- blad nr 17
- 30-10-2010
- auteur L. Douma
- Redactioneel
Ontvolking vraagt om creatieve oplossingen
De school als bushalte
“De nood is hoog”, vat Hanneke van Brakel bondig samen. Zij is directeur van de Stichting Scholenbouwmeester Noord Nederland, een regionaal expertisecentrum voor de schoolgebouwen van de drie noordelijke provincies. “Ons idee van de basisschool is gebaseerd op een model dat in Groningen geen realiteit meer is.” Dat model gaat uit van een schoolgrootte van minimaal tweehonderd leerlingen. “Maar in Noordoost-Groningen is driekwart van de scholen kleiner. In Nederland is er op de 2500 inwoners gemiddeld een school, maar in Groningen is dat één op de 1500. In sommige gemeenten, zoals Bellingwedde, zelfs minder dan één op de duizend. En de komende twintig jaar zal het aantal nul- tot twaalfjarigen in het noorden volgens de prognoses nog eens met 20 procent tot plaatselijk 60 procent afnemen.”
De noordelijke provincies, de kleine plattelandsgemeenten, zijn oververtegenwoordigd op de lijst ‘zwakke scholen’ van de Onderwijsinspectie. “Een kleine school betekent vaak twee tot drie groepen per leerkracht waarbinnen ook nog eens niveauverschillen zijn. Die leerkracht moet een duizendpoot zijn: hij verzorgt zowel de muzieklessen als de gym. Op zijn kleine school moet net zo goed Sinterklaas gevierd worden en de sportdag georganiseerd. Is het wel verstandig de leerkracht met zoveel verschillende dingen te belasten?”
Emotionele kwestie
Deze vragen in combinatie met schoolgebouwen die nogal eens verouderd zijn en niet aan de moderne eisen voor binnenmilieu voldoen, zetten de Stichting Scholenbouwmeester ertoe aan out of the box te denken. “Een geijkte oplossing zou centralisatie zijn: één grote school waar leerlingen dan van heinde en ver naartoe moeten. Het probleem daarmee is dat de dorpsschool verdwijnt, en dat is een emotionele kwestie. Met het verdwijnen van een school wordt een dorp ook meteen stukken minder aantrekkelijk voor jonge mensen.”
Vandaar dat de Stichting Scholenbouwmeester een andere oplossing aandraagt: de opstapschool, een gebouw in het dorp waar alle ouders hun kinderen naartoe brengen. “Vanuit dat gebouw kunnen leerlingen vervoerd worden naar een andere locatie van de opstapschool waar ze gymles krijgen of rekenen. Andere kinderen – de kleuters bijvoorbeeld – kunnen op de opstapschool blijven.”
Van Brakel ziet het als volgt voor zich: er komt een centraal gebouw met daarin voorzieningen zoals een aula. Daarnaast blijven er in de omliggende dorpen gebouwtjes bestaan die als een soort ‘bushalte’ fungeren. “Dat gebouwtje kan de huidige dorpsschool zijn, maar het kan ook van een andere instelling zijn. Het mooie van dit idee is dat ouders elkaar wel ontmoeten wanneer zij hun kinderen halen en brengen, dus dat die sociale functie van de school niet verloren gaat.” Bovendien zou je allerlei andere voorzieningen in dat gebouw kunnen onderbrengen. Van Brakel: “Denk aan het afhalen van een paspoort, of een klein supermarktje waar in veel dorpen behoefte aan is, herhalingsrecepten van de apotheek, maar ook een reizend spreekuur van de huisarts, of het consultatiebureau op dinsdagmiddag.”
Dagarrangement
Idealiter blijven de kleuters wel in hun eigen dorp. Van Brakel: “Je ziet vaak dat de kinderen uit groep 1 en 2 probleemloos bij elkaar in een groep worden geplaatst. In sommige dorpen zijn moeders nog gewoon thuis, zij zouden hun kleuter dan tussen de middag thuis kunnen laten eten.” Voor oudere kinderen zou een dagarrangement een idee zijn, want de voor- en naschoolse opvang moet toch al opgenomen worden in de opstapschool. “Daar zou je bijvoorbeeld muzieklessen aan kunnen koppelen of extra taallessen voor kinderen die dat nodig hebben.”
De verantwoordelijkheid voor de gebouwen van de opstapschool wordt dan niet meer gedragen door het schoolbestuur of de gemeente, maar door het Schoolschap. “Een uitvoeringsinstantie die verantwoordelijk is voor het borgen van de kwaliteit van de infrastructuur. Je zou daarvoor een onafhankelijk investeringsfonds in het leven kunnen roepen. Nu is het zo dat de gemiddelde schooldirecteur één keer in zijn carrière te maken krijgt met nieuwbouw. Dat betekent dat er geen leercurve is. Je moet je ook afvragen of vastgoed wel een taak van een schoolbestuur moet zijn.” Nu al besteden besturen deze taak uit aan woningcorporaties. “Maar die hebben vaak meerdere belangen en opereren met verschillende petten op. Dat is een probleem.”
Cultuuromslag
Dat er door de opstapschool de hele dag een busje van dorp naar dorp zal rijden, is volgens Van Brakel geen bezwaar. “Ik zie een conciërge-achtig iemand dat doen. Die zou ook bijvoorbeeld het bejaardenvervoer in een gemeente voor zijn rekening kunnen nemen. Het busje moet op biogas rijden. Want als ze ergens voldoende van hebben op het platteland, is dat wel biogas.”
Liever één busje dat constant van het ene naar het andere dorp rijdt, dan allemaal ouders die hun kind met de auto naar een basisschool vijftien kilometer verderop brengen, beargumenteert Mark Renne. Hij houdt zich voor de Zuid-Limburgse woningstichting Land van Rode bezig met krimp en is daarnaast als ‘krimpcoach’ een eigen bureautje gestart. “Wij worden hier in Parkstad ook geconfronteerd met scholen die dichtgaan. Wanneer hier een school sluit, worden de kinderen doorgeschoven naar de dichtstbijzijnde brede school. Ouders en kinderen worden aan hun lot overgelaten, ze zien maar hoe ze bij die brede school komen. Die gaan dus allemaal met de auto. Stel je voor wat een druk je daarmee op de wegen legt. Bovendien kun je wel weer een tijdlang met die brede scholen mee. Maar uiteindelijk lijkt de opstapschool mij ook voor Limburg een beter alternatief, daar kun je langer mee vooruit.”
De krimpcoach ziet het in zijn eigen omgeving: “Ik woon naast twee Amerikaanse families waarvan de kinderen de International School in Brunssum bezoeken. Zij gaan elke dag met de bus. In de Amerikaanse cultuur wordt schoolvervoer prima geaccepteerd. Dit geldt volgens mij ook voor Scandinavische landen en Frankrijk. Zo’n cultuurverandering moet hier toch ook mogelijk zijn.”
Voorlopig is het nog niet zover. Stichting Scholenbouwmeester is in de gemeente Bellingwedde met een eerste pilot gestart. Van Brakel: “De scholen denken daar na over inhoud en wij over de infrastructuur. Wij zijn met een architect, stedenbouwkundige, architectuurgeschiedkundige, fysicus en de GGD aan het onderzoeken hoe de gebouwen ervoor staan, of het rendabel is ze op te knappen. Het is alsof we met een team van artsen om een patiënt staan. Daarnaast proberen we districten samen te stellen – los van de grenzen van de schoolbesturen of gemeenten – waar eenzelfde soort vraag leeft. Stel, we zouden met de opstapschool komen. In het ene dorp is er behoefte aan een consultatiebureautje, maar in het veengebied bijvoorbeeld maken veel ouders gebruik van de GGZ. Wij zijn van plan verschillende scenario’s aan te bieden. De gemeenten zullen zich daar uiteindelijk over uitspreken.”
Van Brakel verwacht eind dit jaar met die scenario’s te kunnen komen. Ze denkt dat het idee van de opstapschool zeker verder wordt uitgewerkt. “Ik zie het als een soort best of both worlds.”
{Kadertje}
Uitstel van executie
Kleine basisscholen die wegens een te gering aantal leerlingen met opheffing worden bedreigd, krijgen in speciale gevallen langer de tijd om open te blijven. Een meerderheid in de Tweede Kamer liet eind september weten wel te voelen voor een wetswijziging met deze strekking.
De maatregel is vooral bedoeld voor krimpregio’s. Als scholen minder dan 23 leerlingen hebben, moeten ze dicht. Kamerleden vinden echter dat de minister van Onderwijs een speciale bevoegdheid moet krijgen om scholen open te houden als er zicht is op een toename van het aantal leerlingen.