontwikkelt voor scholen die de relatie met hun ouders willen herijken. “Wat mij daarbij opvalt is dat directeuren van scholen nog wel eens de neiging hebben om ouders als bedreigend te bestempelen. We moeten ons wapenen tegen ouders, zeggen ze. Waarop ik dan denk: is het oorlog dan? Want zo dramatisch is het natuurlijk niet, 80 procent van de ouders is doorgaans tevreden. Maar die 20 procent wil je uiteraard ook tevreden hebben.”
Veel voorkomend probleem is dat beide partijen vanuit verschillende perspectieven naar het kind kijken. “De vraag is hoe je ze bij elkaar kunt brengen. Want beiden zijn deskundig op hun eigen terrein, en daar zou je van moeten profiteren.”
Dat vereist allereerst een open houding, stelt zij. “Beide partijen moeten elkaars waarheden serieus nemen en bereid zijn van elkaar te leren. Zo zal een docent veel moeten doorvragen: Hoe gedraagt uw kind zich thuis? En hoe gaat u om met die lastige gedragskenmerken? Pak je het als docent zo aan, dan nodig je een ouder uit om mee te denken.”
Ook zijn scholen te veel geneigd om alleen contact met ouders te zoeken als er iets misgaat. “Terwijl ouders het juist heerlijk vinden om te horen wat er goed gaat.” Dat hoeft heus niet al te ingewikkeld te zijn. Hop: “Op de school van mijn kinderen is er ’s morgens bijvoorbeeld een open inloop van tien minuten. Dan staat de juf bij de deuropening en kan de ouder bijzonderheden aangeven. Ook heeft de school behalve de MR nog een klankbordgroep voor ouders. Daarin worden regelmatig opiniepeilingen gehouden. En een paar keer per jaar zijn er open inloopochtenden, zodat ouders de sfeer in het gebouw kunnen opsnuiven.”
Het belang van dit soort eenvoudige ingrepen is voor Hop evident. “Hiermee voorkom je aan de voorkant dat er later iets misgaat. Dat lijkt misschien een extra belasting, maar dat is niet zo. Je zorgt er juist voor dat het contact met ouders soepeler verloopt. Die extra tijdsinvestering win je dubbel en dwars terug. Want voordat je het weet heb je geklets aan het schoolhek. En dan ben je feitelijk al te laat.”
{portretje 1}
‘Laat die bomen staan’
Eigenlijk verbaas ik me erover dat de communicatie met school goed gaat. Omdat het voornamelijk verloopt via briefjes die aan de kinderen meegegeven worden. Hiermee wordt de verantwoordelijkheid voor de communicatie bij vier-, vijf- en zesjarigen gelegd. En dat gaat natuurlijk wel eens helemaal fout.
Mijn advies: laat die bomen staan, schaf het papier af. Stuur me een e-mail. Kan ik ook nog feedback geven. En dan kan er een dialoog ontstaan. Social media, interactieve mogelijkheden, up-to-date zijn? Het zijn allemaal zaken die scholen in hun communicatie kunnen verbeteren.
Ik ben zelfstandige in de ict en ik ben gewend aan heel snel contact. Per website, e-mail, twitter, sms. Niet alleen overdag, maar op momenten dat het me uitkomt, ‘s avonds op de bank, onderweg, overal. Bijna iedereen in mijn omgeving kan ik bereiken via mail. Zelfs mijn moeder. Of mijn oma van 88 met haar iPad. Scholen kunnen deze weg ook bewandelen.
Verder vind ik de omgang van docenten met ouders nog te beperkt tot het ochtend- en middagritueel en de tienminutengesprekken. Ik ervaar het als heel prettig als er, al is het maar kort, even persoonlijk contact is met mij. Zodat ik snel hoor hoe het gaat, waar eventuele aandachtspunten liggen. Dat lukt op de school van mijn dochters niet altijd, maar wel heel vaak. Ik vind dat heel knap.”
George Moses, vader van Alicia (5) en Elise (4), basisschoolleerlingen in Purmerend
foto: Rob Niemantsverdriet
{portretje 2}
‘Ik mis dat informele babbeltje’
“Sinds mijn kinderen op de middelbare school zitten, ben ik het zicht een beetje kwijt. Wat doen ze daar de hele dag? Wat wordt er allemaal georganiseerd? Wie staat er voor de klas? Ik heb er nauwelijks een beeld bij.
Op de basisschool was dat heel anders. Als er dan iets met mijn kinderen aan de hand was, schoot de juf mij aan. Na schooltijd bij het hek, of als ik de kinderen naar de klas bracht. Ik mis dat informele babbeltje, die korte update. Nu moet ik het doen met twee avonden tienminutengesprekken per jaar. Dan mogen we per avond twee docenten aankruisen. Dat is genoeg als alles soepel verloopt. Maar stel nu eens dat dit niet zo is, dat er echt iets met mijn kinderen aan de hand is? Ik zou niet eens goed weten wie ik dan moet aanschieten.
Daar staat tegenover dat ik wel via de mail met docenten kan communiceren. Daar heb ik al een paar keer gebruik van gemaakt. Ook vind ik het positief dat de cijferlijsten van mijn kinderen online inzichtelijk zijn. De volgende stap is wat mij betreft dat we via een interactief account roosterwijzigingen kunnen inzien. Want nu heb ik geen flauw idee wanneer er lessen uitvallen en hoe vaak mijn kinderen zinloos over straat wandelen. Dat soort dingen zou ik graag weten.”
Jeannette Stok, moeder van Robin (16) en Lex (14), vmbo-leerlingen in Drachten
foto: Roel Loots
{portretje 3}
‘Het kan anders, gemakkelijker en beter’
“Ik heb niets te klagen over de hoeveelheid informatie die ik van school krijg. Wel vind ik dat die informatie enorm versnipperd wordt aangeboden. De ene keer moet ik briefjes met invulstroken uit de rugzakjes van mijn kinderen vissen, de andere keer hangen er intekenlijsten op het klaslokaal, krijg ik via de mail nieuwsbrieven of stuurt de ouderraad een linkje naar Picasa om foto’s van evenementen te bekijken. Het overzicht ontbreekt. Ik heb daardoor steeds het onbehaaglijke gevoel dat ik iets mis.
Op eigen initiatief heb ik daarom een online communicatieplatform voor scholen en ouders ontwikkeld: www.schoudercom.nl. Dat biedt ouders overzicht over wat de school precies van hen vraagt. Voor scholen is het een eenvoudig, tijdbesparend instrument om de basiscommunicatie met ouders slim te regelen, maar ook om veel meer uit de communicatie met ouders te halen. Want ouders zijn geen last, je kunt ze ook gebruiken. Bijvoorbeeld door een korte opiniepeiling te houden over wel of geen continurooster.
Mijn tip aan docenten: laat je niet afschrikken door onbekendheid met ict. Als je daar doorheen kunt prikken, levert dat heel veel op, ook tijdwinst. Het kan anders, gemakkelijker en beter. Nu is het nog een kwestie van doen.”
Rob van Dijk, vader van Sam (8) en Fenna (6), basisschoolleerlingen in Leiden