- blad nr 17
- 30-10-2010
- auteur A. Kersten
- Redactioneel
Hoofdinspecteur Rick Steur over het nieuwe toezicht
‘e kunt nu ook je tanden laten zien
De eerste drie afleveringen gingen over onderwijstijd, personeelsbeleid en competentiegericht onderwijs.
Verscherpt toezicht, een handhavende rol. De inspectie kan tegenwoordig fikse sancties opleggen als de wet niet wordt uitgevoerd. Instellingen vinden dat vaak onterecht, maar hoofdinspecteur Rick Steur vindt het een verrijking van het toezicht. “Het is een nieuwe rol waar iedereen aan moet wennen.” Een gesprek over irritaties van instellingen, zorg over de examens en het vernieuwde toezicht op kwaliteit en personeel.
Tekst Arno Kersten en Gaby van der Mee Beeld Joost Grol
Het is een lastige sector, de bve, waartoe het mbo behoort. Met zijn meer dan achtduizend opleidingen en talloze examens kan de inspectie alleen op basis van risico-inschattingen of steekproefsgewijs een beeld krijgen. “In het voortgezet onderwijs zijn er elk jaar harde cijfers van examens die landelijk geijkt zijn. In het mbo ontbreken dergelijke gegevens en moeten we ons op uitstroomcijfers baseren.” Rick Steur, hoofdinspecteur Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie, sprak op de website van de inspectie zijn bezorgdheid uit over de kwaliteit van examens. Bij een op de drie opleidingen is de kwaliteit van de examens onvoldoende.
Dus voor heel veel leerlingen is het diploma nu minder waard geworden?
“Het examen is een onderdeel van het diploma, het zegt niet alles over de hele opleiding. Maar ik denk dat zo’n onderzoek wel slecht is voor het imago, omdat in de maatschappij de link met diplomawaarde wel wordt gelegd. Wij hebben deze keer ook naar de ingekochte examens gekeken, die komen van organisaties die examens maken. Dat is de opleidingen dus zelf niet helemaal aan te rekenen, maar dat heeft wel het beeld verslechterd.”
Spiraal
Over onderwijstijd was de laatste jaren veel te doen. Er waren klachten over roosters, er was zelfs een demonstratie van studenten. In opdracht van de Tweede Kamer ging de inspectie intensiever controleren. Het evaluatierapport Tijd voor kwaliteit spreekt van een ‘spiraal van verscherpt en gedetailleerd toezicht’, die door veel instellingen als belastend wordt ervaren. Het rapport pleit voor een nieuwe start waarbij de eigen verantwoordelijkheid een grote rol speelt. Bent u het daarmee eens?
“Ik vind wel dat je naast de kwantitatieve norm van 850 uur ook moet kijken naar de kwaliteit van de lestijd. De 850 uur is echt een minimum, dat wordt nog wel eens vergeten. Er zijn grote verschillen, want er zijn ook opleidingen die 950 of 1000 uur geven. Waar men aan moest wennen is dat wij tegenwoordig niet meer alleen toezien op de kwaliteit, maar ook op de naleving van wet- en regelgeving. Ik zie dat zelf als een verrijking van ons toezicht, omdat je nu ook je tanden kunt laten zien. Overtredingen kunnen tot boetes leiden. Dat is een nieuwe rol waar iedereen aan moet wennen. Maar het is zeker zo dat het niet alleen om die 850 uur gaat. Vanaf 2012 willen we ook kijken naar de spreiding van de uren over de werkweken. Het leren moet gestimuleerd worden, teveel vrije dagen helpen daar niet bij.”
Zwak
De ene opleiding houdt de leerlingen zoveel mogelijk in huis, bij een ander worden ze zo snel mogelijk op stage gestuurd. Met een half jaar stage hoef je de rest van het jaar niet zoveel lessen meer te geven. Sommigen ervaren dat als onrechtvaardig.
“Ja, naar die verdeling willen we preciezer kijken, omdat het ook een maatschappelijke zorg is dat studenten voldoende leertijd krijgen aangeboden om zich te ontwikkelen. Er kan niet één norm zijn voor het percentage van de stages, omdat opleidingen sterk verschillen. Dat geldt ook voor de zelfwerkzaamheid en het gebruik van de elektronische leeromgeving. Wij vinden nieuwe onderwijsvormen belangrijk, maar het gaat om de maatvoering, de begeleiding en de interactie met de docent.”
De inspectie hield zich nooit bezig met personeelsbeleid, maar dat verandert. Vanaf 2012 wordt er ook gekeken naar de kwaliteit van het personeelsbeleid, er zijn al pilots van start gegaan. Vanwaar die verandering?
“We zijn dit gaan doen omdat we vaststelden dat bij de zwakke en zeer zwakke opleidingen de kwaliteit van de leiding en het personeel een belangrijk onderdeel is van het probleem. Daarom willen we weten of de docenten bevoegd zijn, wanneer ze zich bijgeschoold hebben, of het personeelsbeleid ze ondersteunt. Zo kunnen we zien wat de relatie is met onderwijskwaliteit.”
In de bve-sector daalt het aantal bevoegde docenten en komen er steeds meer instructeurs. Vindt u dat het aandeel van de docenten van invloed is op de kwaliteit van het onderwijs?
“Ik denk dat gekwalificeerd personeel belangrijk is, dat hoeven niet altijd docenten te zijn. Vooral voor beroepsopleidingen kan het heel belangrijk zijn dat er iemand uit het bedrijfsleven een aantal dagen per week lesgeeft. Dat is dan geen bevoegde docent, maar wel een instructeur die ze hard nodig hebben, die heeft een andere positie. Het gaat om het hele team, waarin goed opgeleide docenten ook heel belangrijk zijn.”
In het laatste Onderwijsverslag stelt de inspectie vast dat er in het mbo 10 procent van de lessen gegeven wordt door onderwijsondersteuners. Er is ook een groot aantal (5 procent) onbevoegden. Krijgt u signalen dat er bij het aannemen van personeel vooral het bedrijfseconomisch belang telt?
“Nee, niet heel nadrukkelijk. Wel is het zo dat verhoudingsgewijs veel roc’s (een derde) financiële problemen heeft. Dus er zit wel veel druk op, dat heeft daar wel mee te maken.”
Steur wil zich niet uitspreken over de ideale mix docent-instructeur. “We beginnen bij de onderwijskwaliteit. We bekijken op een roc bijvoorbeeld tien onderwijsmomenten en bepalen hoeveel er niet voldoende zijn. Pas daarna kijken we naar de kenmerken van de docenten. Zo kun je conclusies trekken welke mixen goed werken. Voor deze sector is het natuurlijk buitengewoon ingewikkeld, omdat je op niveau-1 hele andere mensen nodig hebt, meer agogen, dan voor niveau-4 waar je echt vakmensen moet hebben.”
Bureaucratie
De enorme hoeveelheid uitstroomprofielen met de daaraan gekoppelde kwalificatiedossiers heeft langzaamaan geleid tot onwerkbare situaties. Opleidingen gaan gebukt onder een enorme bureaucratie. In het regeerakkoord wordt de vereenvoudiging van de kwalificatiestructuur, waaronder het verminderen van het aantal opleidingen al genoemd als middel om te bezuinigen. Volgens Steur telt 40 procent van de ruim achtduizend opleidingen minder dan twaalf studenten. “Dat is dus een enorme versnippering.”
Als een van de andere oorzaken voor deze toestand wordt wel de invloed van het bedrijfsleven genoemd. Is die doorgeschoten?
“Die invloed is groot. Mbo en bedrijfsleven zijn bezig nieuwe afspraken te maken om tot een betere afstemming te komen.”
Ondanks al deze negatieve gevolgen van de Wet op de bve uit 1996, ziet Steur ook krachtige elementen in het systeem. “In de beroepsopleidende leerweg en de beroepsbegeleidende leerweg kunnen alle mensen terecht op alle niveaus.” Hij wil ook wel kwijt dat inspectie oog heeft voor de uitgebreide opdracht van de bve. “Er wordt nogal veel van instellingen verwacht, bij de een lukt dat, bij een ander slechts ten dele.”
Met de vereenvoudiging van de opleidingsstructuur gaat de inspectie ook meer kijken naar de bestuurlijke kwaliteit van de instelling. Steur wil het toezicht op de bve-sector op een hoger plan brengen. “We willen naar het rendement kijken per unit in plaats van per opleiding. Als het bij een instelling goed gaat, lijkt het me ook niet nodig om daar ieder jaar weer langs te komen. Net als bij het primair en voortgezet onderwijs moeten we meer risicogestuurd gaan werken. Bij het mbo is dat nog niet helemaal uitgekristalliseerd, maar als het rendement deugt, en er zijn goede examens, dan hoef je niet meer bovenop al die uitstroomprofielen te zitten.”
Examens
Zouden meer landelijke examens de kwaliteit en de betrouwbaarheid niet ook omhoog kunnen brengen?
“Ja, die komen er al vanaf 2014 voor taal en rekenen, maar ik verwacht voor meer doorstroomvakken ook een standaardisering. Voor het toezicht is dat ook makkelijker, het is natuurlijk ook een indicatie voor het niveau, dus nieuwe kansen voor ons.”
Om het sombere beeld dat de buitenwereld nu heeft van het mbo te nuanceren, wil de inspectie van iedere instelling een profiel maken. Dan moet het voor iedereen inzichtelijk worden wat een instelling doet en met welke resultaten.
“We willen daar in december mee beginnen. In het voortgezet onderwijs bestaat dit allang, maar voor deze sector is het nieuw. De instellingen hebben er ook dubbele gevoelens over, want alle informatie over kwaliteit en prestaties ligt ineens op straat, dus dat is wennen. Wij vinden het belangrijk omdat je op die manier die grijze deken eraf haalt. Sommige opleidingen doen het goed, anderen minder. We blijven de zwakke en zeer zwakke opleidingen publiceren en volgen en zien de instellingsprofielen als een stap vooruit.”